Laozi, Daodejing

De Daodejing – een samenspel van hoofdstukken

Een van de redenen dat de Daodejing ondoorgrondelijk lijkt is het feit dat de 81 hoofdstukken hun ware betekenis pas prijsgeven als ze allemaal tegelijk worden meegenomen in de interpretatie. In de Daodejing is overal sprake van een samenspel van de allemaal min of meer met elkaar verweven hoofdstukken.

Ons bewuste brein is hiertoe niet in staat, maar ons onbewuste kan dat wel. Als we de Daodejing maar blijven lezen, elke dag een beetje, nooit zonder concentratie, een hoofdstuk lezen in tram, bus, trein, vliegtuig, wachtkamers en perrons, dan dringen we langzaam in de Daodejing door.

Lezen van de Daodejing om snel klaarheid te krijgen, werkt averechts; de Daodejing zal je dan ontgaan. De precisie die wij westerlingen met taal vaak nastreven, zul je voor een goed begrip van de Daodejing moeten afleggen. Dan kun je nauwelijks (precies) te benoemen zaken gaan doorgronden.

Neem het begrip ‘wu-wei’, niet-doen. Pas als je als lezer dit begrip zoals gebruikt in onder andere de hoofdstukken 2, 3, 10, 27, 37, 38, 43, 47, 48, 51, 53, 57, 63, 64, 74, 80, 81 goed tot je hebt laten doordringen, kun je beginnen te begrijpen wat er wordt bedoeld.

En daarna kun je het misschien gaan toepassen en dingen inderdaad vanzelf laten gebeuren omdat je kunt leren aansluiting te vinden bij het natuurlijke, dat wat vanzelf zo gaat, zonder nog te forceren. Zo schrijft een goed schrijver een boek, zo voedt een goede ouder een kind op – allemaal als vanzelf, zoals de Weg doet: zonder te doen.

Laozi, Daodejing, Atlas 2010
Laozi, Daodejing
Wat deze vertaling extra interessant maakt

Hij is gemaakt met behulp van het klassiek Chinees zoals dat op de Wengu-site staat en dat in de loop van de vele eeuwen waarin de Daodejing ontstond  uiteraard sterk veranderde, en waarin sinologen misschien nog wel meer verdwalen dan ‘gewone’ vertalers.

Wat heb ik nu gedaan? Allereerst begon ik aan mijn Daodejing-tekst  met de Wengu-site en verder met zeer veel Nederlandse en Engelse vertalingen, plus enkele Duitse en Franse. En gaandeweg ontdekte ik dat ik met mijn lange en uitgebreide ervaring als vertaler kon merken en vaststellen, níet zozeer welke ‘vertalingen’  goed waren als wel welke slecht waren, echt te slecht om als hulpmiddel in te zetten. Geleidelijk vielen zo steeds meer teksten, waaronder gerenommeerde, simpelweg af. Dit concept, ervaren vertaler die zijn bronnen langzaam maar heel zeker schift, is ook in andere taalgebieden toepasbaar voor vertalers met veel vertaalervaring én met een passie voor de Daodejing.

Ik durf te beweren dat met deze aanpak de kans op een goede ‘vertaling’ groter maakt dan via veel studie je verliezen in de mer à boire van edities en studies die er inmiddels van deze teksten bestaat.

En mijn droom is het dat dit concept ook in talen als het Engels en het Portugees toepassing vindt.

Nawoord bij de Atlas-uitgave
Soorten vertalingen

De tot dusver verschenen Nederlandse vertalingen van de Daodejing zijn onder te verdelen in twee categorieën:

  1. De van uitgebreide aantekeningen voorziene vertalingen van sinologen. Een nadeel van deze vertalingen is dat ze de lezer dwingen rationeel-kritisch met de tekst om te gaan in plaats van zich eraan over te geven.
  2. De talrijke uitgaven uit het Engels en andere talen. Vaak wijken deze teksten sterk af van de oorspronkelijke Daodejing en bevatten ze veel omschrijvingen, verfraaiingen en uitleg. Het zijn deze ‘versies’ die hier vooral over de toonbank gaan en geciteerd worden in kranten, glossy’s en overlijdensadvertenties.

Deze uitgave wil een lacune vullen als zijnde een vertaling die dicht bij het origineel blijft en die niet gemaakt is om te bestuderen maar om je als lezer aan over te geven en zo zelf de Daodejing te ontdekken. Hoe gaat dat ontdekken in zijn werk? Bij de eerste twee regels van hoofdstuk XVIII in deze vertaling, ‘Waar de grote Weg in onbruik raakt, ontstaan medemenselijkheid en gerechtigheid.’, zal de lezer de volgende gedachtegang kunnen krijgen: ‘Hoe kan dat? Iets goeds als “de Weg” raakt in onbruik en daaruit ontstaan positieve dingen als medemenselijkheid en gerechtigheid? O, dan wordt zeker bedoeld dat medemenselijkheid en gerechtigheid dan niet meer vanzelf spreken, of dat ze alleen maar zogenaamd beleden worden.’ Er zitten veel van dit soort gedachtesprongen in de Daodejing, en onder andere daardoor is de tekst zo boeiend.

Spelling

Sinds de invoering van het pinyin-systeem om de Chinese karakters in westers alfabet om te zetten, worden veel namen anders gespeld: Peking is Beijing geworden, Lau-tse is Laozi geworden en Tao-Te-Tjing is Daodejing geworden. Echter ‘taoïsme’ en ‘tai chi’ zijn gebleven omdat ze ingeburgerd zijn.

