Spengler, de grote broer van Huizinga

Ondergang van het avondland,
kanttekeningen en fragmenten

Onder de indruk van Oswald Spenglers De ondergang van het avondland, oorspronkelijk verschenen in 1923, en na intensieve lezing ervan, publiceer ik hier deze korte uiteenzetting gevolgd door een reeks fragmenten die mij bijzonder troffen. Dit doe ik uit dankbaarheid jegens vertaler Mark Wildschut, die geweldig werk heeft afgeleverd, en uitgever Boom, die dit project heeft aangedurfd, én om anderen, die om wat voor reden ook voor lezing terugschrokken, in de gelegenheid te stellen in korte tijd een impressie van de stijl en de diepgang van dit werk te krijgen, door mijn keuzes gekleurd, maar toch. Wie weet gaan sommigen het toch lezen en zijn ze er achteraf net zo blij mee als ik.

Als je, zoals ik heb gedaan, met de open houding van de goede, geïnteresseerde lezer dit tweedelige megawerk tot je neemt, word je als bij een rondleiding meegenomen langs de door Spengler gerangschikte, met elkaar vergeleken en door hem toegelichte grote culturen uit het historische verleden. Kort gezegd is De ondergang van het avondland een grootse, met talloze voorbeelden geïllustreerde demonstratie van de visie dat culturen als organismen zijn, dat ze geboren worden, hun jeugd doorlopen, tot volwassenheid en bloei komen, en dan in verval raken en sterven – waarna de deelnemende individuen niet-meer-historisch doorleven, min of meer als de dieren.

Oswald Spengler, De ondergang van het avondland, Boom 2017
De ondergang van het avondland

Je verneemt, om er enkele aspecten van de vele uit te lichten, dat elke cultuur volgens Spengler een ander oersymbool heeft (de ‘Weg’ in de Chinese cultuur, de ‘grot’ in de oude Egyptische cultuur, het ‘lichaam’ in de Griekse en Romeinse oudheid, die door Spengler als één cultuur beschouwd worden met de Romeinse als eindfase ofwel civilisatie, en de ‘ruimte’ in onze cultuur, door Spengler de faustische cultuur genoemd). Haarfijn krijg je uitgelegd hoe kunstenaars uit perioden die eeuwen, millennia zelfs uit elkaar liggen ‘tijdgenoten’ kunnen zijn, namelijk omdat ze in dezelfde, vergelijkbare levensfase van hun respectievelijke culturen leefden en werkten.

Behalve dat Spengler met zijn visie recht doet aan het besef, zo oud als de mensheid, van het cyclische karakter van het leven, doet hij met talloze voorbeelden pregnant uitkomen hoe blind mensen kunnen zijn voor de overwegingen en visies van mensen van andere culturen. Hoe leerzaam is dat niet voor onze tijd met zijn multiculturele tendenzen?

Ik ben me zijn grote culturen gaan voorstellen als bubbels, analoog aan de kleine die we kennen van de sociale media en bijvoorbeeld van door lezers zelf samengestelde digitale ‘kranten’, maar gigantische eeuwen, soms millennia oude bubbels, waaruit zich in de loop der tijd lagen afsplitsen, die soms doodlopen en soms leiden tot nieuwe culturen, waarbij elke nieuwe cultuur de door Spengler geschetste ontwikkelingsgang noodzakelijkerwijs zal doorlopen – of we het willen of leuk vinden of niet.

Spengler is een schrijver-filossof van het uitgestorven type, een universeel genie, van alle wetenschappen en kunsten thuis. De ondergang is niet makkelijk, lezing ervan was voor mij als een grote expeditie door een onmetelijk, tot dusver onbekend gebied, met talloze ontdekkingen en fraaie, onvergetelijke vergezichten.

Vooral de eerste honderden pagina’s betrapte ik mezelf regelmatig op de gedachte ‘dit gaat zo ver en zo diep, hoeveel mensen hebben deze expeditie daadwerkelijk volbracht, oftewel alles écht gelezen en geprobeerd te begrijpen? Wie van al die lezers die dat in allerlei publicaties impliciet van zichzelf beweerden, en er soms ideologisch behepte oordelen aan vastknoopten, waren al of niet onbewust oneerlijk? 

Het is alsof Spengler uitgaat van de gedachte ‘óf je wilt je kop in het zand steken, óf je wilt weten hoe het allemaal zit’. En de overtuiging dat velen het laatste willen, plus de wil ons daarbij te helpen,  lijkt Spenglers voornaamste motief geweest te zijn voor het schrijven van De ondergang van het avondland. Bescheiden, onnadrukkelijk, pas helemaal aan het eind van het monumentale werk, komt hij met zijn motto, deze uitspraak van Epictetus: Ducunt fata volentem, nolentem trahunt. ‘Het lot begeleidt hem die toestemt, de onwillige sleurt het mee.’

De ondergang van het avondland bood mij niet alleen veel leesgenot, tot in het poëtische aan toe, het werk opende ook mijn ogen voor het vaak totale, blinde onbegrip tussen mensen van verschillende culturen, en het deed me het simpele feit beseffen dat ook ik als lid van de op zijn eind lopende faustische cultuur, hoezeer ik dat ook neig te denken, niet écht in de bubbels van die andere culturen zijn kan kijken. De ondergang van het avondland heeft mijn leven verrijkt en veranderd.

De ondergang van het avondland.
Vertaling Mark Wildschut
Uitgeverij Boom, 2017

De fragmenten

Commentaar van ondergetekende tussen haakjes na de pagina-aanduiding.

Deel I

p. 125

De wereldangst is ongetwijfeld het creatiefste van alle oergevoelens. Hieraan dankt de mens de rijpste en diepste van alle vormen en gestalten, niet alleen van zijn bewuste

innerlijke leven, maar ook van de weerspiegeling daarvan in talloze vormen van uiterlijke cultuur. Als een geheime, niet voor iedereen waarneembare melodie doortrekt de angst de vormentaal van elk waar kunstwerk, van elke innerlijke filosofie, van elke belangrijke daad, en dezelfde angst ligt, nog maar voor heel weinig mensen voelbaar, ook ten grondslag aan de grote problemen van elke wiskunde.

p. 272 t/m 275, (Deze hele paragraaf is bijzonder sterk. De laatste alinea op p. 275):

Dan dooft de stijl uit. Op de extreem vergeestelijkte, fragiele, bijna zelfdestructieve vormentaal van het Erechtheum en de Zwinger in Dresden volgt zowel in de


hellenistische grote steden als in het Byzantium van rond 900 en in het empire van het Noorden een mat en ouwelijk classicisme. Het einde is een soort schemertoestand, waarin men op een holle, overgeërfde, archaïsche of eclectische wijze nu eens deze, dan weer die vormen nieuw leven probeert in te blazen. Halfslachtige ernst en twijfelachtige echtheid domineren het kunstenaarschap. In die toestand bevinden we ons vandaag de dag. Het is een langgerekt spel met dode vormen, waarmee men de illusie van een levende kunst in stand probeert te houden.

p. 303-304

Hier, in de kamermuziek, bereikt de westerse kunst over de hele linie haar hoogtepunt. Het oersymbool van de oneindige ruimte is hier net zo volmaakt tot uitdrukking

gekomen als het oersymbool van de verzadigde lichamelijkheid tot uitdrukking is gekomen in de Doryphorus, de Speerdrager van Polycletes. Als bij Tartini, Nardini, Haydn, Mozart en Beethoven een van die onuitsprekelijk smachtende vioolmelodieën door de ruimte dwaalt, die de klanken van het begeleidende orkest eromheen weven, bevindt men zich tegenover de enige kunst die met de werken van de Akropolis kan wedijveren.

p. 305

Zij is de laatste volmaakte uitdrukking van de grote stijl van de westerse ziel, als een zonnige herfstdag. In het Wenen van de Congrestijd stierf zij uit.

p. 313

Men heeft de weergave van de horizon in de landschapsschilderskunt als zo vanzelfsprekend ervaren dat men nooit de beslissende vraag heeft gesteld waar hij

allemaal ontbreekt en wat dit ontbreken betekent. Men zal echter noch in een Egyptisch reliëf, noch in een Byzantijns mozaïek, noch op antieke vaasschilderingen en fresco’s, zelfs niet op die van het hellenisme met zijn ruimtelijke behandeling van de voorgrond, een zweem van een horizon aantreffen.

p. 331

De verheffing van het patina tot een artistiek middel met een zelfstandige betekenis impliceert echter nog veel meer. Men zou zich toch eens moeten afvragen of een Griek

de vorming van het patina niet als een teloorgang van het kunstwerk zou hebben ervaren. Het is niet alleen de kleur, het ruimtelijke, naar een ver verschiet verwijzende groen dat hij om psychische redenen vermeed; het patina is een symbool van vergankelijkheid en krijgt daardoor een merkwaardige relatie met de symbolen van de klok en de begrafenisrite.

p. 339

En dit ‘ik’ en ‘jij’ vormt de sleutel tot het geheim van het gotische portret. Een hellenistisch portret is een type houding, geen ‘jij’, geen biecht aan degene die het

maakt of begrijpt. Onze portretten beelden iets unieks af, wat ooit bestond en nooit terugkomt, een levensgeschiedenis uitgedrukt in een moment, een wereldcentrum waarvoor al het andere zijn wereld is, zoals het ‘ik’ het krachtcentrum wordt van de faustische volzin.

p. 371

Plein-air – dat is de bewuste, intellectuele en brute afkeer van wat men opeens ‘de bruine saus’ ging noemen, die zoals we zagen in de schilderijen van de grote meesters

de eigenlijke metafysische kleur was. Hierop was de schildercultuur van de scholen, vooral van de Nederlandse, gebaseerd, een cultuur die in het rococo reddeloos teloorging. Dit bruin, het symbool van ruimtelijke oneindigheid, dat voor de faustische mens van het schilderij iets van de ziel maakte, ervoer men plotseling als onnatuurlijk. Wat was er gebeurd?

p. 397

De Chinese ziel ‘wandelt rond in de wereld’: dit is de  betekenis van het Oost-Aziatische schildersperspectief, waarvan het convergentiepunt in het midden van het beeld, niet

in de verte ligt. Door het perspectief worden de dingen onderworpen aan het ik, dat ze ordenend opvat, en de antieke ontkenning van de perspectivische achtergrond betekent dus ook een gebrek aan ‘wil’, aan machtsaanspraak over de wereld.

p. 446

En wij? Binnen het ethisch socialisme in de zojuist vastgestelde zin, als grondstemming van de faustische ziel, die tussen de steenmassa’s van de grote steden is beland,

is deze herwaardering nu in volle gang. Rousseau is de stamvader van dit socialisme. Rousseau staat naast Socrates en Boeddha, de andere ethische woordvoerders van de grote civilisaties. Zijn afwijzing van alle grote cultuurvormen, van alle betekenisvolle conventies, zijn beroemde ‘terug naar de natuur’ en zijn praktisch rationalisme laten daar geen twijfel over bestaan. Ieder van hen heeft een duizendjarige innerlijkheid ten grave gedragen. Zij prediken het evangelie van de menselijkheid, maar het is de menselijkheid van de intelligente stadsmens, die de late stad en daarmee de cultuur beu is, wiens ‘zuivere’, namelijk zielloze rede streeft naar verlossing van de cultuur en haar gebiedende vorm, verlossing van haar harde, niet meer innerlijk doorleefde en daarom gehate symboliek.

p. 447

Cultuur en civilisatie – dat is het levende lichaam van een zielenleven en zijn mummie. Zo verschilt het West-Europese bestaan vóór 1800 van dat erna…

p. 447-448

Alleen een zieke voelt bewust zijn ledematen. Dat men een ametafysische religie construeert en zich tegen culten en dogma’s verzet, dat er tegen historische rechten

een natuurrecht wordt ingebracht, dat men in de kunst stijlen ‘ontwerpt’, omdat de stijl niet meer wordt verdragen en niet meer wordt beheerst, dat men de staat als ‘maatschappelijke orde’ opvat die men zou kunnen veranderen, zelfs zou moeten veranderen (naast Rousseaus Contrat social staan getuigeniseen uit de tijd van Aristoteles die precies dezelfde betekenis hebben): dit bewijst allemaal dat er iets definitief teloor is gegaan.

p. 449 (Een van mijn favoriete fragmenten binnen de toch al favoriete.)

Zolang de mens van een cultuur die haar voltooiing nadert eenvoudigweg zijn leven leidt, natuurlijk en vanzelfsprekend, kan hij zogezegd blindvaren op zijn gevoel.

Dat is zijn instinctieve moraal, die mogelijk in de vorm van duizend-en-één omstreden formules wordt gegoten, maar die men zelf niet bestrijdt, omdat men haar heeft. Zodra het leven vermoeid raakt, zodra men – op de kunstmatige bodem van grote steden, die thans geestelijke werelden op zich vormen – een theorie nodig heeft om het doelmatig te ensceneren, zodra het leven object van beschouwing is geworden, wordt de moraal een probleem.

[…] Je proeft iets kunstmatigs, iets zielloos en half-waars in al die bedachte systemen, waar de eerste eeuwen van alle civilisaties vol van zijn.

p. 451

Elke cultuur kent dus haar eigen manier  waarop het zielenleven uitdooft, en alleen die ene die met diepste noodzakelijkheid uit heel haar leven volgt.

Daarom zijn
. boeddhisme, stoïcisme en socialisme morfologisch gelijkwaardige afloopverschijnselen.

p. 454

De essentie van elke cultuur is religie, bijgevolg is de essentie van elke civilisatie irreligiositeit. Ook dat zijn twee woorden voor één en hetzelfde verschijnsel.

