Vergeten poëten

Zoals een natuurliefhebber soms zomaar in de natuur wil rondwandelen, zo wil de literatuurliefhebber soms zomaar snuffelen in tweedehands boeken van schrijvers en dichters. En gelukkig hebben we in Amsterdam nog antiquariaat Kok in de Oude Hoogstraat.

 

Antiquariaat Kok, Amsterdam

Op een snuffeldag daar aanbeland knielde ik eerbiedig neer bij een lange lage kast vol ‘poëzie’: honderden opeengeperste dunne bundeltjes, met hier en daar een verdwaalde dikke pil.

Ik trok er een stapel tussenuit, en sloeg een bundeltje open: bladzijden vol paginabrede strofen, de regels even lang, het Nederlands ouderwets, wat logisch was, maar ook erg gezwollen en zelfs betogend en redenerend. Op veel plaatsen waren e’s vervangen door apostroffen ter wille van een superregelmatig metrum, en overal zag ik op het einde volrijm.

Ik vluchtte andere bundeltjes in: precies hetzelfde! Ik moest denken aan een buurman van vroeger die bewondering in de buurt oogstte met huisjes en molentjes die hij met een ongelooflijk geduld fabriceerde van luciferhoutjes. De ijver en het doorzettingsvermogen die overduidelijk in deze gedichten waren gestoken stemden weemoedig. Ongetwijfeld was er bij het verschijnen van veel van deze bundeltjes een feestelijke presentatie geweest. In de hoofden van hun scheppers allicht hoop op een hemelbestormend vervolg, op een oeuvre, erkenning, bekendheid. Ik had met ze te doen, maar misschien ook wel met ons, en om helemaal precies te zijn met mezelf. Want alle medelijden is zelfmedelijden. Zou het ons, mezelf, niet net zo vergaan? En ook al wérd je bekend, verging het je in zekere zin dan niet tóch net zo?

Ik begon weg te lopen bij de plek des onheils. Nog net viel mijn oog tussen de talloze schoolschriftachtige bundeltjes op enkele opvallend dikke, duur uitziende boekdelen P.C. Boutens.

A.L. Sötemann

Thuis bleef ik voor mijn boekenkast heen en weer drentelen. En waar kon anders voor kiezen dan voor Dichters die nog maar namen lijken van de onvolprezen A.L. Sötemann. Ik trok het boek uit de kast en zag in de inhoudsopgave 12 namen staan, waaronder Minne, Van Nijlen en Kemp, die voor mij wel meer dan namen waren, en, alsof de duvel ermee speelde, eveneens Boutens.

Inhoudsopgave 'Dichters die nog maar namen lijken'

Gedurende vele jaren aldus Sötemann, had Boutens een vooraanstaande positie ingenomen in Letterenland om niet te zeggen dat hij oppermachtig was geweest. Nijhoff en Van Vriesland worden door hem aangehaald over Boutens’ ongeëvenaarde invloed op jongere dichters. ‘Maar na de oorlog,’ schrijft Sötemann, ‘is Boutens een monument geworden waaraan vrijwel iedereen voorbijloopt’. En even verder: ‘In de afgelopen vijfentwintig jaar is de volstrekte stilte neergedaald over de eens zo vereerde dichter’.

A.L. Sötemann, Dichters die nog maar namen lijken

Sötemann vertelt hoe verbazend goed Boutens’ bundels verkochten, hoe gierig hij was (hij ‘wist bij wijze van spreken geld uit de rots te slaan’), hoe bourgondisch qua levensstijl, en dat hij in 1905 medeoprichter geweest was van de ‘Vereeniging van Letterkundigen’, en ‘van 1918 tot 1943 de dictatoriaal optredende voorzitter’. Niet minder dan vijfentwintig jaar! ‘Zijn oordeel over collega’s was vaak meedogenloos: hij leek er behagen in te scheppen ze, liefst en plein public, voor schut te zetten. “Maar,” zegt Van Vriesland, ‘als hij je mocht was hij erg aardig.”’

Ja, dat kon je van menige wrede tiran ook zeggen.

Na deze voor Sötemanns doen harde woorden, sluit hij af met een pleidooi voor Boutens’ ‘sublieme gedicht Het geheim, dat na zijn dood werd aangetroffen in zijn schrijfmachine.’

Het geheim
Te verraden niet en niet te raden,
Tusschen ons zelfs een gemeen geheim
(Als de manna-stralende genade
Van het in den slaap gevonden rijm): (…)

Omdat ik Sötemann zo hoog heb zitten, worstelde ik me door alle strofen van het gedicht heen. Maar op elke regel, bij elk woord, op het laatst bij elke letter, had ik het verstikkende gevoel dat het dodelijke eindrijm en even dodelijke metrum, en misschien ook wel de gezwollenheid bij het schrijven ervan, hoofddoelen geweest waren en de rest, zowat alles dus wat poëtisch was, niet meer dan bijzaak.

