Ana en Pollyanna

Een miniatuur-i.m. en een tip voor vertalers en uitgevers
Eleanor Hodgman Porter (1868 - 1920)
Eleanor H. Porter

Bij allerlei dingen in het leven was het ‘Net als Pollyana’, ‘Dat zou Pollyanna ook hebben gezegd’ enzovoort. En ik herinner me wel gevraagd te hebben: ‘Wie is die Pollyanna dan?’ Waarop Ana verbijsterd antwoordde, alsof iedereen Pollyanna als bestaand persoon kende: ‘Ken je die dan niet? Pollyanna, van die bekende Amerikaanse boeken!’ Maar ik kende ze niet. Ik wist niet eens wat voor boeken dat waren. En ik nam net zo min als alle anderen niet het initiatief om eens op internet te kijken. Tot het te laat was.

Ana is er sinds 22 april jongstleden niet meer. Maar hier, bij haar zuster Graça in São Luís, Brazilië, lag Ana’s exemplaar, met voorin nog door Ana beschreven geeltjes over bepaalde passages die haar extra aanspraken. Deze door die ene lezeres veel gelezen Portugese versie lag te wachten op de eerstvolgende lezer. En door een vreemd soort pijn heen werd ik dat.

Pollyanna, oudere Portugese vertaling
Eleanor Porter, Pollyanna

Pollyanna is officieel een meisjesboek, geschreven door Eleanor H. Porter (1865 – 1920) en voor het eerst gepubliceerd in 1907. En Pollyanna is zo fris en levend als een boek maar zijn kan. Wat ben ik blij dat ik haar gevonden heb.

Pollyana komt als 11-jarig weeskind bij haar strenge, onvriendelijke tante wonen, en binnen luttele weken haalt ze uit alle nieuwe mensen het beste naar boven. En de manier waarop ze dat doet! Onder andere met het spel dat haar vader haar nog heeft geleerd: om in elke situatie, hoe erg en moeilijk ook, toch iets te ontdekken dat tot tevredenheid of blijheid kan stemmen. Sommigen gaan bewust het door haar gepropageerde spel spelen, anderen nemen het over, zoals Pollyanna zegt, zonder dat ze het zelf weten. En de lezer van Pollyanna? Die wordt weer als een kind: eenvoudig, ontvankelijk en tot blijheid geneigd.

Maar met deze lezer gebeurt nog iets. Al lezend ontdek ik: Ana leek op Pollyanna, was net zo’n affe, autonome en onschuldig gebleven persoon. En regelmatig schiet ik al lezend vol, net als veel personages in Pollyanna op allerlei momenten. Ik begrijp nu waarom Ana zo vaak naar Pollyanna verwees. Wat jammer dat niemand anders Pollyanna las en Pollyana met haar kon delen! Maar, zoals Pollyanna haar spel spelend zou kunnen zeggen: ‘Wat fijn dat jullie dat favoriete boek van haar toch nog hebben ontdekt!’

Ana’s naam alleen al roept bij iedereen het grote verdriet op. Maar omdat veel stukken van haar Pollyanna zo bijzonder zijn en zozeer getuigen van haar, Ana’s levensstijl dat ik ze als deel van haar erfenis begin te zien, ben ik ze hier toch begonnen te vertellen – aan Graça, aan Ana’s moeder, aan haar neef. Hele passages blijk ik zomaar te kunnen navertellen, iets waar ik anders niet goed in ben… tot mijn stem breekt omdat gedachten aan Ana erbij komen. Dan is het even wachten geblazen voor ik weer verder kan. En uiteindelijk kunnen we om Pollyanna en wat ze allemaal meemaakt lachen.