Wie dat niet aanvoelt in het werk vna Manet vergeleken met Velázquez, van Wagner vergeleken met Haydn, van Lysippus vergeleken met Phidias, van Theocritus vergeleken met Pindarus, heeft geen oog voor het beste wat kunst te bieden heeft. Zelfs de bouwkunst van het rococo is in haar meest wereldse werken nog religieus. De Romeinse bouwwerken daarentegen, zelfs de tempels van de goden, zijn irreligieus. Met het Pantheon, die oermoskee met het nadrukkelijk magische godsgevoel van zijn interieur, is het enige stuk echt religieuze bouwkunst in het oude Rome terechtgekomen.

p. 455

Dit uitdoven van de levende innerlijke religiositeit, dat geleidelijk ook de onbelangrijkste trek van het bestaan vormt en beheerst, is wat in het historisch wereldbeeld als omslag van cultuur in civilisatie verschijnt, als climacterium van de cultuur, zoals ik het vroeger noemde…

p. 456

Het is de bezoeker van de agora in Alexandrië en Rome en zijn ‘tijdgenoot’, de moderne krantenlezer; het is de ‘intellectueel’, die aanhanger van een cultus van geestelijke

middelmatigheid met de openbaarheid als cultusoord, indertijd evengoed als tegenwoordig; het is de antieke en westerse mens die je in het theater en in amusementsoorden, in de sport en in de literatuur van alledag tegenkomt.

p. 459

Het ethische socialisme is – ondanks de oppervlakkige illusies die men zich erover maakt – geen systeem van compassie, van humaniteit, van vrede en zorg voor elkaar, maar van de wil tot macht. Al het andere is zelfbedrog.

p. 480

Zelfs het eenvoudigste feit bevat al een theorie. Een feit is een eenmalige indruk op een wakend wezen, en alles hangt ervan af of het een mens van de klassieke oudheid

is of van het Westen, van de gotiek of van de barok, aan wie dit feit verschijnt of verscheen. Sta er eens bij stil wat voor indruk een bliksem moet maken op een mus en wat voor indruk die maakt op een natuuronderzoeker die juist bezig is met observeren, en bedenk wat dit ‘feit’ voor de natuuronderzoeker allemaal aan extra’s bevat in vergelijking met dit ‘feit’ voor de mus.

p. 481

Een scherpzinnige geest uit de tijd van Archimedes zou echter na grondige bestudering van de moderne theoretische natuurkunde hebben verzekerd

dat het voor hem onbegrijpelijk is hoe iemand zulke willekeurige, groteske en warrige voorstellingen kon aanmerken als wetenschap en, sterker nog, als noodzakelijke gevolgtrekkingen uit beschikbare feiten.

p. 482[/expand]

Ook het atheïstische natuuronderzoek heeft religie; de moderne mechanica is van a tot z een echo van een gelovige kijk op de wereld.

p. 502

In de bosachtige atmosfeer van de kathedralen, het imposante uitrijzen van de hoofdbeuk boven de zijbeuken in vergelijking met het platte dak van de basilica, […]

En wel in het loofbos met zijn mysterieuze wirwar van takken en het gefluister van de eeuwig bewogen bladermassa boven het hoofd van de toeschouwer, hoog boven de aarde, waarvan de kruin middels probeert los te komen. Denk wederom aan de romaanse ornamentiek en haar diepe affiniteit met de betekenis van de bossen. Het oneindige, eenzame, schemerige bos is het geheime verlangen van alle westerse bouwvormen gebleven.
[…] Het ruisen van het bos, waar geen dichter in de klassieke oudheid ooit de betovering van heeft ervaren, dat alle mogelijkheden van het apollinische natuurgevoel
te buiten gaat, houdt met zijn mysterieuze vraag ‘vanwaar’ en ‘waartoe’, zijn verzinken van het ogenblik in het eeuwige ten diepste verband met het lot, met het gevoel voor geschiedenis en tijdsduur, met de faustische zwaarmoedig-zorgelijke gerichtheid van de ziel op een oneindig verre toekomst. Daarom werd het orgel, waarvan het diepe en hoge dreunen onze kerken vult en waarvan de klank in tegenstelling tot de heldere, gezwollen klank van de antieke lyra en fluit iets grenzeloos en onmetelijks heeft, het orgaan van de westerse godsvrucht.

p. 505-506

Het is een wetenschappelijk vooroordeel dat mythen en godsvoorstellingen scheppingen zouden zijn van de primitieve mens en dat de ziel van de mythevormende

kracht ‘met de vooruitgang van de cultuur’ verloren zou gaan. Het tegendeel is het geval. […] Elke groots opgezette mythe staat aan het begin van een ontwakend zielenleven.

p. 519-520 (Ook een van mijn extra favoriete fragmenten):

Het zielenleven van elke cultuur is religieus […] Het staat dit zielenleven niet vrij ireligieus te zijn. Het kan hoogstens met die gedachte spelen, zoals men dat deed

in het Florence van de Medici. De mens van de wereldsteden daarentegen is irreligieus. Dat maakt deel uit van zijn aard, het is typerend voor zijn historische verschijning. Hoe graag hij vanuit het pijnlijke gevoel van innerlijke leegte en armoede ook religieus wil zijn, hij kan het niet. Alle grootstedelijke religiositeit berust op zelfbedrog.

p. 529

…de grote schilderkunst die rond 1680 uitdoofde… […] …in de negentiende eeuw, als de kunst op haar einde loopt en de geciviliseerde intelligentie het zielenleven overmeestert…

Deel II

(Zo veel prachtigs ook in deel II, maar vrijwel alles zo diep ingebed in en vervlochten met het betoog dat citeren de tekst geen recht doet. Hier is steeds meedenken geboden met deze geniale auteur.)

p. 101, (Het begin van het hoofdstuk ‘De ziel van de stad’):

Aan de Egeïsche Zee liggen rond het midden van het tweede millennium voor Christus twee werelden tegenover elkaar, een die van duistere voorgevoelens vervuld,

vol hoop en dronken van leed en daadkracht stilaan rijp wordt voor de toekomst: de Myceense – en de andere die zich sereen en verzadigd neervlijt onder de schatten van een oude cultuur, verfijnd en licht, met alle grote problemen ver achter zich: de Minoïsche op Kreta.

[…] Hoe we dat kunnen weten? Er waren meer van zulke momenten waarop mensen van twee culturen elkaar in de ogen zagen. We kennen meer dan één ‘tussen de culturen’.

p. 153

Het is de kardinale fout van de taalwetenschap dat ze taal in het algemeen met menselijke woordentaal verwart, niet theoretisch maar met grote regelmaat

in de praktijk van al het onderzoek. Dat heeft geleid tot een immense onwetendheid met betrekking tot de onoverzienbare hoeveelheid taalsoorten die algemeen onder dieren en mensen gangbaar zijn. […] Een onderzoek naar de taal mag zeker niet met de mens beginnen.

p. 159

Wie in zijn woordentaal liegt, verraadt zich in zijn gebarentaal, waar hij niet op let. Wie in zijn gebaren huichelt, verraadt zich in de klank van zijn stem. Juist omdat de starre taal middel en oogmerk van elkaar scheidt, bereikt ze voor de kennersblik nooit haar doel.

p. 167, (Dit klopt toch helemaal met de fase waarin wij in het Westen zitten, ook al kan die nog eeuwen duren, zich vertakken en eeuwen later pas

overgegaan blijkten te zijn een of meer nieuwe culturen):

Je moet je helemaal verdiepen in de starre onderscheidingen tussen subject en object, bedrijvende en lijdende vorm, tegenwoordige tijd en voltooid tegenwoordige tijd om te zien hoezeer het verstand hier de zintuigen de baas wordt en het werkelijk bestaande ontzielt.

p. 167

Dit middel tot contact tussen ik en jij heeft – juist door zijn perfectionering – van het dierlijk begrijpen van het gewaarworden een denken in woorden gemaakt,

dat het gewaarworden is gaan bevoogden. Piekeren betekent via woordbetekenissen met zichzelf communiceren. […] Begrippen doden het leven en vervalsen het wakker-zijn.

p. 198 (Ik moet hierbij denken aan onze visie op landen als Rusland en China):

Naties begrijpen elkaar net zomin als individuele mensen. Elke natie begrijpt slechts

een zelfgeschapen beeld van de andere, en slechts een klein aantal individuele kenners dringt dieper door. [/expand

p. 347  (Zo’n scherpe kijk op in feite het ontstaan van ons ik-tijdperk!):
Dit kleine, van het kosmische losgeraakte, in een individueel bestaan terechtgekomen ‘ik’, ‘alleen’ in de verschrikkelijkste betekenis van het woord, had de nabijheid nodig van een machtig ‘Gij’, en dat des te meer naarmate de geest zwakker was. Dat is de ultieme betekenis van de westerse priester, die vanaf 1215 door het sacrament van de priesterwijding en het character indelebilis boven de rest van de mensheid verheven was: een hand waarmee ook de armste God kon grijpen. Deze zichtbare verbinding met het oneindige heeft het protestantisme doorgesneden. Sterke geesten veroverden het voor zichzelf terug, voor de zwakken ging het geleidelijk verloren.

p. 349

In Duitsland althans trad de sage weer voor de Mariamythe in de plaats. Maria heette nu Vrouw Holle, en waar ooit het heilige had gestaan, verscheen nu de getrouwe Eckart.

p. 352

Zoals in de oudheid het trotseren van de goden door Prometheus als hybris werd opgevat, is de machine door de barok als duivels ervaren. De hellegeest

had de mens het geheim verraden hoe hij zich meester kon maken van het mechanisme van de wereld en zelfs voor god kon spelen.

p. 356 (Konden we dit in onze faustische bubbel maar allemaal inzien.):

Rationalisme betekent geloven, maar alleen in de resultaten van het kritisch begrip, dus in het ‘verstand’.

p. 360 (Ook weer zo’raak, dit fragment.):

Tweehonderd jaar na het puritanisme staat de mechanistische wereldvisie op haar hoogtepunt. Zij vormt de werkelijke religie van deze tijd. […] Cultuur is altijd synoniem

met religieus vormend vermogen. Elke grote cultuur begint met een reusachtig thema, dat oprijst uit het stedeloze platteland, in de steden met hun kunsten en denkwijzen veelstemmig wordt doorgevoerd en in de wereldsteden wegsterft in de finale van het materialisme.

p. 378 (Over wat er met je kan gebeuren tussen twee culturen, bijvoorbeeld met onze tweede-generatie immigranten!):

Vaker vormt de werkelijke innerlijke afvalligheid van de consensus, voor zover die een geloofssamenhang vormt, een schouwspel als dat van Indiase studenten die een

Engelse universitaire opleiding met Locke en Mill hebben genoten en nu met hetzelfde cynische dedain op zowel Indiase als westerse geloofsovertuigingen neerkijken en uiteindelijk zelf aan hun innerlijke ontreddering te gronde moeten gaan.

p. 401

Wie midden in een bos voelt hoe het stille gevecht om een stukje grond om hem heen gevoerd wordt, dag en nacht, zonder genade, wordt bevangen door afgrijzen voor de diepte van deze drijfveer, die bijna één is met het leven zelf.

p. 419 (Dit is ons drama, en we willen het niet zien, denk ik persoonlijk, we willen het zelfs ontkennen, waardoor ‘het lot’ ons zal meesleuren.):

Dit is het begrip dat de civilisatie aantreft en dat zij vernietigt door het begrip van de vierde stand, de massa, die de cultuur met haar gegroeide vormen principieel afwijst.

Dit is het absoluut vormloze, dat elk soort vorm, alle rangverschillen, het geordende bezit, de geordende kennis haatdragend vervolgt. Het is het nieuwe nomadendom van de wereldsteden, waarvoor de slaven en barbaren in de oudheid, de shudra’s in India, alles wat mens is één ongedifferentieerd stromend ‘iets’ vormen, dat zodra het ontstaat al uiteen is gevlalen, zijn verleden niet erkent en geen toekomst heeft. Daarmee wordt de vierde stand de uitdrukking van de geschiedenis die overgaat in wat geen geschiedenis meer heeft. De massa is het einde, het radicale niets.

p. 421 (Helemaal raak.):

Mogelijk is de staat in eenvoudigste zin even oud als het vrij in de ruimte beweeglijke leven zelfs, zodat zelfs zwermen en kuddes van heel eenvoudige diersoorten

een of andere ‘constitutie’ kennen, die bij mieren, bijen, sommige vissen, trekvogels en bevers een verbazingwekkende perfectie bereikt.

p. 471 (We krijgen hier een spiegel voorgehouden.):

In tegenspraak met dit grote feit [‘dat de grote bestaansstroom als eenheid in vorm is, één soort tact en instinct bezit’] verbreidt zich nu het rationalisme, die

wakker-zijnsgemeenschap van intellectuelen wier religie bestaat uit kritiek en wier numina geen godheden zijn, maar begrippen.

p. 502

Men dient dus goed te beseffen dat democratie ook in de Arabische wereld een standenideaal is, en wel van stadsmensen die daarin tot uitdrukking brengen dat ze vrij willen zij van oude bindingen aan het land, of het nu woestijn is of landbouwgrond.

p. 509

Maar de weg van Alexander naar Caesar is ondubbelzinnig en onvermijdelijk, en de sterkste natie van elke cultuur heeft die weg moeten afleggen,

of ze het nu wilde en wist of niet. / Voor de hardheid van deze feiten is geen uitvlucht mogelijk. De vredesconferentie in Den Haag van 1907 was het voorspel van de Wereldoorlog, die in Washington van 1921 zal het voorspel zijn van een nieuwe oorlog.

p. 510-11

Aan het begin, daar waar de civilisatie tot volle bloei komt – vandaag de dag – staat het wonder van de wereldstad, het grote stenen zinnebeeld van het vormloze, monsterlijk,

schitterend, zich in overmoed naar alle kanten uitbreidend. Zij zuigt de bestaansstromen van het machteloze land in zich op, mensenmassa’s die als duinen van het ene naar de andere verwaaien of als los zand tussen de stenen door glippen.

p. 515

Met de gevormde staat heeft ook de geschiedenis van de hoge cultuur zich te slapen gelegd., De mens wordt weer plan, gehecht aan zijn stukje grond, dof en duurzaam.