Simon Vestdijk, De glanzende kiemcel

De glanzende kiemcel

Vestdijks standaardwerk over poëzie dan, in 1942 ontstaan uit een reeks lezingen in het gijzelaarskamp in Sint Michielsgestel. Wat had hij hierover gezegd? Vestdijk legt eerst alles uit (Lodewicks Literaire kunst, hier op internet, verscheen immers pas in 1955), en duikt dan de diepte in. Zelfs Vestdijk was kind van zijn tijd, al zal het niet zonder ironie zijn geweest dat hij zegt: ‘Intussen, mijne heren, hoeft geen dichter zich voor rijmdwang te schamen…’ aangezien ‘…de rijmkansen zo uitermate ongelijk over de woorden en lettergrepen zijn verdeeld.’ Maar hij stelt wel vast dat ‘rijmdwang’ ernstige gevaren voor het gedicht met zich meebrengt. Vervolgens begint hij over Boutens’ bundel Tusschenspelen, die hij de hemel in prijst. Hij heeft het over ‘een onvergetelijke, weidse bezieling’, citeert enkele strofen van het sonnet op pagina 26, en geeft dan een opsomming van de rijmmogelijkheden op het toch al extreem moeizame woord ‘ontschuilen’:

Het is niet meer na te gaan, maar mij lijkt dat Vestdijk dit alles schaterlachend moet hebben neergeschreven. En het lijkt me ook heel goed mogelijk dat op dat ene literaire apenrotsje dat NL ook toen al rijk was één persoon jaren lang dermate de baas kon spelen dat bijna niemand aan zijn gezag durfde te tornen. Want wie komt er op straffe van uitstoting graag openlijk voor zijn mening uit? Marsman schijnt een van de weinigen te zijn geweest. Zelfs Ter Braak blijkt vlak voor zijn dood in 1940 Boutens nog met de grootst mogelijke eerbied te hebben behandeld.

Uit De glanzende kiemcel wordt duidelijk dat Vestdijk een grondige hekel had aan wat men toen als rijmdwang beschouwde. Zozeer dat hij de door hem zo bewonderde Rilke er in De glanzende kiemcel op afrekent. Aan Boutens’  grootheid, erkent hij verderop, heeft hij ‘wel eens getwijfeld’. En over de regels Tot op het hart, tot op de ziel ontbloot, / Staan eerlijk ongeschonden, eenzaam groot… zegt hij dat ze de indruk geven ‘hoofdzakelijk geschreven te zijn om deze regels “vol te krijgen”’, en spreekt zelfs van ‘aangelengde schoonheid’. Maar uiteraard wilde hij zijn lezingen in Sint Michielsgestel positief houden en zal hij zijn gezicht in de plooi hebben gehouden.

Rijmdwang was in zwang

Boutens’ werk doorkijkend vraag je je als 21e-eeuwer af: hoe hebben ze zo blind kunnen zijn? En misschien ook: hoe hebben ze zo bang kunnen zijn?

Wat betreft dichters als Minne, Van Nijlen en Kemp voel ik met Sötemann mee dat het jammer is dat zij nog maar namen lijken. En ik moet er niet aan denken dat Achterberg, Dèr Mouw en Leopold eenzelfde lot zouden ondergaan. Toch lijkt het erop dat ik, en velen met mij, min of meer allergisch zijn geworden voor eindrijm en er mede daardoor veel eerder over vallen als we het tegenkomen dan de generaties voor de Vijftigers. Bij Boutens en de meeste bundeltjes van anoniemen (‘de meeste’ omdat, je weet het nooit, toch een nog te ontdekken grootheid als Leopold tussen kan zitten) kan ik het ook niet erg vinden dat ze worden vergeten. In mijn 21e-eeuwse ogen is bij hen het middel doel geworden en zijn zij daarin doorgeslagen, blind voor hun eigen rijm-, metrum- en gezwollenheidsdwang.

Het eindrijm is voor mij vooral acceptabel als komisch middel, met het komische dus als doel. In light verse en kinderrijmpjes vindt iedereen het verteerbaar. Ik zou Rawie moeten gaan lezen om te bepalen of ik er toch nog tegen kan in serieuze poëzie, maar dat klinkt al negatief. Verder is het natuurlijk een geëikt middel van rappers, met als doel in hun flow te komen en te blijven.

Voor wie een verrukkelijk boek over rijm en andere traditionele aspecten in poëzie wil lezen, is er In de keuken van de muze van Willem Wilmink. Voor mij was het helemaal genieten omdat ik hem tijdens mijn studie Nederlands als docent heb meegemaakt: ik hoorde hem het hele boek vertellen met die steeds tegen volschieten aan zittende, en toch zo scherp voor de dag komende stem van hem. Voor wie hedendaagse poëten en poëzie beter wil leren aanvoelen, is er het leuke, interesse stimulerende Olijven moet je leren lezen van Ellen Deckwitz.

Maar waarom wordt poëzie vaak benaderd in de vorm van cursussen? Willen de mensen rationele grip op wat juist niet-rationeel moet zijn en blijven? Wilminks boek heeft als ondertitel ‘De gehele schriftelijke cursus dichten’, en Deckwitz’ boekje ‘Een cursus genieten van poëzie’. Maar oké, beide ondertitels bevatten een subtiele knipoog van de dichter-auteurs, alsof ze willen zeggen: ‘Wij weten natuurlijk wel beter. En jij, lezer, straks na lezing van deze “cursus” ook.’

Dat zijn mijn woorden!

Ik begon laatst op Facebook nietsvermoedend een stukje tekst te lezen dat bij een foto stond van Castle Howard in Yorkshire, dat ik ken omdat ik er lang geleden op fietsvakantie ben geweest. Na een twintigtal woorden kreeg ik een raar gevoel, alsof het me duizelde terwijl dat niet zo was. En verder lezend steeg mijn verbazing alleen maar.