Curieuze details

Eleanor H. Porter overleed op 52-jarige leeftijd. Een tikje bevreemd ontdekte ik deze overeenkomst: Ana Rosa in haar 52e levensjaar. Nog wat vreemder werd het toen ik op internet dit stukje las:

Het boek dat meerdere malen verfilmd is, is nauwelijks meer te krijgen en mag onder de klassiekers worden gerekend. Het fantastische gevoel dat ik aan het boek heb overgehouden is mij altijd bijgebleven, zelfs nu, op mijn tweeënvijftigste nog, terwijl ik de inhoud van het boek op internet heb moeten nazoeken. Helaas heb ik het boek dus niet meer, maar als ik het ergens zou tegenkomen, zou ik het zeker kopen.
Hilda Spruit
Deze hommage is speciaal geschreven voor de Kinderboekenweek 2013

Van Graça hoorde ik trouwens dat Ana niet allebei de boeken even goed vond. Het vervolg is Pollyanna moça (Pollyanna groeit op). Er lag een grote stapel van hier in een boekhandel in São Luís, dus we konden het kopen. Nu ik het gelezen heb, durf ik te stellen dat Ana’s favoriete boek Pollyanna was. Dat boek is weergaloos (ondanks de sentimenten), en geen vervolg zou er ooit aan kunnen tippen.

Portugese vertaling van 'Pollyanna grows up'
Eleanor Porter, Pollyanna moça

Graça vertelde me nog wat mij in de loop der tijd ook al was opgevallen: overal waar Ana ging werken, had binnen luttele weken iedereen het over haar, met een zelfde soort verwondering en innigheid als die welke Pollyanna bij personages én lezers opwekt. Ook Ana haalde het beste in mensen naar boven met haar positieve, gevende houding.

Tip voor uitgevers en vertalers

Van deze klassieker, dacht ik, zullen toch wel meerdere edities in de Nederlandse boekhandel verkrijgbaar zijn? Helemaal niet! En dat al heel lang. Dus, vertalers en uitgevers, ligt hier geen kans op een succesvolle herontdekking? Bij voorkeur dan een goede vertaling, liever geen hertaling, en beslist niet als boek voor uitsluitend meisjes, maar als boek voor kinderen van 8 tot 80.

Het kind dat beschermt

‘Het kind dat beschermt’, door Koen Eykhout

Michiel uit De herfst zal schitterend zijn van Jan Siebelink is een loner. Na zijn afgebroken studie Frans gaat hij met bijna niemand meer om. Alleen met zijn dochtertje Yvonne en met de zwakbegaafde buurjongen Henk, die nummerborden noteert van passerende auto’s in de villawijk. Met Henk praat Michiel veel gemakkelijker dan met volwassenen. Zo’n anders begaafde jongen is ook Bennie uit Claus’ De metsiers. Bennie is de troost van zijn halfzusje Ana, maar ook haar beschermer tegen de smeerlappen in het dorp waar ze wonen. Dat het haar geen zier helpt, is evident. Het beeld van een simpele jongen als totem of talisman wordt in de literatuur veel gebruikt. Ook filmers zijn er niet vies van, denk maar aan de banjospeler uit Deliverance. Bennie en Henk hebben er een broer bij, een prachtjongen, hij is vijftien, hij heet Guus en hij woont in Hollandse fado van Bartho Kriek. Diens eerste boek Het ijzeren heden bleef vrijwel onopgemerkt, maar Hollandse fado zal ongetwijfeld een barmhartiger lot beschoren zijn.

Hollandse fado, Atlas 2000
Hollandse fado

Guus is de zoon van Koos Huizing in deze roman vol weemoed en verlangen. Koos wil naar zee, maar Koos is getrouwd met Jet en vader van Guus, Bennie en José en dus gaat Koos niet naar zee, maar werkt Koos op een kafkaesk kantoor. Het is 1958 en dan ga je niet zo makkelijk weg bij vrouw en kinderen. Dat jaartal is goed gekozen door Kriek want het ligt precies tussen het oude en het nieuwe. Het oude Nederland van Ons Indië en stille Ot en Siendorpjes wordt vertegenwoordigd door Koos’ vader, die weigert gebruik te maken van de nieuwe tunnel onder het Noordzeekanaal. Koos’ vrouw Jet daarentegen is voor alle vooruitgang. Ze verbetert pa als hij praat over Indië: Indonesië heet dat. Koos zelf wil alleen maar weg. Hij komt echter niet verder dan de vlucht van zijn verbeelding: de Portugese blues in de fadogezangen van Amália Rodrigues. De melancholische klanken verzachten zijn hoofdpijn. Koos zit klem. Thuis maar ook op zijn werk. Weggaan lukt hem niet, want hij meent dat hij zijn kinderen moet beschermen, vooral de arme Guus die geen goed kan doen bij zijn moeder.

