Maandelijks archief: januari 2019

Antônio’s realkunstwerk

Naar de Portugese versie van deze pagina

Restaurant Primavera, Olho d'Água, São Luís, Maranhão, Brazilië
Restaurant Primavera, Olho d’Água, São Luís, Maranhão

Experiment: denk even aan een schilderij waar je vlak voor staat. Je ziet niet meer dan kwaststreken. Dan zet je een stap achteruit, en iets primitiefs in ons vormt op wonderbaarlijke wijze een voorstelling. Misschien bestaan kunstwerken wel om ons verbinding te laten maken met de primitieveling in ons.

Maria Rosadinha's in de quasi-volièr
Vogeltjes zogenaamd in een volière

Hoe dan ook, als je de koelte van airconditioned restaurant Primavera in São Luís binnenstapt, overkomt je het omgekeerde. Links achter een lange glazen wand zie je een aircovrije ruimte helemaal tot achteraan, met langs de groene muur een enorme volière. Het schijnsel bovenaan lijkt afkomstig van lampen die daar ergens uit het zicht moeten hangen. Je ziet her en der planten en een wirwar van takjes, waartussen kleine vogeltjes druk heen en weer fladderen, en wat verderop een bebedouro beijaflor, kolibrie-drinkreservoir, waaruit ze nectarine drinken, al zijn het geen kolibries.

Nog net kun je denken: jammer dat die vogeltjes opgesloten zitten. Maar dan zie je: het is geen volière, er zijn ook niet zo veel takjes en planten, en de ruimte is open: de vogeltjes kunnen erin en eruit. Wat je ziet is in feite een installatie, een realkunstwerk.

Foto vanuit de aircovrije ruimte zelf
De volière / het realkunstwerk vanuit de aircovrije ruimte

Er zijn maar een paar planten en, aan dunne draden naar de dakrand, ook maar een paar takjes, hangende decorstukken. Waar je eerder lampen waande, bevindt zich een lange spleet tussen het dak van het restaurant en de muur van de buren. Het is zonlicht dat daardoor binnendringt en de suggestie wekt van lampenschijnsel.

De weinige middelen van heel dichtbij, als de kwaststreken van een schilderij
De subtiele middelen van Antônio’s realkunstwerk van dichtbij

Uit bijna niets is hier een bijzondere ervaring gecreëerd. Ik neem in de aircovrije ruimte plaats, en geleidelijk komen steeds meer vogeltjes van het dak naar beneden om poolshoogte te nemen, alsof er iets in ze omging als: ‘Waarom zijn er zoveel naar beneden gegaan? Valt er wat te halen?’ Op het laatst waren er zo’n tien Maria Rosadinha’s, vogeltjes ter grootte van koolmezen.

Maria Rosadinha, vogeltje ter grootte van een koolmees
Maria Rosadinha

De eigenaar van het restaurant, Antônio, had mijn begeestering gezien en kwam een kijkje nemen. Hij zei wel drie keer dat het aberto was, ‘open’. Ik complimenteerde hem, en hij glimlachte bescheiden. Desgevraagd zei hij dat de zogenaamde volière niet geleidelijk was ontstaan; hij had hem in één keer bedacht en aangelegd.

Antônio geeft ondergetekende uitleg
Antônio en ondergetekende

Later, in het restaurant zittend, zag ik weer de illusie van een gesloten volière, en meteen daarop de werkelijkheid, en de weinige middelen waarmee de illusie werd gewekt. Dankzij een algemeen menselijk soort vergeetachtigheid bleek de verrassende ervaring zich te kunnen blijven herhalen. En zelfs nu, weken later, terugdenkend aan het restaurant, herhaalt zich in mijn herinnering de toverachtige omslag tussen illusie en werkelijkheid, alsof er ergens in mijn geest een animatie is gemaakt die ik kan blijven afspelen.

Nectarinehouder voor kolibries en andere vogeltjes
Bebedouro-beijaflor
Kaartje Primavera met adresgegevens
Adresgegevens restaurant Primavera, São Luís

A obra da arte de Antônio

Para a versão holandês desse página

Restaurante Primavera, Olho d’Água, São Luís Maranhão

Experimente: pense num quadro e você muito perto em frente. Você esta vendo somente pinceladas.  Então, você faz um passo para trás, e alguma coisa dentro de você forma uma imagem. Talvez obras da arte existem para nos deixar  conectados com essa coisa primitiva dentro de nós.

Os Maria Rosadinhas no ‘aviário’

Numa tarde de domingo, entrando no restaurante Primavera em São Luís, sentando-se no salão frio pelo efeito do ar condicionado, o oposto acontece com você. À esquerda você esta vendo atrás de uma parede de vidro, uma parte do restaurante sem ar condicionado e ao longo da parede verde, uma espécie de grande aviário. A luz em cima parece originada das lâmpadas que devem estar penduradas em cima, às escondidas. Em todo o lugar se vê plantas, ramos e pequenos pássaros voando, entrando e saindo e um pouco para trás, um bebedouro para pássaro beijaflor, onde eles bebem nectarina, apesar de não serem beijaflores.