‘Het begint er steeds meer naar uit te zien dat ik de tocht die mijn fantasie nu al enkele dagen bezighoudt werkelijk zal gaan maken. Een tocht, moet ik erbij zeggen, die ik in mijn eentje zal maken in de gerieflijke Ford…’

Deze woorden kwamen me absurd vertrouwd voor en brachten een prettig, zinvol gevoel teweeg. Ik dacht in een flits aan mijn romans Het ijzeren heden en Hollandse fado. Het was of ze daaruit afkomstig waren. Dat dat niet zo was, bleek op een of andere manier uit die Ford.

Wiens woorden?

Maar het wáren mijn woorden, dat wist ik zeker. Had iemand anders zich mijn woorden toegeëigend? Á la de ondertitel die ik indertijd had opgenomen in mijn boekje ‘Zwanen paren bij het leven…’ en andere instinkers en uitglijers in ondertitels:

Anthony Hopkins in de film De rest van de dag
Anthony Hopkins in de film The Remains of the Day

En toen wist ik het: het waren inderdaad mijn woorden. Als literair vertaler had ik ze neergeschreven en later uitgetypt. Zo begon namelijk De rest van de dag, mijn Nederlandse versie van Kazuo Ishiguro’s The Remains of the Day.

Het prettige, zinvolle gevoel werd een terugverlangen naar de vele uren die ik in 1988 als schaduwschrijver aan dat boek had gewerkt. Dat boek vertalen was genieten geweest. In het Engels waren het Ishiguro’s woorden, in het Nederlands de mijne. En weergaloos onnadrukkelijk brachten ze  Mr Stevens beklemmende leven stukje bij beetje op beklemmende wijze tot leven.

Ishiguro, De rest van de dag
Kazuo Ishiguro, De rest van de dag

Lees hier hoe ik Ishiguro’s mooiste boek bijna níet vertaalde!

Optimale overgave aan het onbewuste

Dit stuk is een demonstratie van literair vertalen als herscheppende kunst door optimale overgave aan het onbewuste. En ook zo bedoeld.

Toen ik aan de vertaling van Kazuo Ishiguro’s The Buried Giant begon, was ik extra benieuwd hoe het me ditmaal zou vergaan. Ik had al drie eerdere boeken van Ishiguro vertaald, dacht hem goed aan te voelen en verwachtte in eerste instantie dat de vertaling me gemakkelijk af zou gaan. Het leek me geen al te moeilijk boek want het taalgebruik was op het eerste gezicht vrij eenvoudig.

Een herscheppende vertaling was weer het hoge doel. Ik was in de loop der jaren tot een in mijn ogen steeds betere methode gekomen, had me die methode steeds meer bewust gemaakt, en dacht haar met deze vertaling weer een beetje verder te vervolmaken. Maar dat viel bitter tegen.

Kazuo Ishiguro, Vergeten reus - Optimale overgave aan het onbewuste
Vergeten reus

Na een vertaalpauze van bijna vijf jaar had ik in 2008 bij het vertalen van enkele verhalen van Singer gemerkt dat zijn stem, zijn toon, nog helemaal in me zat, en ik heb nog altijd het idee dat die verhalen door de spontane, gevoelsmatige manier waarop ik ze vertaald heb tot mijn sterkste Singer-vertalingen behoren. Tien jaar na Ishiguro’s Laat me niet alleen verwachtte ik een soortgelijke ervaring met dit nieuwe boek. Maar nadat ik er weken lang dagelijks geduldig voor was gaan zitten, was het resultaat een onthutsend klad van het eerste hoofdstuk, boordevol twijfels en problemen. Een onbruikbare tekst.

Ter illustratie dit fragment van het begin, waarbij ik dus alle problemen die ik tegenkwam, en niet meteen spontaan, gevoelsmatig wist op te lossen, in de tekst liet staan met een sterretje gevolgd door een korte aanduiding.

‘Je *Men? zou lang hebben moeten zoeken naar de kronkelende landweggetjes en *tranquil serene weilanden waar Engeland later beroemd om werd. In plaats daarvan zag je overal kilometers *desolate verlaten, *onbebouwd onbewerkt land; hier en daar *rough-hewn3ruwuitgehakte primitieve paden over rotsige heuvels en naargeestige *heide woeste gronden. De meeste wegen die door de Romeinen *a?3leftby/hadden/a? waren achtergelaten *moeten? zullen *bythen toen *N zijn *broken/aw?vernietigd? verwoest of overwoekerd en veelal opgegaan in de wildernis. Er hingen kille nevels boven de rivieren en moerassen waar de trollen die toen nog in dit land leefden *servingalltoowell maar al te goed gedijden. De mensen die vlakbij woonden – je vraagt je af *NV3 door welk een wanhoop gedreven zij zich op dergelijke plekken hadden gevestigd – zullen allicht bang geweest zijn voor die wezens, wier hijgende ademhaling lang *volgorde?3 voor ze uit de mist opdoken te horen was. Maar dergelijke monsters wekten geen verbazing. De mensen van toen zullen ze beschouwd hebben als een *Valledaags/normaal doodgewoon risico, enin die tijd waren er andere zorgen te over. Hoe voedsel uit de harde grond te krijgen, hoe te voorkomen dat het brandhout opraakte, hoe *korter? een eind te maken aan de ziekte die op één dag een dozijn varkens het leven kon kosten en groene uitslag veroorzaakte op de wangen van de kinderen.’