Het tijdloze dorp komt weer tevoorschijn, evenals de ‘eeuwige’ boer, kinderen verwekkend en graankorrels zaaiend in Moeder Aarde, een vlijtig, genoegzaam gekrioel, waar de storm van de soldatenkeizers overheen raast.

p. 516

En terwijl men in de hogere regio’s zegeviert en verlies lijdt, in een voortdurende afwisseling, bidt men in de diepte, bidt met die imposante vroomheid van de tweede

religiositeit, die alle twijfel voor altijd heeft overwonnen. Daar, en daar alleen, in de zielen, is de wereldvrede werkelijkheid geworden, de vrede van God, de hemelse vreugde van grijze monniken en kluizenaars.

p. 535  (Helemaal raak wat mij betreft, en ik persoonlijk mis de twijfel bij de beoefenaren van de heilig verklaarde wetenschappen van nu.):

Wij bevinden ons in een tijd van grenzeloos vertrouwen in de almacht van de rede. De grote algemene begrippen ‘vrijheid’, ‘recht’, ‘mensheid’ en ‘vooruitgang’ zijn heilig.

De grote theorieën zijn evangeliën. Hun overtuigingskracht berust niet op argumenten, want de massa van een partij heeft noch de kritische kracht, noch de distantie om ze serieus te toetsen, maar op de sacramentele wijding van de leuzen waarmee ze worden verkondigd. Overigens blijft deze betovering beperkt tot de bevolking van de grote steden en tot het tijdperk van het rationalisme, deze ‘religie van de ontwikkelde lieden’.

p. 536 (Hier, zoals op veel andere plaatsen, distancieert Spengler zich duidelijk van alles wat naar fascistisch riekt.):

Maar daarmee zijn geschriften als het Contrat Social en het Commmunistisch Manifest  eersterangs machtsmiddelen in handen van geweldenaars die binnen het partijleven

zijn opgeklommen en die in staat zijn de overtuiging van de overheerste massa te vormen en te benutten.

p. 536

…juist Plato heeft met zijn poging om Syracuse volgens een ideologisch recept om te vormen deze stad te gronde gericht.

p. 538

Aangezien geen van al die vormen gegroeid is, zoals het leenstelsel, maar uitgedacht, en dat bovendien niet op grond van een diepe kennis van mensen en dingen

maar op grond van abstracte voorstellingen van recht en rechtvaardigheid, gaapt er een kloof tussen de geest van de wetten en de praktische gewoonten die onder druk daarvan in stilte ontstaan, met als doel ze aan te passen aan of verre te houden van de tact van het daadwerkelijke leven.

Inkijkjes in Philip Roth en zijn werk

Wat niet op de radio kwam over Philip Roth

Vorige week belde iemand van De Taalstaat mij voor een gesprek in de radiouitzending van de volgende dag over Philip Roth. Het was nog niet zeker, en in de namiddag kreeg ik een berichtje dat ze Ko Kooman gingen interviewen. Ik hoop dat hij het goed gedaan heeft. Hieronder het resultaat van  voorbereidingen die ik al getroffen had.

Roth’ essaybundel Lectuur van mijzelf en anderen was mijn allereerste vertaling. Ik heb Roth vooral goed leren kennen door drie van de vier titels te vertalen van de latere bundeling Zuckerman gebonden. Sterker nog, ik was weg van die boeken en hij was mijn beste vriend, al heb ik hem nooit ontmoet. Geleidelijk werd hij uiteraard als een oude kennis die je nooit meer ziet.

Philip Roth, Waarom schrijven?
Verzamelde non-fictie 1960-2013

Ik zou voor De Taalstaat een echte, lange Roth-zin opzoeken in Waarom schrijven? Mijn keus viel op ‘Kijken naar Kafka’, waarin Roth zo typerend een quasi-clichéstukje over Kafka laat overlopen in hilarische fictie. Hoezo hilarisch? Nou, behalve doordat Roth altijd een goed oog en oor voor het hilarische heeft gehad, ook door iets anders, waar ik nog nooit over gelezen heb.

Discours

Roth was, behalve een hilarische grappenmaker ook een perfectionistische intellectueel die lezers en gehoor wist te imponeren met ellenlange zinnen, waarbij lezers en gehoor vaak dachten dat dat alles was. Niet dus, want dat iets was er ook nog. Bij de Zuckerman-boeken (ik weet niet hoe het bij het latere werk is) opent Roth bij elk verhaal een discours, een soort extra communicatiekanaal met de lezer. Via dat kanaal, dat af en toe dagzoomt met bijvoorbeeld een nadruk op een woord dat terugslaat op iets vijf of tien bladzijden daarvoor, stoot hij je in feite met zijn ellenboog aan en zegt, niet met zoveel woorden: ‘Kun je nagaan.’ of: ‘Hoe is het mogelijk, hè?’ En zeker bij Zuckerman, een dicht bij hemzelf liggende act, neemt hij niet alleen Zuckerman maar ook zichzelf min of meer op de hak. Een exclusieve extra laag voor de goede lezer. Literair smullen.

Naar Kafka kijken

In de zin die ik voor De Taalstaat had uitgekozen neemt hij, deels via bovengenoemd discourskanaal, Kafka op de hak. Het is een zin zoals hij ze altijd weer maakte, als een salvo, met een knal aan het eind, of een uithaal van de bajonet. Wat je kunt doen om hem helemaal te beleven: hem eerst lezen om hem te begrijpen, dan diep ademhalen en hardop voorlezen, rustig en op de toon en met het uitgestreken gezicht die we kennen van toen hij door Michaël Zeeman werd geinterviewd.  Dit is ‘m:

‘De hartstochtelijke brievenschrijver die er eindeloos over kon dubben welke trein naar Wenen te nemen om Milena te ontmoeten (áls hij haar al het weekend ging opzoeken); de burgerlijke vrijer met het hoge boord, die tijdens zijn eeuwigheid durende verloving met de nette Fräulein Bauer voor zichzelf een aantekening maakt waarin hij de argumenten ‘voor’ het huwelijk en de argumenten ‘tegen’ het huwelijk tegen elkaar afweegt; de dichter van het ongrijpbare en het onopgeloste, wiens geloof in het onwrikbare obstakel dat de wens van de verwezenlijking scheidt de kern vormt van zijn martelende visioenen van nederlagen; de Kafka wiens fictie elke gemakkelijke, roerende, menselijke dagdroom over redding en gerechtigheid en vervulling met extreme dromen van het tegenovergestelde, die spotten met alle oplossingen en ontsnappingen, weerlegt – deze Kafka ontsnapt.’

Naschrift van een ooggetuige

Philip Roth had na Portnoy’s klacht een imagoprobleem. Veel mensen stelden hem gelijk met zijn verteller, altijd erg irritant voor een schrijver, helemaal als gevestigde critici die beter zouden moeten weten, en in sommige gevallen tergend genoeg ook beter wéten, zich ook aan die simplificatie bezondigen, gewoon om jou, auteur, eens lekker te raken waar ze weten dat het pijn doet. Steeds meer mensen zagen hem op het laatst als een wellustige woesteling.

Interessant in dit verband is wat wijlen een oude vriend van mij over hem zei die hem vaak gezien en geobserveerd had omdat hij in dezelfde buurt woonde: ‘Hij is helemaal niet zoals velen denken,’ zei mijn vriend. ‘Hij is heel rustig en ingetogen, bescheiden zelfs.’

Stille waters, diepe gronden, ik weet het, maar als vertaler van De anatomische les denk ik ook: zou het niet kunnen dat die arme, al te beroemd geworden schrijver belaagd werd door ontketende vróuwelijke welllustige woestelingen? Ja, en aan de andere kant las ik ergens weer dat Claire Bloom hem met haar beste vriendin op de keukentafel had betrapt. Maar dan dringt zich weer de gedachte op: kun je een ex als Philip Roth erger treffen dan met een verhaal dat aansluit bij de oude, voor hem toch behoorlijk kwellende misverstanden rond zijn persoon?

Ik kijk dus uit naar een Roth-biografie die het allemaal gaat vertellen.

Lees op VertaalVerhaal hoe ik Reading Myself and Others vertaalde:
‘Het moet een Nederlands boek worden’

 

De samoerai – het waarom van het zo mooi

De samoerai van Shusaku Endo, een 34 jaar oude vertaling die de vertaler zelf verrast. De soberheid van stijl. Hoe een onderstroom zich doet voelen. Literatuur die níet op de pagina gebeurt. En: een tussenoplossing voor de zo onmisbare affiniteit.

Shusaku Endo, De samoerai, Kok 2018, 2e druk.
Endo, De samoerai, 2018

Oude vertaling kersvers

Shusaku Endo’s De samoerai komt 10 april 2018 opnieuw uit, ditmaal bij uitgeverij Kok. Ik vond het boek toen ik het vierendertig jaar geleden voor de Arbeiderspers vertaalde al mooi, maar begreep niet goed waarom. De stijl was zo sober! Te sober, vermoed ik nu, voor mijn jongere ik, die naïeve ideeën over stijl op een voetstuk had staan. Bij het doorlezen van de nieuwe proeven werd ik me niet alleen pas echt bewust hoe mooi dit boek is, maar ook waarom. Voor ik daarover verderga, iets over het boek en de achtergrond.

De samoerai en de historische achtergrond

Het boek speelt aan het begin van de 17e eeuw. Hasekura Rokuemon, een samoerai van zo lage rang dat hij bijna de gelijke is van de doodarme boeren onder hem, moet als een van de vier gezanten op een nieuwgebouwd schip mee naar Mexico, samen met een Spaanse missionaris, Velasco. De bedoeling is een deal tot stand brengen met Nueva España: handelsmonopolie in ruil voor het recht het christendom in Japan te prediken. Hoe kan zo’n  deze sobere roman zo aangrijpend zijn? Dat komt behalve door wat er in het gemoed van de personages gebeurt ook door de saillante historische achtergrond, die ik hier even zal aanstippen.

Historische bronnen zijn bij Endo vaker inspiratiebron, net als bij de roman Stilte ook bij De samoerai. Toen de werkelijk bestaande Hasekura Rokuemon (1571-1622) in oktober 1613 naar Mexico vertrok, begon hij een dagboek bij te houden, dat echter verloren is gegaan. In 2017 keerde hij terug in Japan. Zijn missie was op niets uitgelopen, mede door de politieke omslag in Japan, waar inmiddels overal de doodstraf stond op de minste of geringste uiting van christelijkheid.

Ene pater Luis Sotelo (1574-1624) stond model voor pater Velasco in de roman en eindigde net als Velasco in de roman na zijn terugkeer in Japan in 1624 op de brandstapel.

Nog pijnlijker detail, helemaal als je het boek gelezen hebt: volgens een brief van Hasekura’s kleinzoon ontdekten de Japanse autoriteiten in 1640 dat Hasekura’s zoon Gonshiro heimelijk rituelen in acht nam van het streng verboden christendom. Hasekura’s oudste zoon Kanzaburo, in het boek een jongen, werd hiervoor verantwoordelijk gehouden en moest seppuku plegen.

Er zitten in deze roman vele als-en besloten. Als de oom van Hasekura niet steeds verzocht had hun vroegere leengoed terug te krijgen… Als Velasco níet teruggegaan was naar Japan… Als Hasekura thuis geen teken of spoor van christendom had achtergelaten… Het is zo’n boek dat je met allerlei vragen en speculaties laat zitten: over die ene Japanner in een dorp in Mexico, over het fanatisme van de toenmalige christenen, over de ongelooflijke feodale wreedheid enzovoort.

Superieure soberheid

De stijl is zoals gezegd sober, zo sober dat je als lezer niet goed begrijpt hoe het kan dat je zo meegesleept wordt en je zo sterk bij Hasekura Rokuemon en Velasco betrokken gaat voelen. Endo is duidelijk een meester in het opbouwen en vertellen van zijn verhaal. Maar dat verklaart nog niet de intensiteit van zijn roman en waarom die overslaat op de lezer.

Wat zit er achter het brandende verlangen van Hasekura naar zijn armzalige leven thuis? En achter het allesverterende verlangen van Velasco naar het land  van de rijzende zon en een verhoopte functie als aartsbisschop? Hasekura en Velasco hebben het verlangen naar Japan vaderland met elkaar gemeen, en Velasco heeft daarbovenop nog eens zijn alles verterende ambitie. Maar wat is ambitie eigenlijk anders dan de drang het eigen leven zin te geven?

Endo verliet Japan als jongen van twaalf, en het moet haast wel zo zijn dat zijn eigen verlangen naar zijn geboorteland verantwoordelijk is voor de onderstroom in deze roman, die je qua kracht en werking wel degelijk spectaculair zou kunnen noemen (bij Velasco is het soms zelfs een bijna-zinnelijk verlangen). Endo zelf moet het zo indringend opgeroepen gevoel van verlorenheid bij de Japanners in den vreemde zelf gekend hebben. Ook hij leefde in verre buitenlanden, bovendien was hij zelf christen, katholiek om precies te zijn.

Doordat die intensiteit me bij het nalezen van de proeven zo verbaasde, bleef ik doorzoeken. Zat er nog iets in het boek dat daar een verklaring voor kon zijn? Ja, er zat inderdaad nog iets in.