Apenas assim se pode pensar: que pena que esses pássaros estão aprisionados. Mas então está vendo que não estão e que não é um aviário. Está vendo também que o lugar está aberto. Os pássaros podem livremente saír e entrar. O aviário é de fato uma obra da arte real.

A obra de arte de perto

Tem de fato poucas plantas e poucos ramos, pendurado com fitas finas, como pedaços de cenário. E onde imaginava lâmpadas tem um espaço estreito entre o telhado do restaurante e a parede que separa o restaurante da casa do vizinho. É luz do sol que entra lá e cria esse belo cenário como se fosse luz das lâmpadas.

A obra de arte de mais próximo

De quase nada uma experiência especial era orquestrada. Eu sentei-me nesse espaço do restaurante, sem ar condicionado e gradualmente mais e mais pássaros vieram do telhado para dar uma olhada em baixo. Era como se eles estivessem pensando algo como: ‘Porque tantos estão lá em baixo? Tem alguma coisa lá para comer?’ Ao fim mais ou menos dez Maria Rosadinhas, pássaros de 10 centimetros, apareceram.

Maria Rosadinha

O dono do restaurante, Antônio, viu meu entusiasmo e apareceu. Ele disse várias vezes que esse espaço era aberto, o que queria dizer que outros tinham tido a mesma experiência que eu. Eu lhe disse que ele criou uma coisa maravilhosa e ele sorriu modestamente. Quando perguntado ele diz que teve a ideia do ‘aviário’ e a executou de uma única vez.

Antônio explicando

Mais tarde, sentado no restaurante, eu outra vez estava vendo a ilusão do aviário e imediatamente depois a realidade e os poucos recursos com que a illusão fui criada. E por causa de um tipo comum de esquecimento humano, essa experiência podia se repetir. Mesmo agora, um tempo depois, pensando nesse restaurante, essa transformação mágica da illusão para a realidade acontece outra vez, como se na minha mente uma animação fosse fabricada, a qual posso tocar.

bebedouro beijaflor

Endereço Primavera

Spengler, de grote broer van Huizinga

Ondergang van het avondland,
kanttekeningen en fragmenten

Onder de indruk van Oswald Spenglers De ondergang van het avondland, oorspronkelijk verschenen in 1923, en na intensieve lezing ervan, publiceer ik hier deze korte uiteenzetting gevolgd door een reeks fragmenten die mij bijzonder troffen. Dit doe ik uit dankbaarheid jegens vertaler Mark Wildschut, die geweldig werk heeft afgeleverd, en uitgever Boom, die dit project heeft aangedurfd, én om anderen, die om wat voor reden ook voor lezing terugschrokken, in de gelegenheid te stellen in korte tijd een impressie van de stijl en de diepgang van dit werk te krijgen, door mijn keuzes gekleurd, maar toch. Wie weet gaan sommigen het toch lezen en zijn ze er achteraf net zo blij mee als ik.

Als je, zoals ik heb gedaan, met de open houding van de goede, geïnteresseerde lezer dit tweedelige megawerk tot je neemt, word je als bij een rondleiding meegenomen langs de door Spengler gerangschikte, met elkaar vergeleken en door hem toegelichte grote culturen uit het historische verleden. Kort gezegd is De ondergang van het avondland een grootse, met talloze voorbeelden geïllustreerde demonstratie van de visie dat culturen als organismen zijn, dat ze geboren worden, hun jeugd doorlopen, tot volwassenheid en bloei komen, en dan in verval raken en sterven – waarna de deelnemende individuen niet-meer-historisch doorleven, min of meer als de dieren.

Oswald Spengler, De ondergang van het avondland, Boom 2017
De ondergang van het avondland

Je verneemt, om er enkele aspecten van de vele uit te lichten, dat elke cultuur volgens Spengler een ander oersymbool heeft (de ‘Weg’ in de Chinese cultuur, de ‘grot’ in de oude Egyptische cultuur, het ‘lichaam’ in de Griekse en Romeinse oudheid, die door Spengler als één cultuur beschouwd worden met de Romeinse als eindfase ofwel civilisatie, en de ‘ruimte’ in onze cultuur, door Spengler de faustische cultuur genoemd). Haarfijn krijg je uitgelegd hoe kunstenaars uit perioden die eeuwen, millennia zelfs uit elkaar liggen ‘tijdgenoten’ kunnen zijn, namelijk omdat ze in dezelfde, vergelijkbare levensfase van hun respectievelijke culturen leefden en werkten.