Ik moet zeggen, tijdens het werk aan deze eerste versie van het eerste hoofdstuk had mijn zelfvertrouwen danig geleden. Gaandeweg had ik zelfs het idee gekregen dat ik bij nader inzien misschien níet voldoende affiniteit met het boek had, dat ik het misschien zelfs niet zou kunnen vertalen, ja, dat ik het misschien terug zou moeten geven. Er waren momenten dat ik begon te denken dat ik er helemaal niets van kon.

Natuurlijk zocht ik excuses. Ik bedacht dat Ishiguro zelf kennelijk ook moeite met het begin had gehad. Ik vond het tenminste enigszins moeizaam geschreven, misschien wel door die auctoriale verteller, die overigens allerlei extra problemen met zich meebracht (nu weet ik dat het allemaal past in Ishiguro’s methode om de lezer, beter gezegd diens literatuurvijandige intellect, in slaap te sussen). De stijl van het verhaal, dat rond 500 na Christus speelt, vertoont allerlei jongensboek- of avonturenboekachtige kenmerken, en sluit heel veel woorden en uitdrukkingen uit omdat die, als je er goed over nadenkt, te modern zijn aangezien ze allerlei technische, wetenschappelijke en culturele ontwikkelingen van veel later datum veronderstellen – je zou van ‘negatieve realia’ kunnen spreken. Wat het mogelijke taalgebruik betrof, beperkten die me in extreme mate.

Maar hoe moeilijk het me ook viel, ik hield aan mijn methode vast en ‘rommelde verder’, zoals ik het toen zag. En heel geleidelijk gebeurde toen toch dat mij van zo vele andere boekvertalingen  al bekende wonder: ik begon meer en meer vertaalbeslissingen te nemen waar ik níet meer aan twijfelde en er doken geleidelijk minder ‘sterretjes’ op in mijn tekst. Ik begon spontaner, makkelijker te werken – er wordt wel gesproken van ‘de toon te pakken hebben’ en ‘contact hebben met de tekst’, van erin komen, van flow enz. Al die termen scheren naar mijn idee langs wat er werkelijk plaatsvindt. De manier waarop het vertaalproces verliep had veel weg van de manier waarop mensen normaal spontaanweg met elkaar praten: rechtstreeks vanuit het onbewuste.

Ik was daarnaast – essentieel herscheppend aspect! – niet meer bezig mijn uiterste best te doen het origineel zo goed en zo kwaad als het ging te volgen (een methode die te zeer het accent op het ambachtelijke houdt en nooit meer kan opleveren dan de welbekende achterkant van het tapijt), maar, net als bij het schrijven van mijn eigen boeken, voortdurend een fictieve lezer aan het bewerken en manipuleren. Omdat de tekst in de Engelse oervorm al bestond, was ik natuurlijk niet werkelijk de schrijver. Ik was herschepper van het boek.

Om meer zicht te krijgen op dat goeddeels onzichtbare herscheppende vertaalproces besloot ik de problemen te tellen en na te gaan waar en in welke mate mijn onbewuste grip op het boek kreeg. Om een goed beeld te krijgen, berekende ik het aantal problemen per 100 woorden (dus niet per bladzijde, want bladzijden verschillen van elkaar) en zette dat af tegen de pagina’s. Ik begon met hoofdstuk 1 van het boek. In onderstaande grafiek staat links het aantal problemen/100 woorden, en onderaan de paginanummers:

grafiekH1Ishiguro

In het begin had ik dus niet minder dan 9 problemen per 100 woorden! Maar het was een fase in het proces waar ik doorheen moest. Misschien is het wel zo dat je onbewuste als je het helemaal niet meer lijkt te weten pas goed de kans krijgt het over te nemen.

Vervolgens maakte ik net zo’n grafiek van het hele boek; links aantal problemen/100 woorden, en onderaan de hoofdstuknummers:

grafiekHeleBoekIshiguro

Bij deze tweede grafiek moet ik nog aantekenen dat ik meer naar het einde van het boek sterretjes met problemen in de tekst zette niet zozeer omdat het nog zulke problemen waren, maar vaak als middel om mezelf scherp te houden. Zelf sta ik er versteld van hoe weinig problemen er evengoed overbleven: één per honderd woorden.

Vervolgens vroeg ik me natuurlijk af wat die knikjes omhoog beduiden naar hoofdstuk 9, ‘Gawains eerste mijmering’ en naar hoofdstuk 14, ‘Gawains tweede mijmering’. De oplossing van dat raadsel is simpel: Ishiguro hanteert in de hoofdstukken 9 en 14 een totaal andere stijl, rijk en overdreven, waarin hij zich helemaal laat gaan. Mijn onbewuste moest op die plaatsen eerst meer context verstouwen alvorens het de toon te pakken kreeg, en ook in die hoofdstukken alles weer bijna vanzelf ging.

Interessant is misschien nog te vermelden dat ik tijdens die ontmoedigend moeilijke beginfase mijn werkbeursaanvraag inleverde, dus hoog opgaf van de moeilijkheidsgraad van het origineel en zelfs sprak van ‘heksenwerk’, terwijl de beoordelingscommissie de moeilijkheidsgraad, zoals overigens wel vaker bij Ishiguro, vervolgens niet meer dan ‘gemiddeld’ bleek te achten. De waarheid ligt, in al zijn complexiteit, vermoedelijk ergens in het midden.