Iets wat me misschien niet opviel omdat Endo het nergens overdrijft: korte zintuiglijke beschrijvingen. Ongemerkt weet hij je telkens in weinige woorden te raken met geuren en kleuren, bloemen, planten, bomen, baaien en bergen, soms alleen maar met een echo uit een droom, een schreeuw of roep van een dier, een kreet van een vrouw of van een gevangene in de nacht. En hij doseert zijn zintuiglijke miniatuurtjes met meesterhand. Als je als lezer op het punt staat het contact met die onderstroom te verliezen, zo lijkt het, dan komt hij weer met zo’n natuurflits. Het is inderdaad alsof hij er een parallel verhaal mee vertelt, een verhaal dat misschien juist zo sterk werkt doordat het bestaan ervan zich aan het redelijke verstand onttrekt.

Shusaku Endo’s boeken behoren tot het soort subtiele romans waarin de bedoelingen er niet dik bovenop liggen maar juist zoveel mogelijk verborgen worden gehouden om ze bij de lezer zo ongemerkt mogelijk naar binnen te smokkelen. Lezers van deze boeken, soms dus zelfs de vertaler, worden er vaak door gegrepen zonder te weten hoe dat komt. En ze blijken er na lezing diep door te zijn geroerd en opeens heel anders naar de wereld om hen heen te kijken.

Shusaku Endo, De samoerai, Arbeiderspers 1984
Endo, De samoerai, 1984

De affiniteitskwestie

Ik vind het erg belangrijk vind dat een literair vertaler zichzelf trouw  blijft en zijn eigen affiniteit volgt (zie mijn opstel ‘Affiniteit!’). Hoe kwam ik dan aan dit Japanse boek? Nou, ik had geen gelegenheid voorbij laten gaan om redacteuren te laten weten tot wat voor boeken ik me geroepen voelde. Zodoende had ik met toenmalig AP-redacteur E.B. een verstandhouding opgebouwd. Hij kende mijn affiniteiten en kwam bij mij terecht als hij een match vermoedde. Ik weigerde soms, maar meestal bleek zijn vermoeden te kloppen, zo ook met Endo, The Samurai, dat op verzoek van de auteur uit het Engels moest worden vertaald.

Zo’n zich in de vertaler inlevende redacteur wens ik elke literaire vertaler toe die zijn of haar auteurs nog niet heeft gevonden.

Het onbewuste en een foto

India stond op mijn lijstje sinds ik als hippie strandde op Kreta, toen het woord bucketlist nog niet bestond. Dat moest ooit de reden zijn geweest waarom ik dit Indiase straatbeeld uit de krant geknipt had en op een prikbord bevestigd.

Straatbeeld ergens in India
Straatbeeld ergens in India

Maar waarom had ik deze foto al die jaren achter me aangesleept en in al mijn achtereenvolgende werkkamers weer trouw opgehangen? Onlangs besloot ik het bijna uiteenvallende stuk papier weg te gooien – en merkte tot mijn verbazing dat ik het niet over mijn hart kon verkrijgen.

Bewust kijken

Ik heb altijd gedacht dat de palen links langs de weg steigerpalen waren, alsof er huizen in aanbouw waren of werden opgeknapt, maar dat is dus helemaal niet zo. Ik dacht ook dat er massa’s mensen op deze foto stonden van wie er ook een heleboel herkenbaar in beeld waren. Ook dat blijkt niet te kloppen. Zo druk als ik het inmiddels in India met eigen ogen gezien heb, is het hier niet, en aan goed zichtbare, herkenbare wezens tel ik maar negen personen en een koe.

Er zijn klassenverschillen tussen rijders en passagiers, zie hun schoeisel. De passagiers in de riksja’s kijken geïnteresseerd naar iets  rechts, de riksjarijders niet, behalve die ene zonder vrachtje. De man met snor achter de eerste passagier, mogelijk ook een riksjarijder, kijkt daar ook naar; of hij een riksjarijder is weet ik niet, evenmin of hij een passagier heeft. De man achter de koe (gaat hij daar niet over struikelen?) lijkt net gekeken te hebben en het tafereel niet meer belangrijk te vinden. De man met het geruite jasje heeft misschien niets gezien, en de man wiens gezicht net zichtbaar is achter de derde riksja vermoedt nog niets.

En: er is geen vrouwelijk wezen te bekennen, afgezien van de heilige koe. Waren vrouwen daar toen in principe niet onderweg? Misschien is dat daar links een, wazig op de stoep.

Het onbewuste

Foto’s zijn misverstanden want gestolde ficties in een continuüm. Maar waarom kon ik deze foto dan niet gewoon weggooien? Mijn blik ging (voor de hoeveelste maal?) naar hun gezichten. En langzaam drong tot me door dat die negen mensen me niet zomaar bekend voorkwamen, het waren goede bekenden van me. Ik kende hun stemming, karakter, temperament en natuurlijke intelligentie. Ze waren als buurtgenoten, collega’s en klasgenoten met wie je nooit een woord hebt gewisseld, maar die je toch in de loop van jaren door en door hebt leren kennen.

Met mijn spiegelneuronen, zo weten we tegenwoordig, had ik de momentopname van die negen mensen en die koe, zonder dat ik het zelf wist, benut om ze te ‘lezen’, dag in dag uit, jaar in jaar uit. Het is niet zo dat ik dingen over ze weet, maar als zij uit deze momentopname zouden stappen en het woord tot mij richtten zou ik bij het geluid van hun stem, hun manier van praten en de gezichten die ze daarbij zouden trekken iets hebben van: ja, zo praat hij en zo kijkt hij daarbij. Precies als bij die buurtgenoten, collega’s, klasgenoten.

Conclusie, het onbewuste – dat enige echte kunstenaarsinstrument, dat alle schilders, beeldhouwers, dichters, schrijvers en, jawel, literair vertalers gratis ter beschikking hebben, als ze het tenminste weten te bevrijden uit het aangeleerde, uit de cultuur – dat onbewuste is dus ook aldoor en vermoedelijk veel meer dan we beseffen sociaal actief, zelfs aan de hand van zulke bedrieglijke afspiegelingen van de werkelijkheid als foto’s.

Kun je nagaan hoe onze bovenkamers gegijzeld worden bij bijvoorbeeld het kijken naar tv, bn-ers. Griezelig.

Concurrentie in de vrieskou

De kraai probeert de reiger weg te jagen
Kraai en reiger

Kraaien vallen misschien minder op. Al zo lang ik hier woon, zie ik een reiger bedelen bij de balkons. Kennelijk krijgt hij zo meer te eten dan wanneer hij zich aan zijn natuurlijke taak zou wijden, nl. kikkers e.d. vangen. Hij voert hele dagen niets uit en ik ben hem de labbekakkende reiger gaan noemen. En soms spelen parallellen door mijn gedachten met sommige andere levende wezens die het te makkelijk wordt gemaakt en daardoor ook hun natuurlijke weerbaarheid en pit geleidelijk kwijtraken.

De reiger is natuurlijk haantje de voorste in de gratis-hapjesketen. Maar die kraai! Uren lang ging dit zo door.

En ik merk dat mijn loyaliteit bij de intelligente kraai ligt. Het is alsof hij erover heeft nagedacht. En hij waagt zijn leven, want kan zomaar gespietst worden.

De audio, bij toeval ontstaan: tikkende klok en pianomuziek van Ravel. Best wel toepasselijk.

Het boeddhisme toen en nu

Dit stuk gaat over waarom ik het westerse boeddhisme eerst verafschuwde, hoe het me hielp en hoe ik het juist ging waarderen. En parallel hieraan: over de overdreven eerbied die ik had voor het oude, religieuze boeddhisme en waarom ik daar afstand van neem.

Schumann, De historische Boeddha
Hans Wolfgang Schumann, De historische Boeddha

Mijn ervaring met het boeddhisme is voor een groot deel die van iedereen. Het ratjetoe dat we onze westerse cultuur noemen, is niet alleen doordrenkt van o.a. Plato, het jodendom, het christendom en het communisme, maar ook van het boeddhisme, die merkwaardige, oorspronkelijk uit ca. 528 v. Chr. stammende verlossingsleer van Siddhattha Gotama, de latere Boeddha (563 – 488 v. Chr.).

De afkeer

Begin jaren ’70 van de vorige eeuw was ik een extreem idealistische halve hippie. Mijn versie van ‘verbeter de wereld en begin bij jezelf’ luidde zo ongeveer: ‘als iedereen net als ik doet, zijn alle problemen opgelost’. Ik had me terdege ingegraven in mijn gelijk, dus met argumenten was er weinig tegen me te beginnen. Er waren er die me bewonderden om mijn consequentheid, soberheid, gedrevenheid. Gezellig was ik niet bepaald, en ik leed onder mijn zelfgekozen disharmonie met de wereld.

Toen degenen die in mijn ogen fout leefden, degenen wier rijkdom, hebzucht en pronkzucht geen grenzen leken te kennen, middelen begonnen te ontdekken om hun decadente leven ook nog eens geestelijk aangenaam te maken, middelen als boeddhistische meditatie o.a., ontwikkelde ik dan ook een grote afkeer van het moderne, westerse boeddhisme. Voor het oude boeddhisme, de religie en de stichter, bleef ik een vaag soort eerbied koesteren. Ik mocht dan aan zo’n beetje alles met mijn intellect willen tornen, het traditionele boeddhisme bleef van mijn discursieve gedachten gevrijwaard en mocht in weerwil van zijn irrationele, religieuze kanten ongehinderd een soort ereplaats blijven innemen in mijn denkwereld.

Ik ontdekte Spinoza en Schopenhauer, en weer later maakte ik kennis met de Daodejing, die, grotendeels zonder dat ik me ervan bewust was, een enorme uitwerking op me had. Verder gingen de scherpe kantjes van mijn idealisme af en maakte dat geleidelijk plaats voor een meer realistisch en daarmee pragmatischer beeld van de samenleving en de wereld. Grappig genoeg begon ik in te zien dat dat heftige idealisme helemaal niet zo ideaal is voor de wereld. Een zekere mate van idealisme in een samenleving of cultuur kan nuttig zijn, maar te veel werkt averechts en richt schade aan, als het al niet leidt tot terrorisme en oorlogen.  

Hoe ik voor het westerse boeddhisme zwichtte

Toen ik het ruim tien jaar geleden door persoonlijke omstandigheden moeilijk kreeg en in een bodemloos soort rouwproces raakte waaraan maar geen eind kwam, kocht ik Mediteren voor beginners van de Amerikaanse boeddhist Jack Kornfield, inclusief CD met 6 geleide meditaties, en begon te mediteren. Dat simpele zitten, want meer is het in wezen niet, met op de achtergrond summiere, door Kornfield ingesproken aanwijzingen, veranderde mijn leven.

Jack Kornfield, Mediteren voor beginners, met CD
Jack Kornfield, Mediteren voor beginners

Elke ochtend voor mijn dag begon, was ik een kwartier bezig mijn ademhaling te volgen en alle gedachten die kwamen, aanvankelijk best veel, te verwelkomen alsof het wolken waren en ze net als wolken zo goed en zo kwaad als het ging weer te laten gaan. Ik deed nieuwe inzichten op, bijvoorbeeld dat een mens niet zijn gedachten is, en dat het ‘ik’ een abstractie is op de kloppendheid waarvan heel wat is af te dingen. Zeer overtuigend bracht Kornfield mij aan het verstand dat bijna alle mensen, en zeker de meer reactieven, puur vanuit eigen angsten en lijden denken en handelen en dat dit inzicht tot mildheid, vergevingsgezindheid en begrip leidt, niet in de laatste plaats voor jezelf – dat de strengheid jegens anderen vaak bij jezelf begint. Als klein kind, zo betoogt hij, hoefde je niets te zijn of te kunnen opdat er van je gehouden werd, er werd van je gehouden omdat je er was zoals je was.

Ik bleek er behoorlijk goed in te zijn dat volle, drukke hoofd van mij leeg te laten worden. En al gauw slaagde ik er daardoor in de dag d.m.v. mijn meditatie te beginnen op een nulpunt of daar in de buurt, met heel weinig verwachtingen. Zodoende nam als vanzelf het gehalte aan uitdagingen en positieve ontwikkelingen in mijn leven toe, uiteraard ten koste van het aantal beren op de weg.

De goede uitwerking van Kornfields meditaties traden ook op diverse manieren aan de dag. Door vooraf zijn forgiveness­- en loving-kindness-meditaties te doen, bleek bijvoorbeeld een almaar conflicten zoekende studente tijdens de colleges die ik gaf op mij als docent zowaar geen vat meer te hebben. Ik bleef geduldig en mild, vervuld van mededogen in plaats van van ingehouden woede. Bij andere gelegenheden waar mijn emoties vroeger hoog konden oplopen, gebeurde iets dergelijks. Ik werd, zo kreeg ik van anderen te horen, een wat prettiger mens. Zo kwam ik ertoe Kornfields belangrijkste werk aan te schaffen en te bestuderen:
A Path With Heart.

Jack Kornfield, A Path With Heart
Jack Kornfield                 A Path With Heart

Dit omvangrijke boek is een praktische gids die helpt en adviseert. Ik stond versteld van de energie en zorg die Kornfield erin gestoken had en begon hem, met de nodige ironie, te zien als een hedendaags soort bodhisattva, iemand die op de grens van het nirwana besluit eerst alle anderen te helpen alvorens zelf de laatste stap naar volledige verlossing te zetten.