Behalve dat Spengler met zijn visie recht doet aan het besef, zo oud als de mensheid, van het cyclische karakter van het leven, doet hij met talloze voorbeelden pregnant uitkomen hoe blind mensen kunnen zijn voor de overwegingen en visies van mensen van andere culturen. Hoe leerzaam is dat niet voor onze tijd met zijn multiculturele tendenzen?

Ik ben me zijn grote culturen gaan voorstellen als bubbels, analoog aan de kleine die we kennen van de sociale media en bijvoorbeeld van door lezers zelf samengestelde digitale ‘kranten’, maar gigantische eeuwen, soms millennia oude bubbels, waaruit zich in de loop der tijd lagen afsplitsen, die soms doodlopen en soms leiden tot nieuwe culturen, waarbij elke nieuwe cultuur de door Spengler geschetste ontwikkelingsgang noodzakelijkerwijs zal doorlopen – of we het willen of leuk vinden of niet.

Spengler is een schrijver-filossof van het uitgestorven type, een universeel genie, van alle wetenschappen en kunsten thuis. De ondergang is niet makkelijk, lezing ervan was voor mij als een grote expeditie door een onmetelijk, tot dusver onbekend gebied, met talloze ontdekkingen en fraaie, onvergetelijke vergezichten.

Vooral de eerste honderden pagina’s betrapte ik mezelf regelmatig op de gedachte ‘dit gaat zo ver en zo diep, hoeveel mensen hebben deze expeditie daadwerkelijk volbracht, oftewel alles écht gelezen en geprobeerd te begrijpen? Wie van al die lezers die dat in allerlei publicaties impliciet van zichzelf beweerden, en er soms ideologisch behepte oordelen aan vastknoopten, waren al of niet onbewust oneerlijk? 

Het is alsof Spengler uitgaat van de gedachte ‘óf je wilt je kop in het zand steken, óf je wilt weten hoe het allemaal zit’. En de overtuiging dat velen het laatste willen, plus de wil ons daarbij te helpen,  lijkt Spenglers voornaamste motief geweest te zijn voor het schrijven van De ondergang van het avondland. Bescheiden, onnadrukkelijk, pas helemaal aan het eind van het monumentale werk, komt hij met zijn motto, deze uitspraak van Epictetus: Ducunt fata volentem, nolentem trahunt. ‘Het lot begeleidt hem die toestemt, de onwillige sleurt het mee.’

De ondergang van het avondland bood mij niet alleen veel leesgenot, tot in het poëtische aan toe, het werk opende ook mijn ogen voor het vaak totale, blinde onbegrip tussen mensen van verschillende culturen, en het deed me het simpele feit beseffen dat ook ik als lid van de op zijn eind lopende faustische cultuur, hoezeer ik dat ook neig te denken, niet écht in de bubbels van die andere culturen zijn kan kijken. De ondergang van het avondland heeft mijn leven verrijkt en veranderd.

De ondergang van het avondland.
Vertaling Mark Wildschut
Uitgeverij Boom, 2017

De fragmenten

Commentaar van ondergetekende tussen haakjes na de pagina-aanduiding.

Deel I

p. 125

De wereldangst is ongetwijfeld het creatiefste van alle oergevoelens. Hieraan dankt de mens de rijpste en diepste van alle vormen en gestalten, niet alleen van zijn bewuste

innerlijke leven, maar ook van de weerspiegeling daarvan in talloze vormen van uiterlijke cultuur. Als een geheime, niet voor iedereen waarneembare melodie doortrekt de angst de vormentaal van elk waar kunstwerk, van elke innerlijke filosofie, van elke belangrijke daad, en dezelfde angst ligt, nog maar voor heel weinig mensen voelbaar, ook ten grondslag aan de grote problemen van elke wiskunde.

p. 272 t/m 275, (Deze hele paragraaf is bijzonder sterk. De laatste alinea op p. 275):

Dan dooft de stijl uit. Op de extreem vergeestelijkte, fragiele, bijna zelfdestructieve vormentaal van het Erechtheum en de Zwinger in Dresden volgt zowel in de


hellenistische grote steden als in het Byzantium van rond 900 en in het empire van het Noorden een mat en ouwelijk classicisme. Het einde is een soort schemertoestand, waarin men op een holle, overgeërfde, archaïsche of eclectische wijze nu eens deze, dan weer die vormen nieuw leven probeert in te blazen. Halfslachtige ernst en twijfelachtige echtheid domineren het kunstenaarschap. In die toestand bevinden we ons vandaag de dag. Het is een langgerekt spel met dode vormen, waarmee men de illusie van een levende kunst in stand probeert te houden.