Aanvankelijk dacht ik dat ik, aan het eind van mijn kladvertaling, het eerste hoofdstuk gewoon zou gaan corrigeren, maar zoals gezegd bleek die tekst onbruikbaar. Toen bedacht ik dat ik hoofdstuk 1 helemaal opnieuw kon gaan vertalen. Behoorlijk wat extra werk, verzuchtte ik eerst nog, maar toen het zover was en ik dat begon te doen, bleek ik hoegenaamd geen probleem met hoofdstuk 1 meer te hebben! Wat ging dat makkelijk. Wél ontdekte ik bijvoorbeeld bij het nalezen dat ik de woorden craggy  en jagged op pagina 1 beide met ‘rotsige’ had vertaald. Dit was weer een goede waarschuwing: het kon ook weer té makkelijk gaan.

Hieronder de eindversie van deze eerste alinea, die dus vrijwel vanzelf tot stand gekomen is, zonder gepieker, moeite of inspanning, inderdaad zoals we als mensen normaal met elkaar praten: rechtstreeks vanuit het onbewuste. Wél: met geduld en toewijding, concentratie, overgave, welbewuste besluiteloosheid, en zo lang als nodig is broeden op zaken die nog problematisch leken, tot ook die zich als vanzelf oplosten.

‘Je zou lang hebben moeten zoeken naar de slingerende weggetjes en serene weilanden waar Engeland later befaamd om werd. In plaats daarvan zag je niets dan verlaten woeste gronden; hier en daar primitieve paden over onherbergzame heuvels en kaal heideland. De meeste wegen die de Romeinen hadden achtergelaten zullen toen al vervallen en overwoekerd zijn geraakt, veelal opgaand in de wildernis. Boven de rivieren en moerassen hingen kille nevels, wat de trollen die toen nog voorkwamen in dit land maar al te goed van pas kwam. De mensen die bij hen in de buurt leefden – je vraagt je af door welk een wanhoop gedreven ze zich op dergelijke sombere plekken vestigden – zullen allicht bang geweest zijn voor die wezens, wier hijgende ademhaling hoorbaar was lang voor hun mismaakte gestalten uit de mist opdoken. Maar dergelijke monsters wekten geen verbazing. De mensen van toen zullen ze beschouwd hebben als een alledaags gevaar, en in die tijd hadden ze zo veel andere zorgen aan hun hoofd. Hoe voedsel te krijgen uit de harde grond; hoe niet zonder brandhout te komen zitten; hoe een eind te maken aan de ziekte die op één dag wel tien varkens kon doen bezwijken en de kinderen groene uitslag op hun wangen bezorgde.’

Het was voor mezelf een verrassing dat je kennelijk juist op deze weg moet doorgaan, ook als het vertrouwen opraakt. Alleen op die manier, zo lijkt het, beland je in een ideaal vertaalproces waarin uiteindelijk alles als vanzelf gaat.

Joost Barbiers 23/2/1949 – 14/11/2015

Het gesprek gaat door. Hij is nog lang niet weg. Soms denk je iets te ontdekken, wat dan een raadsel blijft.

Toewijding

We wisten niet wat je bewoog
en waar je per se heen wilde.
Je praatte zoekend over vissers,
net als jij geroepenen. Ook voor jou
was het een afwachten, een luisteren
en een geloven, tot dat weten werd
en overheersend, heilig moeten.

Hier wordt geen storm getrotseerd.
Die armen, was dat dan jouw bravoure?
Hoe meer je weghakte, hoe machtiger
ze werden. Kan het zijn, Joost,
dat het werktuigen zijn, bevrijders?

Met een zuidwester op staat hij
naar het noordoosten statement
te zijn in musschelkalksteen.
Doordat hij in zwijgen is gehuld
is het dat hij kan blijven spreken.

 

Ishiguro, De rest van de dag

Euforisch was ik toen ik in 1988 van de Arbeiderspers Ishiguro’s The Remains of the Day ter vertaling aangeboden kreeg. Dat bijzondere boek, zo merkte ik bij lezing, was me op het lijf geschreven. Het kon weleens mijn mooiste vertaling worden.

In het contract stond echter een nieuwe voorwaarde: pas na 5000 exemplaren zouden royalty’s worden uitgekeerd in plaats van na 4000 exemplaren. Een verzorgde vertaling leveren kostte zeeën van tijd. Deze luizige korting op een karig loon ervoer ik als een vernedering.

Na een slapeloze nacht besloot ik de redacteur te gaan vertellen dat ik het boek weigerde, hoe het me ook aan mijn hart ging.

De redacteur toonde begrip en zei dat hij het per se door mij wilde laten vertalen. Hij dacht even na en kwam met een voorstel: een stiptheidspremie van 500 gulden. We lachten samen. Hij wist net zo goed als ik dat ik altijd stipt op tijd was met mijn vertalingen. En het ging niet eens om het geld. Mijn eer was gered. Ik kon ja zeggen op een uitzonderlijk mooi boek, waarvan de latere, overigens prachtige film met Anthony Hopkins en Emma Thompson maar een zwakke afspiegeling is.

Ishiguro, De rest van de dag
Kazuo Ishiguro, De rest van de dag

De bewuste redacteur werd later een vooraanstaand uitgever. Soms bestaat gerechtigheid.

 

 

Philip Roth vertalen

Mei 2018 verschijnt van Philip Roth, die opgehouden is met schrijven, de verzamelde non-fictie onder de titel Waarom schrijven? bij de Bezige Bij. Een dikke pil van bijna 500 bladzijden, een deel waarvan bestaand uit de inhoud van het in 1976 verschenen Reading Myself and Others

Het is 1976. Je bent student Nederlands, hebt literaire aspiraties en leeft van een renteloos voorschot dat natuurlijk te snel opgaat. Wat te doen? Literair vertalen trok. Was het niet een stap in de richting van schrijven? Ik had al eens wat voor Amnesty International vertaald en besloot uitgevers te bellen. Van Wout Tieges van Meulenhoff mocht ik een proefvertaling maken.