De Daodejing had van mij iemand met taoïstische tendenzen gemaakt (later voelde ik me geroepen volgens een speciaal procedé een Nederlandse vertaling te maken, waarvan de eerste druk in 2011 bij Atlas verscheen en een herdruk in 2018 bij uitgeverij Synthese, zie hier). Door Kornfield werd ik tevens een beetje hedendaags boeddhist.

Wat betreft de reïncarnatie, ach, daar wilde ik nog steeds vooral respect voor bewaren. En het nirwana, met alles wat daar in het boeddhisme mee samenhing, wie weet ging ik me daar later nog eens in verdiepen. Het fenomeen verlichting daarentegen was volgens mij een realiteit: een natuurlijk soort geestestoestand, gekenmerkt door een diep, intuïtief inzicht in de natuur en het leven dat we verleerd of vergeten waren, en dat ongetwijfeld nog altijd bereikbaar was voor wie er aanleg voor had en er zijn zinnen op zette. Misschien, dacht ik wel eens, was het wel andersom, en belette onze verdoolde staat ons om ‘gewoon’ de verlichten te zijn die we van nature waren. In iets andere vorm kwam ik deze opvatting tot mijn verbazing tegen in hoofdstuk 5 van Boeddhisme voor dummy’s, dat gaat over de vele latere boeddhistische richtingen: een Japanse monnik, Shinran (1173-1263) was een nog steeds bestaande, populaire school begonnen genaamd Jodo Shinsu. De grondgedachte: alle mensen zijn al verlicht; ze beseffen het alleen nog niet!

Het boeddhisme bleef voor mij een positief iets dat het midden hield tussen filosofie en religie, en Boeddha iemand die op voorbeeldige wijze het lijden had weten te omhelzen, want zo had ik de uitspraak ‘leven is lijden’ altijd opgevat. Uiteraard ging mijn voorkeur uit naar de minst religieuze variant van het boeddhisme, die bovendien iets leuks had: het zenboeddhisme. Dat kwam mede door de drie autobiografische boeken die Janwillem van de Wetering erover had geschreven: De lege spiegel (1972), Het dagende niets (1974) en Zuivere leegte (2000), die nog altijd een speciale plek hebben in mijn boekenkast.

Maar toen recentelijk iemand in mijn omgeving naar India vertrok, op zoek naar Boeddha, had ik toch wel het idee, en ik lange gesprekken over het boeddhisme met hem had gevoerd, ging er ergens in mijn brein een knop om. Ik dook, hier in NL, in Hans Wolfgang Schumanns, De historische Boeddha. En dat boek bleek behoorlijk ontnuchterend.

Schumann, De historische boeddha

Schumanns toon is lang niet zo grandioos als die van onze Huizinga, maar hij deed me aan de schrijver van Herfsttij der Middeleeuwen denken. Ook Schumanns boek heeft iets monumentaals, misschien door zijn soberheid, en in elk geval ook door zijn brede, indringende aanpak en de ruimere blik die hij telkens biedt met uitspraken als: ‘Men ziet de Boeddha niet meer als een als het ware boven de grond zwevende heilige, maar als een wereldwijze, van politieke constellaties gebruik makende, tactisch inzicht inzettende organisator – vergelijkbaar bijvoorbeeld met de grootste Indiër van de moderne tijd, Mahatma Gandi…’.

Schumann heeft geen afbeeldingen in het boek opgenomen want, legt hij uit: de ‘historische Boeddha is een beeldloze Boeddha’. Her en der heeft hij oog voor in onze ogen wonderlijke details, zoals het feit dat Siddhattha misschien niet kon lezen, wat logisch is als je bedenkt dat lezen destijds nog geen belangrijke vaardigheid was, er nog geen geschreven boeken waren, en schrijven, als je het dat kon noemen, nog een bezigheid was van ambachtslieden.

De persoonlijkheid van Boeddha

Bevoorrechtheid

Siddhattha was zoon van Suddhodana, raja van de Sakiya’s, een soort onderkoning die tot de ksatrya’s behoorde, de ambts- of krijgsadel die toen, ruim 500 voor Christus, nog de hoogste kaste was. In de Pali-Canon, (Pali is de Middelindische taal), wordt Boeddha zelf opgevoerd zeggend: ‘Ik was verwend, monniken, uiterst verwend.’ Het is natuurlijk loffelijk dat hij het zelf zei, maar ik combineerde dit feit met iets anders wat me aan het leven van Siddhattha opviel: het feit dat hij na zijn ontdekking ‘het leven is lijden’ ervoor koos het lijden op alle mogelijke manieren te bestrijden. Opeens zag ik een overeenkomst met de verwende generatie van na-oorlogse adolescenten waar ikzelf toe behoord had, de protestgeneratie, die de dingen die ze niet bevielen ook fel en desnoods met geweld bestreden. Hoe dan ook, de strijd tegen het lijden bracht Siddhattha in eerste instantie tot zijn periode van ascese. Schumann: ‘De leer van de yoga en de Upanishaden was ongeschikt gebleken om hem het verlossende inzicht te bieden, misschien was ascese de juiste weg.’

Ascese

Schumann beschrijft hoe Siddhattha aan zijn ascese begon: ‘hij klemde de tanden op elkaar, perste de tong tegen het gehemelte en probeerde met het denken de geest te onderwerpen (…) Het resultaat was dat het zweet hem uitbrak…’ En even verderop: ‘Eveneens vruchteloos bleek de methode van de “ademloze trance”, d.w.z. het (zo lang mogelijk) inhouden van de adem. Er ontstonden geen extatische toestanden en hoger inzicht, maar oorsuizen, steken in de schedel, hoofdpijn, buikkrampen en een brandend gevoel in het hele lichaam’.

Siddhattha liet het er niet bij zitten. Hij probeerde zo ongeveer ‘het hele scala van ascetische zelfkwellingen uit: hij liep naakt rond en nam geen voedsel aan dat hem gebracht werd maar bedelde zelf zijn kostje bij elkaar’. In de koude tijd van het jaar droeg hij alleen juten gewaden, doeken van lijken, lompen, van gras gevlochten kleren, hij schoor zijn hoofd en baard niet, maar rukte de haren uit. Hij stond zichzelf niet toe te zitten en bleef in plaats daarvan ergens tegenaan geleund staan of hurkte neer. Als hij moest liggen, dan was het op doornen. Tegelijk legde hij extreem medeleven met al het andere aan de dag, en had zelfs medelijden met een waterdruppel. Waar Schumann vertelt: ‘Schuw vluchtte hij voor iedere veehoeder, grassnijder of houtzoeker die het bos betrad’, gingen mijn gedachten onwillekeurig naar labiele jongeren uit onze tijd. De Indiase winter (december, januari) bracht hij de dagen in het bos door, wat toen levensgevaarlijk was, en de nachten met temperaturen net boven het vriespunt onder de blote hemel. ’s Zomers bleef hij ’s nachts in het bedompte bos, overdag in de brandende zon in het open veld.

De hongerascese

Wat er over de Boedddha wordt beweerd hoeft niet allemaal letterlijk genomen te worden, maar Schumann benadrukt: ‘Vooral de hongerascese kan als een feit beschouwd worden.’ En hij vervolgt dat Siddhattha op het laatst de hongerdood nabij leek en haalt, de overlevering volgend, hem sprekend aan: ‘Mijn ledematen werden als stengels van lianen (…), mijn ruggengraat als een kogelketting, met zijn uitstekende wervels en verzonken tussenwervelschijven (…) de ribben vrij en zichtbaar (…) de oogappels diep in de oogkassen’. Zijn hoofdhuid was ‘verdroogd en gerimpeld als een pompoen’. Als hij aan zijn buik voelde, raakte hij zijn ruggengraat. Bij de stoelgang of het plassen viel hij, en als hij met zijn hand over zijn ledematen wreef, vielen de aan de wortel verrotte lichaamsharen uit.

Een dergelijke ascese, aldus Schumann, trok vanzelfsprekend bewonderaars aan: een gevolg van huisvaders uit Uruvela en een vijftal asceten die aan zijn zelfkwellingen deelnamen. ‘Ze hadden met elkaar afgesproken dat degene die de waarheid het eerste zou ontdekken, de anderen erin zou laten delen.’ Een nogal adolescent om niet te zeggen puberaal detail. Ze verwachtten dat Siddhattha de eerste zou zijn, maar het ging anders: hij brak zijn ascese af, niet om het leven van de rijken te leiden, maar: ‘Omdat ik dat edele inzicht niet bereikte, dat, als men het heeft, de uitweg (uit de kringloop van wedergeboorten) blijkt te zijn en voor de betrokkene algehele vernietiging van het lijden met zich meebrengt.’

De beginperiode

Tussen 515 en 500 trokken er zo’n 7 befaamde verlichte leraren met hun ordes rond in het Middenland, het stroomgebied van de Ganges. De Boeddha was een van hen. Een ander was Purana Kassapa, die voor alwetend doorging en zichzelf uiteindelijk doodhongerde. Weer een ander was Nigantha Nataputta, de stichter van het jaïnisme. De koningen van de verschillende rijken en rijkjes tolereerden de ordes als zelfstandige lichamen. Het moet een vreemd gezicht geweest zijn, de bedelordes die met hun deels traditionele, deels excentrieke, door hun geniale of waanzinnige leiders bedachte ideeën rondtrokken door het Middenland, bewoond door arme boeren. De ‘kennis’ of het ‘weten’ van de monniken moet iets geweest zijn waar in die postmythische tijd periode hoog tegen werd opgekeken, iets wat je wel wilde ruilen voor wat voedsel in hun bedelnap.

Opvallend is dat Siddhattha erin slaagde de vriendschap te verwerven van koningen als Magadha en Kosala. Hij moet een charismatische persoon geweest zijn, maar meegespeeld zal hebben dat zijn vader de raja was Sakiya was, dat viel onder het grotere Kosala. Schumann lezend krijg je de indruk dat hij daardoor bescherming genoot. Dat Siddhattha ook politicus was blijkt ten overvloede uit het overgeleverde verhaal dat de koning van Kosala veel geld wilde uittrekken voor de boeddhisten terwijl zijn minister daar op tegen was. Het misprijzen van Siddhattha was voldoende voor het ontslag van die minister.

Boeddha’s leer

Verlichting

Het verhaal over hoe Siddhattha na zijn asceseperiode net zo lang bleef mediteren (hier zien we weer die radicale, adolescentachtige trek) tot hij verlicht raakte ofwel ontwaakte, is genoegzaam bekend, maar toch moet ik wat dingen aanstippen. Zich op de boeddhistische canon beroepend zegt Schumann: ‘Verzinking verloopt in 4 fasen, en tijdens dat proces, in de eerste nachtwake, zei Siddhattha volgens de overlevering:  “Ik herinnerde mij vele vorige levens, namelijk één geboorte, twee, drie, vier, vijf, tien, (…) honderdduizend geboorten, vele wereldperioden (…) elk met zijn karakteristieke trekken en omstandigheden”.

Tijdens de middelste nachtwake kwam hij tot het bewustzijn van het tweede weten, namelijk ‘de natuurwet van de ethische causaliteit’, dat goede daden tot een goede wedergeboorte leiden en slechte tot een slechte wedergeboorte.

En tijdens de derde nachtwake kwam hij tot het bewustzijn van ‘het derde weten, de onderkenning van het lijden en de “vier waarheden”, die het raamwerk van zijn leer vormen’: ‘Dit is het lijden (dukkha); dit is de oorzaak ervan; dit is de opheffing ervan; dit is de weg tot de opheffing ervan’. En volgens de boeddhistische canon vervolgde Boeddha: ‘Vernietigd is [door deze ontdekking, dit ontwaken] de wedergeboorte (…) Verzekerd ben ik van mijn verlossing, dit is mijn laatste geboorte, opnieuw ontstaan zal ik niet meer!’

Reïncarnatie volgens de ethische causaliteit

Het geloof dat reïncarnatie, dus wedergeboorte plaatsvond volgens ‘de ethische causaliteit’, dus dat je na een goed leven in een hogere levensvorm en na een slecht leven in een lagere levensvorm herboren werd, was zoals gezegd al vóór Boeddha algemeen en ook terug te vinden in de Brahmana’s en Upanishaden.

De leer van het niet-ik

Boeddha’s leer was niet alleen een leer waarin geen god voorkwam, maar ook een leer zonder ik en zonder ziel. Hiermee brak hij met de traditie. Schumann spreekt van ‘de meest markante trek van zijn systeem, namelijk de leer van het “niet-ik”’ (…) ‘dat tegen de filosofie van de Upanishaden in ging, in die zin dat een blijvende ziel, een aan het lichaam overlevend ik, in de empirische persoonlijkheid niet te vinden is’. En omdat we niet meer dan ‘een bundel fenomenen’ zijn, gaat er met de dood dus feitelijk niets verloren.

Resumerend

  • Het bestaan van alle levensvormen is vol leed
    (pijn, vergankelijkheid, verlies, scheiding, mislukking)
  • Alle niet-verlosten zijn onderworpen aan wedergeboorte, waardoor lijden niet met de dood eindigt
  • Wedergeboorte wordt gestuurd door natuurwet van ethische conditionering; goede daden en bedoelingen leiden tot een betere bestaansvorm (en omgekeerd)
  • Daar er geen ziel bestaat, is er geen zielsverhuizing, maar een keten van voorwaardelijke gebeurtenissen
  • De drijfkrachten die de kringloop in gang houden: begeerte, onwetendheid – en deze kan iedereen vernietigen (door zelfcontrole)
  • De verlossing: beëindiging van de kringloop der wedergeboorten en het uitdoven van de leedvolle empirische persoon

De vier edele waarheden en het achtvoudige pad

  1. lijden (dukkha – het toe-eigenen)
  2. ontstaan ervan (begeerte naar worden)
  3. de opheffing ervan is mogelijk
  4. de weg naar opheffing = het 8-voudige pad
    1. juiste visie
    2. juiste besluit
    3. juiste spreken
    4. juiste handelen
    5. juiste levensonderhoud
    6. juiste inspanning
    7. juiste aandacht
    8. juiste concentratie
Ontnuchterende feiten en indrukken

Ik zal niet de enige zijn die een grote eerbied jegens de persoon van Boeddha en het vroegere boeddhisme in stand hield zonder er verder over na te denken. Mede hierdoor kon Schumanns boek zo’n eyeopener zijn. De Boeddha, die voor mij zonder dat ik het zelf besefte een soort heilige was geweest, ook al geloofde ik al lang niet meer in heiligen, een idool zonder dat ik het zelf besefte, ook al geloofde ik ook al lang niet meer in idolen, die Boeddha werd een gewoon mens met bijzondere kanten: geniaal, vasthoudend en zelfs fanatiek, charismatisch, slim en praktisch.