p. 303-304

Hier, in de kamermuziek, bereikt de westerse kunst over de hele linie haar hoogtepunt. Het oersymbool van de oneindige ruimte is hier net zo volmaakt tot uitdrukking

gekomen als het oersymbool van de verzadigde lichamelijkheid tot uitdrukking is gekomen in de Doryphorus, de Speerdrager van Polycletes. Als bij Tartini, Nardini, Haydn, Mozart en Beethoven een van die onuitsprekelijk smachtende vioolmelodieën door de ruimte dwaalt, die de klanken van het begeleidende orkest eromheen weven, bevindt men zich tegenover de enige kunst die met de werken van de Akropolis kan wedijveren.

p. 305

Zij is de laatste volmaakte uitdrukking van de grote stijl van de westerse ziel, als een zonnige herfstdag. In het Wenen van de Congrestijd stierf zij uit.

p. 313

Men heeft de weergave van de horizon in de landschapsschilderskunt als zo vanzelfsprekend ervaren dat men nooit de beslissende vraag heeft gesteld waar hij

allemaal ontbreekt en wat dit ontbreken betekent. Men zal echter noch in een Egyptisch reliëf, noch in een Byzantijns mozaïek, noch op antieke vaasschilderingen en fresco’s, zelfs niet op die van het hellenisme met zijn ruimtelijke behandeling van de voorgrond, een zweem van een horizon aantreffen.

p. 331

De verheffing van het patina tot een artistiek middel met een zelfstandige betekenis impliceert echter nog veel meer. Men zou zich toch eens moeten afvragen of een Griek

de vorming van het patina niet als een teloorgang van het kunstwerk zou hebben ervaren. Het is niet alleen de kleur, het ruimtelijke, naar een ver verschiet verwijzende groen dat hij om psychische redenen vermeed; het patina is een symbool van vergankelijkheid en krijgt daardoor een merkwaardige relatie met de symbolen van de klok en de begrafenisrite.

p. 339

En dit ‘ik’ en ‘jij’ vormt de sleutel tot het geheim van het gotische portret. Een hellenistisch portret is een type houding, geen ‘jij’, geen biecht aan degene die het

maakt of begrijpt. Onze portretten beelden iets unieks af, wat ooit bestond en nooit terugkomt, een levensgeschiedenis uitgedrukt in een moment, een wereldcentrum waarvoor al het andere zijn wereld is, zoals het ‘ik’ het krachtcentrum wordt van de faustische volzin.

p. 371

Plein-air – dat is de bewuste, intellectuele en brute afkeer van wat men opeens ‘de bruine saus’ ging noemen, die zoals we zagen in de schilderijen van de grote meesters

de eigenlijke metafysische kleur was. Hierop was de schildercultuur van de scholen, vooral van de Nederlandse, gebaseerd, een cultuur die in het rococo reddeloos teloorging. Dit bruin, het symbool van ruimtelijke oneindigheid, dat voor de faustische mens van het schilderij iets van de ziel maakte, ervoer men plotseling als onnatuurlijk. Wat was er gebeurd?

p. 397

De Chinese ziel ‘wandelt rond in de wereld’: dit is de  betekenis van het Oost-Aziatische schildersperspectief, waarvan het convergentiepunt in het midden van het beeld, niet

in de verte ligt. Door het perspectief worden de dingen onderworpen aan het ik, dat ze ordenend opvat, en de antieke ontkenning van de perspectivische achtergrond betekent dus ook een gebrek aan ‘wil’, aan machtsaanspraak over de wereld.

p. 446

En wij? Binnen het ethisch socialisme in de zojuist vastgestelde zin, als grondstemming van de faustische ziel, die tussen de steenmassa’s van de grote steden is beland,

is deze herwaardering nu in volle gang. Rousseau is de stamvader van dit socialisme. Rousseau staat naast Socrates en Boeddha, de andere ethische woordvoerders van de grote civilisaties. Zijn afwijzing van alle grote cultuurvormen, van alle betekenisvolle conventies, zijn beroemde ‘terug naar de natuur’ en zijn praktisch rationalisme laten daar geen twijfel over bestaan. Ieder van hen heeft een duizendjarige innerlijkheid ten grave gedragen. Zij prediken het evangelie van de menselijkheid, maar het is de menselijkheid van de intelligente stadsmens, die de late stad en daarmee de cultuur beu is, wiens ‘zuivere’, namelijk zielloze rede streeft naar verlossing van de cultuur en haar gebiedende vorm, verlossing van haar harde, niet meer innerlijk doorleefde en daarom gehate symboliek.

p. 447

Cultuur en civilisatie – dat is het levende lichaam van een zielenleven en zijn mummie. Zo verschilt het West-Europese bestaan vóór 1800 van dat erna…

p. 447-448

Alleen een zieke voelt bewust zijn ledematen. Dat men een ametafysische religie construeert en zich tegen culten en dogma’s verzet, dat er tegen historische rechten

een natuurrecht wordt ingebracht, dat men in de kunst stijlen ‘ontwerpt’, omdat de stijl niet meer wordt verdragen en niet meer wordt beheerst, dat men de staat als ‘maatschappelijke orde’ opvat die men zou kunnen veranderen, zelfs zou moeten veranderen (naast Rousseaus Contrat social staan getuigeniseen uit de tijd van Aristoteles die precies dezelfde betekenis hebben): dit bewijst allemaal dat er iets definitief teloor is gegaan.

p. 449 (Een van mijn favoriete fragmenten binnen de toch al favoriete.)