Dagen lang ploeteren bezorgde me duizelingen en een gigantische koppijn, en een aan alle kanten rammelende proefvertaling. Ik leverde in bij Meulenhoff en had een week later een gesprek. Ik was van plan nee te zeggen, maar Wout Tieges zag er wat in en haalde me over. Als free-lancer (wat klonk dat heerlijk vrij) begon ik aan Philip Roth z’n Reading Myself and Others. Mijn financiële problemen waren opgelost, ook al doordat ik nu bijna geen tijd meer had om geld uit te geven (een onontbeerlijk pre van het vrije beroep van literair vertaler).

Een half jaar lang draaide mijn leven daar in de studentenflat aan de Rustenburgerdwarsstraat om dat boek met zijn ellenlange worstzinnen. Buren en vrienden hielpen me waar mogelijk met het oplossen van de enorme vertaalproblemen waarvoor ik gesteld werd door wat ik toen hield voor een van de beste schrijvers ter wereld.

Ik weet nu dat het voor vertalers geen gewild boek was: moeilijk en moeilijk verkoopbaar. Het werd ook geen mooie vertaling, al leerde ik er veel van. Later leerde ik Roth vertalen en mocht ik hem blijven vertalen…

Het kind dat beschermt

‘Het kind dat beschermt’, door Koen Eykhout

Michiel uit De herfst zal schitterend zijn van Jan Siebelink is een loner. Na zijn afgebroken studie Frans gaat hij met bijna niemand meer om. Alleen met zijn dochtertje Yvonne en met de zwakbegaafde buurjongen Henk, die nummerborden noteert van passerende auto’s in de villawijk. Met Henk praat Michiel veel gemakkelijker dan met volwassenen. Zo’n anders begaafde jongen is ook Bennie uit Claus’ De metsiers. Bennie is de troost van zijn halfzusje Ana, maar ook haar beschermer tegen de smeerlappen in het dorp waar ze wonen. Dat het haar geen zier helpt, is evident. Het beeld van een simpele jongen als totem of talisman wordt in de literatuur veel gebruikt. Ook filmers zijn er niet vies van, denk maar aan de banjospeler uit Deliverance. Bennie en Henk hebben er een broer bij, een prachtjongen, hij is vijftien, hij heet Guus en hij woont in Hollandse fado van Bartho Kriek. Diens eerste boek Het ijzeren heden bleef vrijwel onopgemerkt, maar Hollandse fado zal ongetwijfeld een barmhartiger lot beschoren zijn.

Hollandse fado, Atlas 2000
Hollandse fado

Guus is de zoon van Koos Huizing in deze roman vol weemoed en verlangen. Koos wil naar zee, maar Koos is getrouwd met Jet en vader van Guus, Bennie en José en dus gaat Koos niet naar zee, maar werkt Koos op een kafkaesk kantoor. Het is 1958 en dan ga je niet zo makkelijk weg bij vrouw en kinderen. Dat jaartal is goed gekozen door Kriek want het ligt precies tussen het oude en het nieuwe. Het oude Nederland van Ons Indië en stille Ot en Siendorpjes wordt vertegenwoordigd door Koos’ vader, die weigert gebruik te maken van de nieuwe tunnel onder het Noordzeekanaal. Koos’ vrouw Jet daarentegen is voor alle vooruitgang. Ze verbetert pa als hij praat over Indië: Indonesië heet dat. Koos zelf wil alleen maar weg. Hij komt echter niet verder dan de vlucht van zijn verbeelding: de Portugese blues in de fadogezangen van Amália Rodrigues. De melancholische klanken verzachten zijn hoofdpijn. Koos zit klem. Thuis maar ook op zijn werk. Weggaan lukt hem niet, want hij meent dat hij zijn kinderen moet beschermen, vooral de arme Guus die geen goed kan doen bij zijn moeder.

Maar dan laat Kriek de boel kantelen. Door enkele subliem geschreven scènes voel je dat de rollen anders liggen. Guus beschermt zijn vader en niet andersom. Tijdens een wandeling met Guus voelt Koos hoe zijn grote mannenhand hangt als die van een kind in de hand van Guus, die zijn vader ondeugend lachend aankijkt en een kneepje geeft. Koos beseft dat hij Guus nodig heeft. ’s Nachts breekt hem het koude zweet uit bij de gedachte dat ook Guus ooit zal sterven: ‘Guus zal doodgaan. Voor het eerst in vijftien jaar dringt het tot Huizing door dat Guus naar momenten toe leeft waarin alles en iedereen hem zal hebben verlaten. In eenzaamheid zal Guus zijn laatste worsteling doormaken.’

Zover is het echter nog niet. Eerst moet Guus zijn vader niet slechts beschermen maar ook genezen. Als Koos vrijwel helemaal verstijft van de spanning, versteent als eens Mulisch’ Sergeant Massuro, en in het ziekenhuis belandt, voelt hij Guus’ helende handen: ‘Dan is het of de handen van Guus uiterst gevoelig worden voor wat zich in Huizings lijf afspeelt. (…) En Huizing voelt de stijfheid wegtrekken.’ Hollandse fado bevat meer melodieën dan dit warme lied over de grote jongen en zijn vader, maar voor mij zal het altijd het verhaal blijven van Guus die zijn vader redt, een van die verhalen waar je een tijdje in kunt geloven. Verhalen die je nodig hebt staat er in het boek, want er zijn alleen maar verhalen, sommige wat echter dan andere. Hollandse fado is zo’n echt verhaal. Over kinderen en wat ze te bieden hebben: bescherming. Prachtig.