Ik ontdekte in Schumanns boek een verwende rijkeluisjongen voor wie het lijden van de wereld als hij het ontdekt totaal onacceptabel is, en die, lid bovendien van de krijgerskaste, verwoed de strijd ermee aangaat (i.p.v. het omhelst zoals ik altijd volkomen ten onrechte gedacht had). Met diverse adolescentachtige middelen probeert hij de vijand te verslaan, en vertoont trekjes, sommige waarvan suïcidaal te noemen zijn, die me deden denken aan hedendaagse labiele jongeren, op de vlucht voor medemensen en de samenleving. Met niets minder kan hij genoegen nemen dan een totale overwinning op het lijden, zo blijkt uit talrijke plaatsen in Schumanns boek. Als hij de overwinning op de vijand ‘lijden’ niet lijkt te kunnen afdwingen, hongert hij zich bijna dood, waarbij hij fantasieën en hallucinaties over talloze generaties voorzaten heeft en bevangen raakt door een religieuze waan die nog eens een grote stap verder gaat dan de de toch al zo vergaande heersende religeuze geloofsovertuiging van de ethisch gestuurde reïncarnatie, namelijk dat zodra het inzicht in het lijden bereikt is, meteen ook een definitief einde is gekomen aan het reïncarneren.

Ik ontdekte dat hij als zoon van een soort koning een beschermde positie genoot, dat hij een geniale leer ontwierp, een mengeling van bestaande religieuze overtuigingen en door hem bedachte, die velen toen kon aanspreken, en dat hij dankzij zijn charisma en politieke inzicht zijn orde veel beter wist uit te breiden dan concurrerende boeddha’s-met-aanhang. En ik zag en hoorde een gevestigd religieus leider die ferme uitspraken kon doen, zoals tegen een rijke grondbezitter die hem onnuttigheid verweet: ‘Ook ik ploeg en zaai, en als ik dat gedaan heb, eet ik. Ik zaai vertrouwen, mijn ploeg is onderscheidend inzicht, wilskracht mijn gespan. De vrucht van mijn arbeid is de doodloosheid. Wie zulke veldarbeid volbrengt, die is van alle leed bevrijd.’ Waarbij ik meteen bedacht: met ‘doodloosheid’ doelde hij op definitief uitsterven, dus op niets anders dan de dood!

Ik zag een religieuze leider die in het begin in sommige opzichten denken deed aan Amerikaanse sekteleiders uit onze tijd, en dan een die niet koos voor het leven maar voor de radicale opheffing ervan in de ‘overgelijkelijke vrede, de nietsheid’. Een leider die vele gezinnen kapotmaakte, want ‘Mannen die tot dan toe hun brood zelf verdiend hadden en met hun vrouw en kinderen een normaal gezinsleven geleid hadden (…) sloten zich bij de orde aan en lieten hun gezinnen hulpbehoevend achter’. Reden waarom hij ook wel ‘de weduwenmaker’ werd genoemd.

Ik kreeg een beeld van Middenlandse koninkrijken die werden uitgehold door groeiende legers monniken, leeglopers in feite, die niets anders deden dan bedelen. In de regentijd van 527 v. Chr. werden de honderden zo niet duizenden volgelingen van Boeddha zo’n last voor de 60.000 inwoners tellende stad Rajagaha dat ze er niet meer welkom waren. Boeddha’s trektochten deden me denken aan veldtochten, zonder bloedvergieten maar met veroveringen, dat wil zeggen het bekeren van zoveel mogelijk mensen tot de thuisloosheid. Het heet bij Schumann dan steeds dat ze ‘hun toevlucht’ namen tot de Boeddha of ‘de drievoudige toevlucht’ uitspraken. Soms deden ze dat om medische verzorging te krijgen. Misschien ook om andere praktische redenen?

Ik zag dat niet alleen hijzelf maar ook zijn leer iets zelfdestructiefs, zelfs suïcidaals had met zijn doel het leven, dat immers lijden is, voorgoed te beëindigen. En als een dergelijke leer veel succes heeft, zal het volk dat hem aanhangt, demografisch natuurlijk overvleugeld worden door andere volkeren. Eerst verspreidde de leer zich over het gehele Indiase subcontinent, en vervolgens verdween hij bijna helemaal uit India. Aan de ene kant ongetwijfeld doordat hij niet in balans was met de samenleving, aan de andere kant doordat hij werd opgenomen door virulentere en/of meer mogelijkheden biedende religies als de islam en het hindoeïsme. Dat het boeddhisme zich wel in o.a. Tibet, China en Japan kon handhaven zal gekomen zijn door veranderingen die het onderging, waardoor het in balans kon komen met de desbetreffende samenleving.

Ik miste in het oude boeddhisme wat het misschien wel modern maakt, en geschikt voor benutting in het geïndividualiseerde moderne Westen: de mens als sociaal wezen, als samenwerker. Het boeddhisme is van origine individualistisch. Elke monnik moest zijn eigen verlossing bewerkstelligen. Uit een innerlijke band met een ander kon immers slechts leed voortkomen.

Het viel me op dat de liefde in het boeddhisme helemaal niet centraal staat, zoals in het christendom. Dat hoeft helemaal niet erg te zijn als als het toch al mild, vergevingsgezind en begripvol is. Waarom zou je met je religie of samenleving hoger willen springen dan we kunnen. Misschien is die ‘liefde’ van het christendom wel oorzaak van heel veel wreedheden en bloedvergieten.

Het oude boeddhisme is geschiedenis

Alle geloof is bijgeloof, maar religieuze overtuigingen als reïncarnatie, ethische reïncarnatie, en helemaal het idee dat een verworven inzicht een opheffing van de reïncarnatie zou bewerkstelligen zijn voor mij vergaande vormen van bijgeloof. Reïncarnatie is wat mij betreft een metafoor voor de evolutietheorie.

En het idee van de dood als verlosser mag dan individueel opgaan, en ook in het christendom en andere religies worden aangehangen, wat betreft het boeddhisme klopt er iets niet. Grote groepen mensen kunnen uitsterven, maar altijd zullen andere groepen met levenslustigere levensvisies het stokje overnemen en er meteen weer een zwaar kruis van maken. De massale zelfopheffing door geen nageslacht voort te brengen die het boeddhisme nastreeft, wordt daarmee een zinloze exercitie. Je zou willen dat Boeddha dit gezien had en het roer had omgegooid van verlossingsleer-van-het-uitsterven naar levensleer-die-helpt-met-het-lijden-te-leven. Misschien heeft hij dit gezien, maar kon hij zijn beweging doordat die al te groot geworden was niet meer van koers laten veranderen. Of misschien vermoedde hij het en moeten we met dat licht kijken naar uitspraken van Boeddha als: ‘Ik ben slechts een wegwijzer.’

Een geschenk aan de wereld

Boeddha’s leer heeft zich in allerlei verschillende vormen en stromingen verspreid over de hele wereld. De leer kon zich geweldloos laten opslokken, zoals in India, en onzichtbaar zijn heilzame invloed uitoefenen, en hij kon filosofische vormen aannemen zoals in het moderne Westen.

Het oude, religieuze boeddhisme dat ik eerst nog zo eerbiedigde, is voor mij persoonlijk nu verleden tijd, geschiedenis, net als alle andere religies. Maar het ooit door mij zo gehate moderne, niet-religieuze boeddhisme zie ik nu als de beste manier om de erfenis van het oude boeddhisme te benutten, als een bijna ideale levensleer die zich kan aanpassen aan zo’n beetje alles wat mensen maar kunnen aanhangen, die geen totale verlossing kan schenken, zoals Boeddha meende, maar wel het hoogst haalbare in het leven van stervelingen: reële verlichting van het lijden en hulp bij het leven ermee.

Ik heb nog niet verteld hoe het afliep met mijn existentiële probleem, dat rouwproces. Nou, door het mediteren aan de hand van Kornfield loste het op in een boeddhistisch niets. Het bleek, zoals misschien wel alle problemen, te berusten op een misverstand. En die decadenten? Ten eerste zijn wij in het moderne Westen bijna allemaal relatief decadent, en ten tweede wordt iedereen, ook de allerergste decadent, van het moderne boeddhisme alleen maar minder hebzuchtig, milder en vredelievender.

Buddhism, plain and simple / Boeddhisme in alle eenvoud
Steve Hagen, Buddhism, plain and simple

Hoe invloedrijk dit moderne boeddhisme geworden is blijkt uit het succes van Steve Hagens Boeddhisme in alle eenvoud, en helemaal uit het recente Dingen die je alleen ziet als je er tijd voor neemt van de Zuid-Koreaanse-Amerikaanse universiteitsdocent-zenboeddhist Haemin Sunim, dat in korte tijd de wereld veroverde met sereen gepresenteerd boeddhistisch gedachtengoed, inclusief hier en daar wat religieus bijgeloof:

Haemin Sunim, De dingen die je alleen ziet als je er tijd voor neemt
Haemin Sunim, De dingen die je alleen ziet als je er tijd voor neemt

Ana en Pollyanna

Een miniatuur-i.m. en een tip voor vertalers en uitgevers

Eleanor Hodgman Porter (1868 - 1920)
Eleanor H. Porter

Bij allerlei dingen in het leven was het ‘Net als Pollyana’, ‘Dat zou Pollyanna ook hebben gezegd’ enzovoort. En ik herinner me wel gevraagd te hebben: ‘Wie is die Pollyanna dan?’ Waarop Ana verbijsterd antwoordde, alsof iedereen Pollyanna als bestaand persoon kende: ‘Ken je die dan niet? Pollyanna, van die bekende Amerikaanse boeken!’ Maar ik kende ze niet. Ik wist niet eens wat voor boeken dat waren. En ik nam net zo min als alle anderen niet het initiatief om eens op internet te kijken. Tot het te laat was.

Ana is er sinds 22 april jongstleden niet meer. Maar hier, bij haar zuster Graça in São Luís, Brazilië, lag Ana’s exemplaar, met voorin nog door Ana beschreven geeltjes over bepaalde passages die haar extra aanspraken. Deze door die ene lezeres veel gelezen Portugese versie lag te wachten op de eerstvolgende lezer. En door een vreemd soort pijn heen werd ik dat.

Pollyanna, oudere Portugese vertaling
Eleanor Porter, Pollyanna

Pollyanna is officieel een meisjesboek, geschreven door Eleanor H. Porter (1865 – 1920) en voor het eerst gepubliceerd in 1907. En Pollyanna is zo fris en levend als een boek maar zijn kan. Wat ben ik blij dat ik haar gevonden heb.

Pollyana komt als 11-jarig weeskind bij haar strenge, onvriendelijke tante wonen, en binnen luttele weken haalt ze uit alle nieuwe mensen het beste naar boven. En de manier waarop ze dat doet! Onder andere met het spel dat haar vader haar nog heeft geleerd: om in elke situatie, hoe erg en moeilijk ook, toch iets te ontdekken dat tot tevredenheid of blijheid kan stemmen. Sommigen gaan bewust het door haar gepropageerde spel spelen, anderen nemen het over, zoals Pollyanna zegt, zonder dat ze het zelf weten. En de lezer van Pollyanna? Die wordt weer als een kind: eenvoudig, ontvankelijk en tot blijheid geneigd.

Maar met deze lezer gebeurt nog iets. Al lezend ontdek ik: Ana leek op Pollyanna, was net zo’n affe, autonome en onschuldig gebleven persoon. En regelmatig schiet ik al lezend vol, net als veel personages in Pollyanna op allerlei momenten. Ik begrijp nu waarom Ana zo vaak naar Pollyanna verwees. Wat jammer dat niemand anders Pollyanna las en Pollyana met haar kon delen! Maar, zoals Pollyanna haar spel spelend zou kunnen zeggen: ‘Wat fijn dat jullie dat favoriete boek van haar toch nog hebben ontdekt!’

Ana’s naam alleen al roept bij iedereen het grote verdriet op. Maar omdat veel stukken van haar Pollyanna zo bijzonder zijn en zozeer getuigen van haar, Ana’s levensstijl dat ik ze als deel van haar erfenis begin te zien, ben ik ze hier toch begonnen te vertellen – aan Graça, aan Ana’s moeder, aan haar neef. Hele passages blijk ik zomaar te kunnen navertellen, iets waar ik anders niet goed in ben… tot mijn stem breekt omdat gedachten aan Ana erbij komen. Dan is het even wachten geblazen voor ik weer verder kan. En uiteindelijk kunnen we om Pollyanna en wat ze allemaal meemaakt lachen.