Zolang de mens van een cultuur die haar voltooiing nadert eenvoudigweg zijn leven leidt, natuurlijk en vanzelfsprekend, kan hij zogezegd blindvaren op zijn gevoel.

Dat is zijn instinctieve moraal, die mogelijk in de vorm van duizend-en-één omstreden formules wordt gegoten, maar die men zelf niet bestrijdt, omdat men haar heeft. Zodra het leven vermoeid raakt, zodra men – op de kunstmatige bodem van grote steden, die thans geestelijke werelden op zich vormen – een theorie nodig heeft om het doelmatig te ensceneren, zodra het leven object van beschouwing is geworden, wordt de moraal een probleem.

[…] Je proeft iets kunstmatigs, iets zielloos en half-waars in al die bedachte systemen, waar de eerste eeuwen van alle civilisaties vol van zijn.

p. 451

Elke cultuur kent dus haar eigen manier  waarop het zielenleven uitdooft, en alleen die ene die met diepste noodzakelijkheid uit heel haar leven volgt.

Daarom zijn
. boeddhisme, stoïcisme en socialisme morfologisch gelijkwaardige afloopverschijnselen.

p. 454

De essentie van elke cultuur is religie, bijgevolg is de essentie van elke civilisatie irreligiositeit. Ook dat zijn twee woorden voor één en hetzelfde verschijnsel.

Wie dat niet aanvoelt in het werk vna Manet vergeleken met Velázquez, van Wagner vergeleken met Haydn, van Lysippus vergeleken met Phidias, van Theocritus vergeleken met Pindarus, heeft geen oog voor het beste wat kunst te bieden heeft. Zelfs de bouwkunst van het rococo is in haar meest wereldse werken nog religieus. De Romeinse bouwwerken daarentegen, zelfs de tempels van de goden, zijn irreligieus. Met het Pantheon, die oermoskee met het nadrukkelijk magische godsgevoel van zijn interieur, is het enige stuk echt religieuze bouwkunst in het oude Rome terechtgekomen.

p. 455

Dit uitdoven van de levende innerlijke religiositeit, dat geleidelijk ook de onbelangrijkste trek van het bestaan vormt en beheerst, is wat in het historisch wereldbeeld als omslag van cultuur in civilisatie verschijnt, als climacterium van de cultuur, zoals ik het vroeger noemde…

p. 456

Het is de bezoeker van de agora in Alexandrië en Rome en zijn ‘tijdgenoot’, de moderne krantenlezer; het is de ‘intellectueel’, die aanhanger van een cultus van geestelijke

middelmatigheid met de openbaarheid als cultusoord, indertijd evengoed als tegenwoordig; het is de antieke en westerse mens die je in het theater en in amusementsoorden, in de sport en in de literatuur van alledag tegenkomt.

p. 459

Het ethische socialisme is – ondanks de oppervlakkige illusies die men zich erover maakt – geen systeem van compassie, van humaniteit, van vrede en zorg voor elkaar, maar van de wil tot macht. Al het andere is zelfbedrog.

p. 480

Zelfs het eenvoudigste feit bevat al een theorie. Een feit is een eenmalige indruk op een wakend wezen, en alles hangt ervan af of het een mens van de klassieke oudheid

is of van het Westen, van de gotiek of van de barok, aan wie dit feit verschijnt of verscheen. Sta er eens bij stil wat voor indruk een bliksem moet maken op een mus en wat voor indruk die maakt op een natuuronderzoeker die juist bezig is met observeren, en bedenk wat dit ‘feit’ voor de natuuronderzoeker allemaal aan extra’s bevat in vergelijking met dit ‘feit’ voor de mus.

p. 481

Een scherpzinnige geest uit de tijd van Archimedes zou echter na grondige bestudering van de moderne theoretische natuurkunde hebben verzekerd

dat het voor hem onbegrijpelijk is hoe iemand zulke willekeurige, groteske en warrige voorstellingen kon aanmerken als wetenschap en, sterker nog, als noodzakelijke gevolgtrekkingen uit beschikbare feiten.

p. 482[/expand]

Ook het atheïstische natuuronderzoek heeft religie; de moderne mechanica is van a tot z een echo van een gelovige kijk op de wereld.