Bartho Kriek – Hollandse fado. Uitgeverij Atlas, 270 blz. ISBN 9045003201. Vrijdag, 19 mei 2000 © Dagblad De Limburger

‘Verlaat mij niet’

Het ijzeren heden, De Morgen 17-9-98, door Joris Gerits

De titel van Geerten Meijsings begin dit jaar verschenen en goed onthaalde roman Tussen mes en keel was een verwijzing naar de zeventiende-eeuwse Anatomy of Melancholy. Daarin schreef Robert Burton dat alleen Gods zegen “may come betwixt the bridge and the brook, the knife and the throat”. Het romandebuut van vertaler Bartho Kriek (1950) had met een verwijzing naar hetzelfde citaat Tussen brug en baai kunnen heten: zijn hoofdpersonage, Albert Vijfhuizen, stapt in het midden van de Golden Gate-brug in San Francisco net niet over de reling, hoewel hij dat in gedachten al vaak heeft gedaan. De reden waarom hij niet springt is nogal sullig: op het ogenblik dat hij zich wil optrekken aan de borstwering duwt een mannetje hem een microfoon onder de neus met de vraag hoe het voelt de achthonderdste in de rij te worden sinds 1937.

Bartho Kriek heeft Het ijzeren heden als titel gekozen, verwijzend naar de gedachten van het hoofdpersonage tijdens zijn verdere wandeling naar San Francisco na zijn gestaakte zelfmoordpoging: “Terwijl ik de bebouwde kom in wandel, bedenk ik dat het voorval op de brug zo’n moment geweest kan zijn dat we maar een enkele maal in ons leven meemaken, namelijk een moment van algehele ommekeer. Alles zal daarna anders zijn, geleden leed hoeft niet meer de kop op te steken, crises en catastrofen behoren tot het verleden, liggen definitief achter je. Het heden, dat na dat voorval aanvangt, raakt vanzelf vervuld van mogelijkheden en vreugden, genietingen en hoogtepunten.”

Het ijzeren heden, Atlas 1998
Het ijzeren heden

Maar er komen na het citaat nog vijf hoofdstukken, en Albert maakt onder meer nog een uitstapje naar Antwerpen waar hij een revolver koopt. Die hij op de slotbladzijde echter nog altijd niet gebruikt heeft.

Krieks hoofdpersonage is niet zo uitgesproken manisch-depressief als Erik Provenier in Tussen mes en keel of de ik-figuur in het eveneens pas verschenen autobiografische Liefde is een zwaar beroep van Rogi Wieg. Albert Vijfhuizen is veeleer een achtenzestiger die zich niet thuis voelde in het burgerlijke gezin waarin hij de jongste van drie kinderen was. Met zijn vader en oudere broer wou hij de machtsstrijd in het familiebedrijf niet aangaan. Hoewel Albert een hogere technische opleiding voltooid heeft, gaf hij de voorkeur aan een baantje als chauffeur, nadien als postbode. Maar het ging telkens mis. Ook relaties met vrouwen die van hem hielden zijn plots afgebroken.

Via gesprekken met een vriend en oud-klasgenoot van hem, een schrift waarin hij op aanraden van een therapeut zijn “hele leven” opgetekend heeft en herinneringen die bij hem opkomen als hij wandelt langs de plaatsen die in zijn jeugd een belangrijke rol hebben gespeeld – het ouderlijk huis, de school, het fabrieksterrein – kom je stukje bij beetje te weten waarom Alberts pogingen om een normaal leven te leiden mislukt zijn. Vage aanwijzingen als “een verloren geliefde”, “een recente beroving in het buitenland”, “talrijke verblijven in het Sancta” krijgen geleidelijk scherpe contouren. Maar waarom in Albert op bepaalde momenten zo’n grote woede oplaait dat hij in één klap al wat hij heeft opgebouwd vernietigt, blijft onopgehelderd.

Wat hem overkomt doet denken aan wat Hans Andreus heeft beschreven in zijn autobiografische roman Denise. Waarom krijgt een man tijdens een zomervakantie op Elba plots de aandrang om zijn geliefde naar de keel te vliegen? De vraag is nadien beantwoord, maar het is nooit meer goedgekomen tussen Andreus en Odile Liénard. Uit de analyse later is gebleken dat voor de dichter een bedreiging uitging van mensen die hem het meest nabij waren. En dat gevoel van bedreiging kon in een periode van depressie tot sterk agressieve erupties leiden. De diepere oorzaak zou een onverwerkte en zeer hevige verlatingsangst zijn.

Ook Albert Vijfhuizen lijkt daardoor gekweld te worden. Geregeld duiken herinneringen op aan de beslissing van zijn ouders om hem naar een kostschool te sturen. Het heeft zijn relatie met zijn moeder grondig verstoord. De schuldgevoelens daarover van de moeder, neergeschreven op enkele dagboekblaadjes die Albert na haar dood gevonden heeft, maken duidelijk dat de kern van Alberts psychische problemen daarin gelegen is.