Curieuze details

Eleanor H. Porter overleed op 52-jarige leeftijd. Een tikje bevreemd ontdekte ik deze overeenkomst: Ana Rosa in haar 52e levensjaar. Nog wat vreemder werd het toen ik op internet dit stukje las:

Het boek dat meerdere malen verfilmd is, is nauwelijks meer te krijgen en mag onder de klassiekers worden gerekend. Het fantastische gevoel dat ik aan het boek heb overgehouden is mij altijd bijgebleven, zelfs nu, op mijn tweeënvijftigste nog, terwijl ik de inhoud van het boek op internet heb moeten nazoeken. Helaas heb ik het boek dus niet meer, maar als ik het ergens zou tegenkomen, zou ik het zeker kopen.
Hilda Spruit
Deze hommage is speciaal geschreven voor de Kinderboekenweek 2013

Van Graça hoorde ik trouwens dat Ana niet allebei de boeken even goed vond. Het vervolg is Pollyanna moça (Pollyanna groeit op). Er lag een grote stapel van hier in een boekhandel in São Luís, dus we konden het kopen. Nu ik het gelezen heb, durf ik te stellen dat Ana’s favoriete boek Pollyanna was. Dat boek is weergaloos (ondanks de sentimenten), en geen vervolg zou er ooit aan kunnen tippen.

Portugese vertaling van 'Pollyanna grows up'
Eleanor Porter, Pollyanna moça

Graça vertelde me nog wat mij in de loop der tijd ook al was opgevallen: overal waar Ana ging werken, had binnen luttele weken iedereen het over haar, met een zelfde soort verwondering en innigheid als die welke Pollyanna bij personages én lezers opwekt. Ook Ana haalde het beste in mensen naar boven met haar positieve, gevende houding.

Tip voor uitgevers en vertalers

Van deze klassieker, dacht ik, zullen toch wel meerdere edities in de Nederlandse boekhandel verkrijgbaar zijn? Helemaal niet! En dat al heel lang. Dus, vertalers en uitgevers, ligt hier geen kans op een succesvolle herontdekking? Bij voorkeur dan een goede vertaling, liever geen hertaling, en beslist niet als boek voor uitsluitend meisjes, maar als boek voor kinderen van 8 tot 80.

De I Tjing, het ultieme zelfhulpboek

Van anti naar pro

In de jaren dat ik aan mijn vertaling van de Daodejing werkte, moest ik me wel  verdiepen in de I Tjing, die ooit aan de basis van het taoïsme stond. Doordat ik om me heen had gezien hoe min of meer labiele mensen zich aan het boek overgaven en daar nadelen van ondervonden, had ik er weinig vertrouwen in en zelfs een afkeer van. Maar toen ik het ging lezen, raakte ik onder de indruk van de procesmatige levenswijsheid die ik tegenkwam op elke pagina. Ik stelde mijn oordeel bij naar: zeer waardevol wijsheidsboek.

Ik geloof nog altijd niet dat in de I Tjing magische krachten schuilen, maar een orakelachtig ritueel rond de raadpleging ervan hoeft voor mij totaal niet meer suspect te zijn, integendeel, het is noodzakelijk.  Hoe dat zit, leg ik hieronder uit.

I Tjing, Het boek der veranderingen, vertaling Richard Wilhelm
I Tjing, Wilhelm-vertaling

I Tjing, Het boek der veranderingen

Bij een werk uit een andere cultuur ontstaan er al gauw misverstanden. Wij westerlingen denken anders dan de Chinezen, en helemaal anders dan de Chinezen van duizend, vijfduizend jaar en langer geleden. De vertaling van I Tjing, ‘boek der veranderingen’, is dan ook vaak aanleiding voor misverstanden. Wij westerlingen, behoudzuchtigen wat minder, wensen verandering. We geloven massaal dat dingen te veranderen zijn, dat we het leven, de samenleving, de wereld, aan onze wensen kunnen aanpassen. Veranderen zien wij veelal als een goede zaak, alsof elke verandering een verbetering is. Daarmee doet het wensdenken dan zijn intrede.

De I Tjing baseert zich op veranderingsprocessen in de natuur zoals die nu eenmaal in hun algemeenheid plaatsvinden, tussen mensen, tussen volkeren en in ons innerlijk. Van oudsher willen we graag weten in welke veranderingsprocessen we zoal zitten en in hoeverre we ons daarin optimaal gedragen, en we kunnen de I Tjing lezen of raadplegen om daarachter te komen. De I Tjing als hulpmiddel om de zelfkennis uit te breiden dus.

Daar komt geen toekomstvoorspelling bij kijken. Uiteraard is het zo dat mensen met levenservaring, ouderen, wijzen, kijkend naar de mensen en de processen waar ze zich in bevinden, soms met grote waarschijnlijkheid kunnen aangeven waar het wel op zal uitdraaien. Op vergelijkbare manier kan de I Tjing bij alle mogelijke veranderprocessen vingerwijzingen geven omtrent mogelijke toekomstscenario’s. Meer toekomstvoorspelling bestaat er wat mij betreft niet.

Het procesmatige

Terwijl de Chinezen het leven en alle verschijnselen van oudsher procesmatig beschouwen, krijgen wij in het Westen steeds meer de neiging alles intellectualistisch te bekijken en met onze wetenschappen vast te leggen in abstracte theorie. Al vinden we ook bij ons het procesmatige hier en daar wel terug, bijvoorbeeld bij ingenieurs en natuurkundigen, gemiddeld lijken de Chinezen er nog altijd veel meer dan wij van doordrongen dat je niet stukjes uit het gebeuren in de wereld los kunt maken om er vervolgens harde conclusies over te trekken. Ontwikkelingen maken voor hen nog altijd deel uit van grotere gehelen, die we voor een aanzienlijk deel nu eenmaal niet overzien.

Hoe fout wij vaak met onze rationelere kijk zitten, kunnen we dagelijks zien aan o.a. de stroom statistieken van het verkeerde soort, het soort dat uitspraken suggereert over veel meer dan het onderzochte en dat daardoor meestal maar zeer ten dele klopt. Het zijn simplificaties waarvoor allerlei zaken buiten beschouwing zijn gelaten. Enkele voorbeelden: het ‘bewijs’ dat roken hielp tegen dementie (de rokers kwamen door hun vroegere dood minder aan dementie toe), en het ‘bewijs’ dat koffie kankerverwekkend zou zijn (de koffiedrinkers rookten meer dan niet-koffiedrinkers).

Yin en yang

Het is voor de westerling nog best te volgen als door de Chinezen gesteld wordt dat alles altijd in zijn tegendeel verkeert en dat alle verschijnselen en fenomenen zich altijd bewegen tussen twee uitersten. Dat de twee basale werkende factoren daarbij yin en yang zijn, de twee tegengestelde prinicipes waarvan alles wat leeft is doortrokken, zeer ruime begrippen met allerlei verschillende betekenissen (als we ze in onze talen willen vertalen), maakt dat de Chinese kijk op het leven op westerlingen overkomt als oncontroleerbaar en ongrijpbaar. Hoe kunnen we ooit, denken wij, iets zinnigs zeggen over de wereld waarin we leven met begrippen die zo veel zo verschillende connotaties hebben? Het antwoord moet luiden: door in die begrippen te gaan denken.

yin
yang
vrouw man
aarde hemel
schaduwzijde zonzijde
water vuur
stilte / rust beweging / actie
koud warm
maan zon
zwaar licht
dood leven
binnen buiten
inademen uitademen
sluiten openen
ontvangen scheppen
noord zuid
even oneven
+
zwart / donker wit / licht
gebroken lijn doorlopende lijn
Het systeem van trigrammen en hexagrammen

Een raadsel van de I Tjing is en blijft voor mij hoe het mogelijk is dat een oude agrarische beschaving de stap zet van natuurlijke verschijnselen en processen, zowel uiterlijke als innerlijke, naar een systeem bestaand uit een beperkt aantal codes van lijnen en onderbroken lijnen die ook nog eens veranderlijke aspecten kunnen bevatten, de 8 trigrammen en de 64 daarvan afgeleide hexagrammen, waarbij de trigrammen…

…symbolen zijn van elkaar afwisselende overgangstoestanden, en de hexagrammen staan voor zoiets als de 64 essentiële veranderingsprocessen in het heelal, inclusief ons uiterlijke en innerlijke leven. Het stelsel van trigrammen en hexagrammen doet in zijn complexiteit en elegantie denken aan beroemde wiskundige en natuurkundige theorieën.

Als het ontstaan van iets in nevelen is gehuld, de nevelen van vele eeuwen in het geval van de I Tjing, zul je altijd zien dat er legendes ter verklaring in omloop zijn. Een zo’n legende is: ene Fu Xi zou bijna 3000 jaar voor Christus de trigrammen hebben overgetekend van het schild van een schildpad. Een mooie symbolische verklaring voor een geleidelijk, natuurlijk ontstaansproces.

 Het orakel en het onbewuste

Ik dicht de I Tjing, zoals gezegd, geen magische krachten toe. Daarmee bedoel ik: ik geloof niet dat het mogelijk is dat we na enkele worpen met muntjes door magische krachten of hoe we het ook moeten noemen uitkomen bij uitgerekend het hexagram dat over ons probleem gaat. Vaak wordt Jungs theorie over synchroniciteit erbij gehaald (dat dingen verband met elkaar kunnen hebben zonder dat er oorzakelijkheid in het spel is, ofwel toeval dat geen toeval is), en ook de kwantumfysica wordt wel ter verklaring aangevoerd.  Ik geloof niet in die theorieën, maar wil ze ook niet per se uitsluiten. Er blijft genoeg over wat de I Tjing bijzonder maakt, en daarover wil ik het hier hebben.

Onze hersenen bevatten, net als die van mensen van duizenden jaren geleden, honderd miljard neuronen, evenveel als sterren in een sterrenstelsel, en een nog veel groter aantal onderlinge verbindingen daartussen. Die allemaal samen vormen ons onbewuste. Ons onbewuste bevat dan ook veel meer kennis, weten, inschattingen enz. dan we bewust kunnen weten. Het bewuste, rationele, intellectuele, wat we het denken noemen, is daarbij vergeleken maar beperkt. Bovendien zit er in ons denken veel ruis, veel misvatting en misverstand, helemaal als het gaat om onze eigen levensomstandigheden. Ons denken lijkt weliswaar ons meest betrouwbare houvast, maar het is zeer de vraag of het dat ook is. Het zit ons bovendien vaak in de weg, vooral als we met een probleem worstelen. Alle aanleiding dus om ons denken uit te schakelen als we werkelijk willen weten hoe het met ons probleem zit.

Het ritueel rond de raadpleging

Het verrichten van rituele handelingen is een uitstekende methode om het rationele denken voor even uit te schakelen en zo een open houding te bewerkstelligen. Tevens krijgt het onbewuste dan de gelegenheid actief te worden.

Soms lukt het ons ook zonder rituele handelingen. Zo kent elke vertaler het verschijnsel dat hij maar niet uit een vertaalprobleem komt, tot hij het voorlegt aan een collega: nog voor die antwoord kan geven, komt hij zelf vaak opeens op de oplossing. Dat kan wonderlijk lijken, maar de verklaring is simpel: zodra hij zijn probleem aan de ander voorlegt, laat hij het zelf los. Dat wil zeggen, ergens in zijn onbewuste vindt een verandering plaats die tot deblokkering leidt, en daarmee vaak tot de oplossing.

Hoe gaat dat bij de I Tjing, als we die volgens hedendaagse voorschriften raadplegen? Om te beginnen hebben we al een flexibele houding, zo van ‘ik wil dit probleem voor even uit handen geven’. Vervolgens dienen we nog eens over ons probleem na te denken en het op te schrijven. Dan concentreren we ons volgens voorschrift opnieuw op het probleem en werpen zesmaal de muntjes, en noteren de uitkomsten, die leiden tot ons eerste hexagram, dat staat voor de huidige situatie. Met behulp van de lijnen die verandering aanduiden komen we tot ons tweede hexagram, dat staat voor de eventuele toekomstige situatie.

Niet alleen hebben we het probleem dan door al die handelingen almaar meer losgelaten en ons onbewuste de gelegenheid gegeven actief te worden, we staan er nu ook nog eens voor open om zowel naar de huidige situatie te kijken als, los daarvan, naar de toekomstige situatie. Met andere woorden, nog voor we een letter van de levenswijsheden in de I Tjing gelezen hebben, zijn twee veel voorkomende blokkades – de huidige situatie niet willen zien en niet openstaan voor de toekomstige situatie – zomaar geslecht!

Met een bijna ideale mindset om problemen op te lossen, gaan we verder. We lezen in de I Tjing de uitleg, ‘het oordeel’ en ‘het beeld’, eerst van het hexagram ‘huidige situatie’. De teksten zijn gesteld in termen afkomstig uit een nauw met de natuur verbonden wereld en gaan over natuurlijk processen, waaronder menselijke gedragingen en gemoedstoestanden, en ze werken ook nog eens als metaforen. Wij, met ons onbewuste vrij beschikbaar, zijn bereid die op wat voor processen dan ook toe te passen. En doordat de teksten een algemeen karakter hebben (als je zus of zo doet, dan gebeurt allicht dit of dat; dit is wel heilzaam, dat niet enz.) zijn ze op zeer veel verschillende situaties toepasbaar. Je kunt ook zeggen, zoals Jung in zijn inleiding op de Wilhelm-edities zegt, ze lenen zich voor projectie vanuit ons onbewuste.

Dachten we oorspronkelijk misschien dat de teksten uitsluitsel geven over ons probleem, ons veranderingsproces, in werkelijkheid is het ons eigen onbewuste dat, in samenspraak met de van praktische levenswijsheid doordrenkte teksten, zich erover uitspreekt. Ten slotte denken we nog eens rustig over ons probleem en het gevondene na, en dan hebben we een beeld van de huidige situatie dat vermoedelijk veel objectiever is dan we ooit in ons normale doen met ons bewuste denken hadden kunnen krijgen. Hierna doen we hetzelfde met de teksten bij het hexagram ‘toekomstige situatie’. En uiteindelijk hebben we een beeld van het overgangsproces waar we ons mogelijk in bevinden.