p. 502

In de bosachtige atmosfeer van de kathedralen, het imposante uitrijzen van de hoofdbeuk boven de zijbeuken in vergelijking met het platte dak van de basilica, […]

En wel in het loofbos met zijn mysterieuze wirwar van takken en het gefluister van de eeuwig bewogen bladermassa boven het hoofd van de toeschouwer, hoog boven de aarde, waarvan de kruin middels probeert los te komen. Denk wederom aan de romaanse ornamentiek en haar diepe affiniteit met de betekenis van de bossen. Het oneindige, eenzame, schemerige bos is het geheime verlangen van alle westerse bouwvormen gebleven.
[…] Het ruisen van het bos, waar geen dichter in de klassieke oudheid ooit de betovering van heeft ervaren, dat alle mogelijkheden van het apollinische natuurgevoel
te buiten gaat, houdt met zijn mysterieuze vraag ‘vanwaar’ en ‘waartoe’, zijn verzinken van het ogenblik in het eeuwige ten diepste verband met het lot, met het gevoel voor geschiedenis en tijdsduur, met de faustische zwaarmoedig-zorgelijke gerichtheid van de ziel op een oneindig verre toekomst. Daarom werd het orgel, waarvan het diepe en hoge dreunen onze kerken vult en waarvan de klank in tegenstelling tot de heldere, gezwollen klank van de antieke lyra en fluit iets grenzeloos en onmetelijks heeft, het orgaan van de westerse godsvrucht.

p. 505-506

Het is een wetenschappelijk vooroordeel dat mythen en godsvoorstellingen scheppingen zouden zijn van de primitieve mens en dat de ziel van de mythevormende

kracht ‘met de vooruitgang van de cultuur’ verloren zou gaan. Het tegendeel is het geval. […] Elke groots opgezette mythe staat aan het begin van een ontwakend zielenleven.

p. 519-520 (Ook een van mijn extra favoriete fragmenten):

Het zielenleven van elke cultuur is religieus […] Het staat dit zielenleven niet vrij ireligieus te zijn. Het kan hoogstens met die gedachte spelen, zoals men dat deed

in het Florence van de Medici. De mens van de wereldsteden daarentegen is irreligieus. Dat maakt deel uit van zijn aard, het is typerend voor zijn historische verschijning. Hoe graag hij vanuit het pijnlijke gevoel van innerlijke leegte en armoede ook religieus wil zijn, hij kan het niet. Alle grootstedelijke religiositeit berust op zelfbedrog.

p. 529

…de grote schilderkunst die rond 1680 uitdoofde… […] …in de negentiende eeuw, als de kunst op haar einde loopt en de geciviliseerde intelligentie het zielenleven overmeestert…

Deel II

(Zo veel prachtigs ook in deel II, maar vrijwel alles zo diep ingebed in en vervlochten met het betoog dat citeren de tekst geen recht doet. Hier is steeds meedenken geboden met deze geniale auteur.)

p. 101, (Het begin van het hoofdstuk ‘De ziel van de stad’):

Aan de Egeïsche Zee liggen rond het midden van het tweede millennium voor Christus twee werelden tegenover elkaar, een die van duistere voorgevoelens vervuld,

vol hoop en dronken van leed en daadkracht stilaan rijp wordt voor de toekomst: de Myceense – en de andere die zich sereen en verzadigd neervlijt onder de schatten van een oude cultuur, verfijnd en licht, met alle grote problemen ver achter zich: de Minoïsche op Kreta.

[…] Hoe we dat kunnen weten? Er waren meer van zulke momenten waarop mensen van twee culturen elkaar in de ogen zagen. We kennen meer dan één ‘tussen de culturen’.

p. 153

Het is de kardinale fout van de taalwetenschap dat ze taal in het algemeen met menselijke woordentaal verwart, niet theoretisch maar met grote regelmaat

in de praktijk van al het onderzoek. Dat heeft geleid tot een immense onwetendheid met betrekking tot de onoverzienbare hoeveelheid taalsoorten die algemeen onder dieren en mensen gangbaar zijn. […] Een onderzoek naar de taal mag zeker niet met de mens beginnen.

p. 159

Wie in zijn woordentaal liegt, verraadt zich in zijn gebarentaal, waar hij niet op let. Wie in zijn gebaren huichelt, verraadt zich in de klank van zijn stem. Juist omdat de starre taal middel en oogmerk van elkaar scheidt, bereikt ze voor de kennersblik nooit haar doel.

p. 167, (Dit klopt toch helemaal met de fase waarin wij in het Westen zitten, ook al kan die nog eeuwen duren, zich vertakken en eeuwen later pas

overgegaan blijkten te zijn een of meer nieuwe culturen):