Maar dan laat Kriek de boel kantelen. Door enkele subliem geschreven scènes voel je dat de rollen anders liggen. Guus beschermt zijn vader en niet andersom. Tijdens een wandeling met Guus voelt Koos hoe zijn grote mannenhand hangt als die van een kind in de hand van Guus, die zijn vader ondeugend lachend aankijkt en een kneepje geeft. Koos beseft dat hij Guus nodig heeft. ’s Nachts breekt hem het koude zweet uit bij de gedachte dat ook Guus ooit zal sterven: ‘Guus zal doodgaan. Voor het eerst in vijftien jaar dringt het tot Huizing door dat Guus naar momenten toe leeft waarin alles en iedereen hem zal hebben verlaten. In eenzaamheid zal Guus zijn laatste worsteling doormaken.’

Zover is het echter nog niet. Eerst moet Guus zijn vader niet slechts beschermen maar ook genezen. Als Koos vrijwel helemaal verstijft van de spanning, versteent als eens Mulisch’ Sergeant Massuro, en in het ziekenhuis belandt, voelt hij Guus’ helende handen: ‘Dan is het of de handen van Guus uiterst gevoelig worden voor wat zich in Huizings lijf afspeelt. (…) En Huizing voelt de stijfheid wegtrekken.’ Hollandse fado bevat meer melodieën dan dit warme lied over de grote jongen en zijn vader, maar voor mij zal het altijd het verhaal blijven van Guus die zijn vader redt, een van die verhalen waar je een tijdje in kunt geloven. Verhalen die je nodig hebt staat er in het boek, want er zijn alleen maar verhalen, sommige wat echter dan andere. Hollandse fado is zo’n echt verhaal. Over kinderen en wat ze te bieden hebben: bescherming. Prachtig.

Bartho Kriek – Hollandse fado. Uitgeverij Atlas, 270 blz. ISBN 9045003201. Vrijdag, 19 mei 2000 © Dagblad De Limburger

‘Verlaat mij niet’

Het ijzeren heden, De Morgen 17-9-98, door Joris Gerits

De titel van Geerten Meijsings begin dit jaar verschenen en goed onthaalde roman Tussen mes en keel was een verwijzing naar de zeventiende-eeuwse Anatomy of Melancholy. Daarin schreef Robert Burton dat alleen Gods zegen “may come betwixt the bridge and the brook, the knife and the throat”. Het romandebuut van vertaler Bartho Kriek (1950) had met een verwijzing naar hetzelfde citaat Tussen brug en baai kunnen heten: zijn hoofdpersonage, Albert Vijfhuizen, stapt in het midden van de Golden Gate-brug in San Francisco net niet over de reling, hoewel hij dat in gedachten al vaak heeft gedaan. De reden waarom hij niet springt is nogal sullig: op het ogenblik dat hij zich wil optrekken aan de borstwering duwt een mannetje hem een microfoon onder de neus met de vraag hoe het voelt de achthonderdste in de rij te worden sinds 1937.

Bartho Kriek heeft Het ijzeren heden als titel gekozen, verwijzend naar de gedachten van het hoofdpersonage tijdens zijn verdere wandeling naar San Francisco na zijn gestaakte zelfmoordpoging: “Terwijl ik de bebouwde kom in wandel, bedenk ik dat het voorval op de brug zo’n moment geweest kan zijn dat we maar een enkele maal in ons leven meemaken, namelijk een moment van algehele ommekeer. Alles zal daarna anders zijn, geleden leed hoeft niet meer de kop op te steken, crises en catastrofen behoren tot het verleden, liggen definitief achter je. Het heden, dat na dat voorval aanvangt, raakt vanzelf vervuld van mogelijkheden en vreugden, genietingen en hoogtepunten.”

Het ijzeren heden, Atlas 1998
Het ijzeren heden

Maar er komen na het citaat nog vijf hoofdstukken, en Albert maakt onder meer nog een uitstapje naar Antwerpen waar hij een revolver koopt. Die hij op de slotbladzijde echter nog altijd niet gebruikt heeft.