Wijsheidsboek en orakel van ons eigen onbewuste

De I Tjing mobiliseert dus het onbewuste van de raadpleger, die daardoor zelf als een soort hulp-I Tjing kan meedenken en meewerken aan de beantwoording van de door hemzelf gestelde vraag. Dit is het wat de I Tjing in mijn ogen tot het ultieme zelfhulpboek maakt.

Geniaal en wonderlijk is de I Tjing niet alleen vanwege de levenswijsheid die erin is vervat en het verbluffende stelsel van trigrammen en hexagrammen, maar ook omdat hij ons in staat stelt het geniale en wonderlijke in onszelf te activeren en te benutten.

De innerlijke I Tjing, vertaling H. Schipper
Liu I-ming, De innerlijke I Tjing (1796), Nederlandse vertaling H. Schippers, 2008

 

De taoïstische I Tjing van Liu I-Ming (1796), Engelse vertaling Thomas Cleary
Engelse vertaling van    Thomas Cleary, 1986

De lijst van yin- en yang-connotaties is ontleend aan tekens van leven.nl

Vergeten poëten

Zoals een natuurliefhebber soms zomaar in de natuur wil rondwandelen, zo wil de literatuurliefhebber soms zomaar snuffelen in tweedehands boeken van schrijvers en dichters. En gelukkig hebben we in Amsterdam nog antiquariaat Kok in de Oude Hoogstraat.

 

Antiquariaat Kok, Amsterdam

Op een snuffeldag daar aanbeland knielde ik eerbiedig neer bij een lange lage kast vol ‘poëzie’: honderden opeengeperste dunne bundeltjes, met hier en daar een verdwaalde dikke pil.

Ik trok er een stapel tussenuit, en sloeg een bundeltje open: bladzijden vol paginabrede strofen, de regels even lang, het Nederlands ouderwets, wat logisch was, maar ook erg gezwollen en zelfs betogend en redenerend. Op veel plaatsen waren e’s vervangen door apostroffen ter wille van een superregelmatig metrum, en overal zag ik op het einde volrijm.

Ik vluchtte andere bundeltjes in: precies hetzelfde! Ik moest denken aan een buurman van vroeger die bewondering in de buurt oogstte met huisjes en molentjes die hij met een ongelooflijk geduld fabriceerde van luciferhoutjes. De ijver en het doorzettingsvermogen die overduidelijk in deze gedichten waren gestoken stemden weemoedig. Ongetwijfeld was er bij het verschijnen van veel van deze bundeltjes een feestelijke presentatie geweest. In de hoofden van hun scheppers allicht hoop op een hemelbestormend vervolg, op een oeuvre, erkenning, bekendheid. Ik had met ze te doen, maar misschien ook wel met ons, en om helemaal precies te zijn met mezelf. Want alle medelijden is zelfmedelijden. Zou het ons, mezelf, niet net zo vergaan? En ook al wérd je bekend, verging het je in zekere zin dan niet tóch net zo?

Ik begon weg te lopen bij de plek des onheils. Nog net viel mijn oog tussen de talloze schoolschriftachtige bundeltjes op enkele opvallend dikke, duur uitziende boekdelen P.C. Boutens.

A.L. Sötemann

Thuis bleef ik voor mijn boekenkast heen en weer drentelen. En waar kon anders voor kiezen dan voor Dichters die nog maar namen lijken van de onvolprezen A.L. Sötemann. Ik trok het boek uit de kast en zag in de inhoudsopgave 12 namen staan, waaronder Minne, Van Nijlen en Kemp, die voor mij wel meer dan namen waren, en, alsof de duvel ermee speelde, eveneens Boutens.

Inhoudsopgave 'Dichters die nog maar namen lijken'

Gedurende vele jaren aldus Sötemann, had Boutens een vooraanstaande positie ingenomen in Letterenland om niet te zeggen dat hij oppermachtig was geweest. Nijhoff en Van Vriesland worden door hem aangehaald over Boutens’ ongeëvenaarde invloed op jongere dichters. ‘Maar na de oorlog,’ schrijft Sötemann, ‘is Boutens een monument geworden waaraan vrijwel iedereen voorbijloopt’. En even verder: ‘In de afgelopen vijfentwintig jaar is de volstrekte stilte neergedaald over de eens zo vereerde dichter’.

A.L. Sötemann, Dichters die nog maar namen lijken

Sötemann vertelt hoe verbazend goed Boutens’ bundels verkochten, hoe gierig hij was (hij ‘wist bij wijze van spreken geld uit de rots te slaan’), hoe bourgondisch qua levensstijl, en dat hij in 1905 medeoprichter geweest was van de ‘Vereeniging van Letterkundigen’, en ‘van 1918 tot 1943 de dictatoriaal optredende voorzitter’. Niet minder dan vijfentwintig jaar! ‘Zijn oordeel over collega’s was vaak meedogenloos: hij leek er behagen in te scheppen ze, liefst en plein public, voor schut te zetten. “Maar,” zegt Van Vriesland, ‘als hij je mocht was hij erg aardig.”’

Ja, dat kon je van menige wrede tiran ook zeggen.

Na deze voor Sötemanns doen harde woorden, sluit hij af met een pleidooi voor Boutens’ ‘sublieme gedicht Het geheim, dat na zijn dood werd aangetroffen in zijn schrijfmachine.’

Het geheim
Te verraden niet en niet te raden,
Tusschen ons zelfs een gemeen geheim
(Als de manna-stralende genade
Van het in den slaap gevonden rijm): (…)

Omdat ik Sötemann zo hoog heb zitten, worstelde ik me door alle strofen van het gedicht heen. Maar op elke regel, bij elk woord, op het laatst bij elke letter, had ik het verstikkende gevoel dat het dodelijke eindrijm en even dodelijke metrum, en misschien ook wel de gezwollenheid bij het schrijven ervan, hoofddoelen geweest waren en de rest, zowat alles dus wat poëtisch was, niet meer dan bijzaak.

Simon Vestdijk, De glanzende kiemcel

De glanzende kiemcel

Vestdijks standaardwerk over poëzie dan, in 1942 ontstaan uit een reeks lezingen in het gijzelaarskamp in Sint Michielsgestel. Wat had hij hierover gezegd? Vestdijk legt eerst alles uit (Lodewicks Literaire kunst, hier op internet, verscheen immers pas in 1955), en duikt dan de diepte in. Zelfs Vestdijk was kind van zijn tijd, al zal het niet zonder ironie zijn geweest dat hij zegt: ‘Intussen, mijne heren, hoeft geen dichter zich voor rijmdwang te schamen…’ aangezien ‘…de rijmkansen zo uitermate ongelijk over de woorden en lettergrepen zijn verdeeld.’ Maar hij stelt wel vast dat ‘rijmdwang’ ernstige gevaren voor het gedicht met zich meebrengt. Vervolgens begint hij over Boutens’ bundel Tusschenspelen, die hij de hemel in prijst. Hij heeft het over ‘een onvergetelijke, weidse bezieling’, citeert enkele strofen van het sonnet op pagina 26, en geeft dan een opsomming van de rijmmogelijkheden op het toch al extreem moeizame woord ‘ontschuilen’:

Het is niet meer na te gaan, maar mij lijkt dat Vestdijk dit alles schaterlachend moet hebben neergeschreven. En het lijkt me ook heel goed mogelijk dat op dat ene literaire apenrotsje dat NL ook toen al rijk was één persoon jaren lang dermate de baas kon spelen dat bijna niemand aan zijn gezag durfde te tornen. Want wie komt er op straffe van uitstoting graag openlijk voor zijn mening uit? Marsman schijnt een van de weinigen te zijn geweest. Zelfs Ter Braak blijkt vlak voor zijn dood in 1940 Boutens nog met de grootst mogelijke eerbied te hebben behandeld.

Uit De glanzende kiemcel wordt duidelijk dat Vestdijk een grondige hekel had aan wat men toen als rijmdwang beschouwde. Zozeer dat hij de door hem zo bewonderde Rilke er in De glanzende kiemcel op afrekent. Aan Boutens’  grootheid, erkent hij verderop, heeft hij ‘wel eens getwijfeld’. En over de regels Tot op het hart, tot op de ziel ontbloot, / Staan eerlijk ongeschonden, eenzaam groot… zegt hij dat ze de indruk geven ‘hoofdzakelijk geschreven te zijn om deze regels “vol te krijgen”’, en spreekt zelfs van ‘aangelengde schoonheid’. Maar uiteraard wilde hij zijn lezingen in Sint Michielsgestel positief houden en zal hij zijn gezicht in de plooi hebben gehouden.

Rijmdwang was in zwang

Boutens’ werk doorkijkend vraag je je als 21e-eeuwer af: hoe hebben ze zo blind kunnen zijn? En misschien ook: hoe hebben ze zo bang kunnen zijn?

Wat betreft dichters als Minne, Van Nijlen en Kemp voel ik met Sötemann mee dat het jammer is dat zij nog maar namen lijken. En ik moet er niet aan denken dat Achterberg, Dèr Mouw en Leopold eenzelfde lot zouden ondergaan. Toch lijkt het erop dat ik, en velen met mij, min of meer allergisch zijn geworden voor eindrijm en er mede daardoor veel eerder over vallen als we het tegenkomen dan de generaties voor de Vijftigers. Bij Boutens en de meeste bundeltjes van anoniemen (‘de meeste’ omdat, je weet het nooit, toch een nog te ontdekken grootheid als Leopold tussen kan zitten) kan ik het ook niet erg vinden dat ze worden vergeten. In mijn 21e-eeuwse ogen is bij hen het middel doel geworden en zijn zij daarin doorgeslagen, blind voor hun eigen rijm-, metrum- en gezwollenheidsdwang.

Het eindrijm is voor mij vooral acceptabel als komisch middel, met het komische dus als doel. In light verse en kinderrijmpjes vindt iedereen het verteerbaar. Ik zou Rawie moeten gaan lezen om te bepalen of ik er toch nog tegen kan in serieuze poëzie, maar dat klinkt al negatief. Verder is het natuurlijk een geëikt middel van rappers, met als doel in hun flow te komen en te blijven.

Voor wie een verrukkelijk boek over rijm en andere traditionele aspecten in poëzie wil lezen, is er In de keuken van de muze van Willem Wilmink. Voor mij was het helemaal genieten omdat ik hem tijdens mijn studie Nederlands als docent heb meegemaakt: ik hoorde hem het hele boek vertellen met die steeds tegen volschieten aan zittende, en toch zo scherp voor de dag komende stem van hem. Voor wie hedendaagse poëten en poëzie beter wil leren aanvoelen, is er het leuke, interesse stimulerende Olijven moet je leren lezen van Ellen Deckwitz.

Maar waarom wordt poëzie vaak benaderd in de vorm van cursussen? Willen de mensen rationele grip op wat juist niet-rationeel moet zijn en blijven? Wilminks boek heeft als ondertitel ‘De gehele schriftelijke cursus dichten’, en Deckwitz’ boekje ‘Een cursus genieten van poëzie’. Maar oké, beide ondertitels bevatten een subtiele knipoog van de dichter-auteurs, alsof ze willen zeggen: ‘Wij weten natuurlijk wel beter. En jij, lezer, straks na lezing van deze “cursus” ook.’

Dat zijn mijn woorden!

Ik begon laatst op Facebook nietsvermoedend een stukje tekst te lezen dat bij een foto stond van Castle Howard in Yorkshire, dat ik ken omdat ik er lang geleden op fietsvakantie ben geweest. Na een twintigtal woorden kreeg ik een raar gevoel, alsof het me duizelde terwijl dat niet zo was. En verder lezend steeg mijn verbazing alleen maar.

‘Het begint er steeds meer naar uit te zien dat ik de tocht die mijn fantasie nu al enkele dagen bezighoudt werkelijk zal gaan maken. Een tocht, moet ik erbij zeggen, die ik in mijn eentje zal maken in de gerieflijke Ford…’

Deze woorden kwamen me absurd vertrouwd voor en brachten een prettig, zinvol gevoel teweeg. Ik dacht in een flits aan mijn romans Het ijzeren heden en Hollandse fado. Het was of ze daaruit afkomstig waren. Dat dat niet zo was, bleek op een of andere manier uit die Ford.

Wiens woorden?

Maar het wáren mijn woorden, dat wist ik zeker. Had iemand anders zich mijn woorden toegeëigend? Á la de ondertitel die ik indertijd had opgenomen in mijn boekje ‘Zwanen paren bij het leven…’ en andere instinkers en uitglijers in ondertitels:

Anthony Hopkins in de film De rest van de dag
Anthony Hopkins in de film The Remains of the Day

En toen wist ik het: het waren inderdaad mijn woorden. Als literair vertaler had ik ze neergeschreven en later uitgetypt. Zo begon namelijk De rest van de dag, mijn Nederlandse versie van Kazuo Ishiguro’s The Remains of the Day.

Het prettige, zinvolle gevoel werd een terugverlangen naar de vele uren die ik in 1988 als schaduwschrijver aan dat boek had gewerkt. Dat boek vertalen was genieten geweest. In het Engels waren het Ishiguro’s woorden, in het Nederlands de mijne. En weergaloos onnadrukkelijk brachten ze  Mr Stevens beklemmende leven stukje bij beetje op beklemmende wijze tot leven.

Ishiguro, De rest van de dag
Kazuo Ishiguro, De rest van de dag

Lees hier hoe ik Ishiguro’s mooiste boek bijna níet vertaalde!