Je moet je helemaal verdiepen in de starre onderscheidingen tussen subject en object, bedrijvende en lijdende vorm, tegenwoordige tijd en voltooid tegenwoordige tijd om te zien hoezeer het verstand hier de zintuigen de baas wordt en het werkelijk bestaande ontzielt.

p. 167

Dit middel tot contact tussen ik en jij heeft – juist door zijn perfectionering – van het dierlijk begrijpen van het gewaarworden een denken in woorden gemaakt,

dat het gewaarworden is gaan bevoogden. Piekeren betekent via woordbetekenissen met zichzelf communiceren. […] Begrippen doden het leven en vervalsen het wakker-zijn.

p. 198 (Ik moet hierbij denken aan onze visie op landen als Rusland en China):

Naties begrijpen elkaar net zomin als individuele mensen. Elke natie begrijpt slechts

een zelfgeschapen beeld van de andere, en slechts een klein aantal individuele kenners dringt dieper door. [/expand

p. 347  (Zo’n scherpe kijk op in feite het ontstaan van ons ik-tijdperk!):
Dit kleine, van het kosmische losgeraakte, in een individueel bestaan terechtgekomen ‘ik’, ‘alleen’ in de verschrikkelijkste betekenis van het woord, had de nabijheid nodig van een machtig ‘Gij’, en dat des te meer naarmate de geest zwakker was. Dat is de ultieme betekenis van de westerse priester, die vanaf 1215 door het sacrament van de priesterwijding en het character indelebilis boven de rest van de mensheid verheven was: een hand waarmee ook de armste God kon grijpen. Deze zichtbare verbinding met het oneindige heeft het protestantisme doorgesneden. Sterke geesten veroverden het voor zichzelf terug, voor de zwakken ging het geleidelijk verloren.

p. 349

In Duitsland althans trad de sage weer voor de Mariamythe in de plaats. Maria heette nu Vrouw Holle, en waar ooit het heilige had gestaan, verscheen nu de getrouwe Eckart.

p. 352

Zoals in de oudheid het trotseren van de goden door Prometheus als hybris werd opgevat, is de machine door de barok als duivels ervaren. De hellegeest

had de mens het geheim verraden hoe hij zich meester kon maken van het mechanisme van de wereld en zelfs voor god kon spelen.

p. 356 (Konden we dit in onze faustische bubbel maar allemaal inzien.):

Rationalisme betekent geloven, maar alleen in de resultaten van het kritisch begrip, dus in het ‘verstand’.

p. 360 (Ook weer zo’raak, dit fragment.):

Tweehonderd jaar na het puritanisme staat de mechanistische wereldvisie op haar hoogtepunt. Zij vormt de werkelijke religie van deze tijd. […] Cultuur is altijd synoniem

met religieus vormend vermogen. Elke grote cultuur begint met een reusachtig thema, dat oprijst uit het stedeloze platteland, in de steden met hun kunsten en denkwijzen veelstemmig wordt doorgevoerd en in de wereldsteden wegsterft in de finale van het materialisme.

p. 378 (Over wat er met je kan gebeuren tussen twee culturen, bijvoorbeeld met onze tweede-generatie immigranten!):

Vaker vormt de werkelijke innerlijke afvalligheid van de consensus, voor zover die een geloofssamenhang vormt, een schouwspel als dat van Indiase studenten die een

Engelse universitaire opleiding met Locke en Mill hebben genoten en nu met hetzelfde cynische dedain op zowel Indiase als westerse geloofsovertuigingen neerkijken en uiteindelijk zelf aan hun innerlijke ontreddering te gronde moeten gaan.

p. 401

Wie midden in een bos voelt hoe het stille gevecht om een stukje grond om hem heen gevoerd wordt, dag en nacht, zonder genade, wordt bevangen door afgrijzen voor de diepte van deze drijfveer, die bijna één is met het leven zelf.

p. 419 (Dit is ons drama, en we willen het niet zien, denk ik persoonlijk, we willen het zelfs ontkennen, waardoor ‘het lot’ ons zal meesleuren.):

Dit is het begrip dat de civilisatie aantreft en dat zij vernietigt door het begrip van de vierde stand, de massa, die de cultuur met haar gegroeide vormen principieel afwijst.