Krieks hoofdpersonage is niet zo uitgesproken manisch-depressief als Erik Provenier in Tussen mes en keel of de ik-figuur in het eveneens pas verschenen autobiografische Liefde is een zwaar beroep van Rogi Wieg. Albert Vijfhuizen is veeleer een achtenzestiger die zich niet thuis voelde in het burgerlijke gezin waarin hij de jongste van drie kinderen was. Met zijn vader en oudere broer wou hij de machtsstrijd in het familiebedrijf niet aangaan. Hoewel Albert een hogere technische opleiding voltooid heeft, gaf hij de voorkeur aan een baantje als chauffeur, nadien als postbode. Maar het ging telkens mis. Ook relaties met vrouwen die van hem hielden zijn plots afgebroken.

Via gesprekken met een vriend en oud-klasgenoot van hem, een schrift waarin hij op aanraden van een therapeut zijn “hele leven” opgetekend heeft en herinneringen die bij hem opkomen als hij wandelt langs de plaatsen die in zijn jeugd een belangrijke rol hebben gespeeld – het ouderlijk huis, de school, het fabrieksterrein – kom je stukje bij beetje te weten waarom Alberts pogingen om een normaal leven te leiden mislukt zijn. Vage aanwijzingen als “een verloren geliefde”, “een recente beroving in het buitenland”, “talrijke verblijven in het Sancta” krijgen geleidelijk scherpe contouren. Maar waarom in Albert op bepaalde momenten zo’n grote woede oplaait dat hij in één klap al wat hij heeft opgebouwd vernietigt, blijft onopgehelderd.

Wat hem overkomt doet denken aan wat Hans Andreus heeft beschreven in zijn autobiografische roman Denise. Waarom krijgt een man tijdens een zomervakantie op Elba plots de aandrang om zijn geliefde naar de keel te vliegen? De vraag is nadien beantwoord, maar het is nooit meer goedgekomen tussen Andreus en Odile Liénard. Uit de analyse later is gebleken dat voor de dichter een bedreiging uitging van mensen die hem het meest nabij waren. En dat gevoel van bedreiging kon in een periode van depressie tot sterk agressieve erupties leiden. De diepere oorzaak zou een onverwerkte en zeer hevige verlatingsangst zijn.

Ook Albert Vijfhuizen lijkt daardoor gekweld te worden. Geregeld duiken herinneringen op aan de beslissing van zijn ouders om hem naar een kostschool te sturen. Het heeft zijn relatie met zijn moeder grondig verstoord. De schuldgevoelens daarover van de moeder, neergeschreven op enkele dagboekblaadjes die Albert na haar dood gevonden heeft, maken duidelijk dat de kern van Alberts psychische problemen daarin gelegen is.

Opvallend in Het ijzeren heden is de grote beheersing waarmee en de haast gelukkige toon waarop de hoofdfiguur over zijn echec en zijn zelfmoordneigingen spreekt. De roman mag dan al gaan over de neurose, paranoia en paniek van een man in deze tijd, hij vliegt de lezer niet naar de keel. De hoofdpersoon is tot een gerijpt inzicht en een stoïcijnsche berusting in zijn verdere levenslot gekomen.

Tussen de slotregel van het eerste hoofdstuk “Er zijn genoeg redenen om het leven opgewekt tegemoet te treden” en de afsluitende zin van de roman “De avondhemel schrijnt” lijkt geen tegenspraak meer. Er is geluk èn ongeluk, zin èn onzin, vrede èn onvrede in dit bestaan en zelfs in ongeveer gelijke mate. Indien Albert alsnog zou beslissen een eind aan zijn leven te maken, dan zou die beslissing niet louter het gevolg zijn van het verlangen om voorgoed te ontsnappen aan psychische kwellingen, maar evenzeer van het filosofische inzicht dat alleen een vorm van geloof iemand ervan kan weerhouden om aan dit Sisyphusbestaan een einde te maken.

In Het ijzeren heden confronteert de auteur de roomse jeugd van zijn hoofdpersonage met de mentaliteit van zijn generatie (’68), de toenemende psychische druk van de maatschappij en een indringende reflectie over de zin van het leven zonder meer. Om zo’n onderneming literair tot een goed einde te brengen moet de auteur over levenservaring en stilistische kwaliteiten beschikken. Bartho Kriek bezit beide.