Opvallend in Het ijzeren heden is de grote beheersing waarmee en de haast gelukkige toon waarop de hoofdfiguur over zijn echec en zijn zelfmoordneigingen spreekt. De roman mag dan al gaan over de neurose, paranoia en paniek van een man in deze tijd, hij vliegt de lezer niet naar de keel. De hoofdpersoon is tot een gerijpt inzicht en een stoïcijnsche berusting in zijn verdere levenslot gekomen.

Tussen de slotregel van het eerste hoofdstuk “Er zijn genoeg redenen om het leven opgewekt tegemoet te treden” en de afsluitende zin van de roman “De avondhemel schrijnt” lijkt geen tegenspraak meer. Er is geluk èn ongeluk, zin èn onzin, vrede èn onvrede in dit bestaan en zelfs in ongeveer gelijke mate. Indien Albert alsnog zou beslissen een eind aan zijn leven te maken, dan zou die beslissing niet louter het gevolg zijn van het verlangen om voorgoed te ontsnappen aan psychische kwellingen, maar evenzeer van het filosofische inzicht dat alleen een vorm van geloof iemand ervan kan weerhouden om aan dit Sisyphusbestaan een einde te maken.

In Het ijzeren heden confronteert de auteur de roomse jeugd van zijn hoofdpersonage met de mentaliteit van zijn generatie (’68), de toenemende psychische druk van de maatschappij en een indringende reflectie over de zin van het leven zonder meer. Om zo’n onderneming literair tot een goed einde te brengen moet de auteur over levenservaring en stilistische kwaliteiten beschikken. Bartho Kriek bezit beide.

6 tips om je Nederlands te verbeteren

Raar maar waar

Voor (beginnende) vertalers en ondertitelaars is en blijft de kwaliteit van het Nederlands een groot probleem. Voor veel andere Nederlanders trouwens ook.

Een vorig bericht van mij, ‘5 manieren om los te komen van de brontaal’, heeft hier zijdelings mee te maken. Om de kwaliteit van je Nederlands zelf te verbeteren kun je de volgende dingen doen:

Het is te doen, je de/het goed gebruiken

  1. Veel Nederlandse romans lezen, liefst niet de allernieuwste. Je passieve Nederlands, je taalgevoel in feite, gaat er enorm van vooruit, mede doordat allerlei weggezakte zaken al lezende opnieuw tot leven worden gewekt.
  2. Een abonnement op een goede krant nemen en die ook elke dag lezen.
  3. Bij twijfel dingen opzoeken in de Van Dale en andere degelijke naslagwerken.
  4. Bij zo ongeveer alle taalkwesties: de adviespagina’s van Onze Taal raadplegen, http://www.onzetaal.nl/taaladvies Allerlei veelgemaakte fouten met  hun/hen, welk voorzetsel bij een werkwoord te gebruiken enzovoort kun je hier terugvinden, voorkomen en afleren.
  5. Heb je problemen met de/het, koop en benut dan het boekje Het is te doen van Marian Hoefnagel. Binnen enkele weken doe je het bijna altijd goed.
  6. Abonneer je op Beter Spellen: http://www.beterspellen.nl/website/index.php en doe vijf dagen per week een kleine test.

5 manieren om los te komen van de brontaal

Een van de moeilijkste dingen voor veel beginnende vertalers en ondertitelaars is het loskomen van de brontaal, die hun enige echte houvast is. Vaak draait het uit op een zich jaren voortslepend proces met veel negatieve feedback van eindredacties.

Dit zijn vijf simpele manieren om dat proces enorm te verbeteren en te versnellen:

  1. Zet je af tegen de brontaal. Leer jezelf sowieso af om de eerste woorden direct uit de brontaal vertaald over te typen (een veel gemaakte fout, waardoor je jezelf aan de brontaal vastketent). Eén voorbeeld van je afzetten: ‘I don’t believe it!’ niet vertalen met ‘Ik geloof het niet.’ maar met ‘Dat lijkt me stug.’ of ‘Ik geloof er geen barst van.’ enzovoort.
  2. Leef je in in de tekst en de situaties. Zeg wat jij als Nederlander in die situatie zou zeggen of verklaren.
  3. Proef uitdrukkingen op de tong en lees je werk hardop voor. Als je dit doet, vergeet je even dat je aan het vertalen bent en word je weer de authentieke Nederlandse taalgebruiker die je eigenlijk bent en die grappig genoeg veel beter kan omzetten dan de vertaler in je.
  4. Deel je werk op in fasen en neem pauzes ertussen. Maak eerst een complete kladversie (dus niet zin voor zin meteen gaan zitten herlezen en verbeteren want dan krijg je geen afstand tot de tekst). 2e fase, zonodig: research. 3e fase, bij voorkeur na verloop van tijd: nalezen en corrigeren.  4e fase: nogmaals nalezen en corrigeren. 5e fase: je vertaling hardop nalezen. Laatste fase: spellingscontrole.
  5. Bouw een arsenaal op van omzettingen en do’s en don’ts. Hou een lijst bij van goede omzettingen, plus een lijst met dingen die je beslist niet moet doen: zoals bijvoorbeeld ‘what’s going on?’ blind vertalen met ‘wat is er gaande?’ of ‘that sounds more like it’ met ‘dat klinkt er meer naar’ – dit laatste hybride Engerlands komt uit de ondertiteling van de zeer leuke docufilm Catfish, die door de VPRO met zeer belabberde ondertiteling is uitgezonden (met veel ‘warenhuizen’ in plaats van ‘pakhuizen’ en zo).