Dit is het absoluut vormloze, dat elk soort vorm, alle rangverschillen, het geordende bezit, de geordende kennis haatdragend vervolgt. Het is het nieuwe nomadendom van de wereldsteden, waarvoor de slaven en barbaren in de oudheid, de shudra’s in India, alles wat mens is één ongedifferentieerd stromend ‘iets’ vormen, dat zodra het ontstaat al uiteen is gevlalen, zijn verleden niet erkent en geen toekomst heeft. Daarmee wordt de vierde stand de uitdrukking van de geschiedenis die overgaat in wat geen geschiedenis meer heeft. De massa is het einde, het radicale niets.

p. 421 (Helemaal raak.):

Mogelijk is de staat in eenvoudigste zin even oud als het vrij in de ruimte beweeglijke leven zelfs, zodat zelfs zwermen en kuddes van heel eenvoudige diersoorten

een of andere ‘constitutie’ kennen, die bij mieren, bijen, sommige vissen, trekvogels en bevers een verbazingwekkende perfectie bereikt.

p. 471 (We krijgen hier een spiegel voorgehouden.):

In tegenspraak met dit grote feit [‘dat de grote bestaansstroom als eenheid in vorm is, één soort tact en instinct bezit’] verbreidt zich nu het rationalisme, die

wakker-zijnsgemeenschap van intellectuelen wier religie bestaat uit kritiek en wier numina geen godheden zijn, maar begrippen.

p. 502

Men dient dus goed te beseffen dat democratie ook in de Arabische wereld een standenideaal is, en wel van stadsmensen die daarin tot uitdrukking brengen dat ze vrij willen zij van oude bindingen aan het land, of het nu woestijn is of landbouwgrond.

p. 509

Maar de weg van Alexander naar Caesar is ondubbelzinnig en onvermijdelijk, en de sterkste natie van elke cultuur heeft die weg moeten afleggen,

of ze het nu wilde en wist of niet. / Voor de hardheid van deze feiten is geen uitvlucht mogelijk. De vredesconferentie in Den Haag van 1907 was het voorspel van de Wereldoorlog, die in Washington van 1921 zal het voorspel zijn van een nieuwe oorlog.

p. 510-11

Aan het begin, daar waar de civilisatie tot volle bloei komt – vandaag de dag – staat het wonder van de wereldstad, het grote stenen zinnebeeld van het vormloze, monsterlijk,

schitterend, zich in overmoed naar alle kanten uitbreidend. Zij zuigt de bestaansstromen van het machteloze land in zich op, mensenmassa’s die als duinen van het ene naar de andere verwaaien of als los zand tussen de stenen door glippen.

p. 515

Met de gevormde staat heeft ook de geschiedenis van de hoge cultuur zich te slapen gelegd., De mens wordt weer plan, gehecht aan zijn stukje grond, dof en duurzaam.

Het tijdloze dorp komt weer tevoorschijn, evenals de ‘eeuwige’ boer, kinderen verwekkend en graankorrels zaaiend in Moeder Aarde, een vlijtig, genoegzaam gekrioel, waar de storm van de soldatenkeizers overheen raast.

p. 516

En terwijl men in de hogere regio’s zegeviert en verlies lijdt, in een voortdurende afwisseling, bidt men in de diepte, bidt met die imposante vroomheid van de tweede

religiositeit, die alle twijfel voor altijd heeft overwonnen. Daar, en daar alleen, in de zielen, is de wereldvrede werkelijkheid geworden, de vrede van God, de hemelse vreugde van grijze monniken en kluizenaars.

p. 535  (Helemaal raak wat mij betreft, en ik persoonlijk mis de twijfel bij de beoefenaren van de heilig verklaarde wetenschappen van nu.):

Wij bevinden ons in een tijd van grenzeloos vertrouwen in de almacht van de rede. De grote algemene begrippen ‘vrijheid’, ‘recht’, ‘mensheid’ en ‘vooruitgang’ zijn heilig.

De grote theorieën zijn evangeliën. Hun overtuigingskracht berust niet op argumenten, want de massa van een partij heeft noch de kritische kracht, noch de distantie om ze serieus te toetsen, maar op de sacramentele wijding van de leuzen waarmee ze worden verkondigd. Overigens blijft deze betovering beperkt tot de bevolking van de grote steden en tot het tijdperk van het rationalisme, deze ‘religie van de ontwikkelde lieden’.

p. 536 (Hier, zoals op veel andere plaatsen, distancieert Spengler zich duidelijk van alles wat naar fascistisch riekt.):

Maar daarmee zijn geschriften als het Contrat Social en het Commmunistisch Manifest  eersterangs machtsmiddelen in handen van geweldenaars die binnen het partijleven

zijn opgeklommen en die in staat zijn de overtuiging van de overheerste massa te vormen en te benutten.

p. 536

…juist Plato heeft met zijn poging om Syracuse volgens een ideologisch recept om te vormen deze stad te gronde gericht.

p. 538

Aangezien geen van al die vormen gegroeid is, zoals het leenstelsel, maar uitgedacht, en dat bovendien niet op grond van een diepe kennis van mensen en dingen

maar op grond van abstracte voorstellingen van recht en rechtvaardigheid, gaapt er een kloof tussen de geest van de wetten en de praktische gewoonten die onder druk daarvan in stilte ontstaan, met als doel ze aan te passen aan of verre te houden van de tact van het daadwerkelijke leven.