Datering, auteurschap en titel

De Daodejing dateert ruwweg uit de 4e eeuw v.Chr., na een honderden jaren durende periode van oorlogen in China. Lang heeft men gedacht dat Laozi een oudere tijdgenoot was van Confucius (551-479). Dat is een misvatting gebleken.

Pas in de 6e eeuw na Christus ontstond de huidige titel, Jing van Dao en De (Boek van de Weg en de Kracht), waarbij Dao en De de eerste karakters zijn van de twee delen. Er zijn door de eeuwen heen zeer verschillende versies van de Daodejing in omloop geweest. Hoogstwaarschijnlijk is de huidige Daodejing een anthologie, met bijdragen van auteurs uit verschillende tijdperken.

De klassieke Chinese tekst

De Daodejing is overgeleverd op zijde en op smalle latjes van hout of bamboe. Er is sprake van oudere en jongere tekstgedeelten door elkaar, er zijn veel reconstructies gemaakt, en er is niet één uitgave zonder talrijke onopgehelderde passages.

De eerste regel van de Daodejing luidt in het klassieke Chinees:

道 可 道 非 常 道

Volgens het pinyin-systeem omgezet wordt dit:

dào kě dào fēi cháng dào

En een woordelijke vertaling is dan:

Weg kunnen Weg niet eeuwige Weg

Of, omdat dào ook ‘spreken’ kan betekenen:

Weg kunnen spreken niet eeuwige Weg

De regel bestaat uit niet meer dan die zes Chinese karakters. De Daodejing bevat geen leestekens (behalve een enkele maal een vraag- of uitroepteken), geen lidwoorden en geen persoonlijke voornaamwoorden. De karakters kunnen bovendien nog allerlei andere betekenissen en bijbetekenissen hebben.

De vertaling van de eerste regel in deze uitgave, ‘De Weg waarover men kan spreken, is niet de eeuwige Weg’, luidt in enkele vertalingen van categorie 2: ‘Dao dat men tonen kan is niet het absolute Dao’, ‘Tao waarover gesproken kan worden is niet de ware Tao’, ‘Tau dat gezegd kan worden is niet het eeuwig Tau’ en ‘De tao die kan worden onderricht is niet de eeuwige Tao’. De verschillen in interpretatie zijn verderop in het werk nog veel groter. Ik heb ervoor gekozen deze werken verder te negeren.

Wang Bi en andere commentatoren

Ook voor Chinezen leverde de Daodejing zo veel problemen op dat er vanouds met commentaren gewerkt wordt. De bekendste tekstbezorger/commentator is Wang Bi (226-249). Zijn tekst wordt beschouwd als de standaardtekst en is ook voor deze uitgave aangehouden.

Een andere bekende, eeuwen eerder levende commentator was Heshanggong. De vertaling van Mansvelt Beck volgt Heshanggong en de eerste regel daarin luidt: ‘Wegen die als weg genomen kunnen worden zijn geen wegen naar duurzaamheid’.

Zijn er tussen Chinese teksten al enorme verschillen, wereldwijd is sprake van een oeverloze verscheidenheid aan ‘vertalingen’, allemaal van een of ander soort taoïsme doordrenkt en inhoudelijk zeer uiteenlopend.

De daodejing voor wie?

De Daodejing is een zeldzame mengeling van mystiek en tegendraads pragmatisme, met als opvallende kenmerken de laconieke toon en het aforistische karakter. Veel hoofdstukken richten zich tot vorsten of koningen van staten. Ze geven adviezen voor goed bestuur en waarschuwen tegen slecht bestuur. Andere hoofdstukken richten zich vooral tot een individuele wijze die lang zal leven als hij op de juiste manier leeft, en die daardoor tevens zal slagen waar anderen falen. Een derde element wordt gevormd door adviezen voor een goede gezondheid.

De populariteit van de Daodejing in onze tijd heeft onder andere te maken met zaken die als tekortkomingen ervaren worden in westerse samenlevingen. De Daodejing speelt hier een complementaire en compenserende rol, onder andere via de vele boeken met titels die beginnen met ‘De Tao van…’

Wat het individu betreft: hij of zij kan het eigen leven en het eigen lichaam beschouwen als een soort staat, die uiteraard ook goed bestuur vergt, en de Daodejing vanuit die invalshoek lezen en benutten. Steeds meer mensen vinden in dit boek natuurlijke oplossingen voor hun problemen en bruikbare richtlijnen voor verandering. Iets vergelijkbaars gebeurt er bij grote bedrijven en organisaties. De Daodejing is doortrokken van het denken in veranderingsprocessen en talloze bedrijven en organisaties doen er met assistentie van consultants hun voordeel mee.

Confucianisme en taoïsme

Het Chinese denken verschilt sterk van het westerse, vermoedelijk mede doordat de Chinese cultuur al vijfduizend jaar ononderbroken bestaat, veel langer dus dan de westerse. De westerse cultuur denkt vooral statisch, in statische toestanden, de Chinese cultuur denkt meer in verandering: alles verandert altijd, fluctueert tussen yin en yang. Waar het westerse denken met definities en theorieën naar precisie streeft, wat vaak leidt tot het uit alle macht nastreven van allerlei zaken, houdt het Chinese denken het bij natuurlijkheid en ‘ongeveer’, en wordt er voor veranderingen gewacht tot de tijd daarvoor rijp is (en de verandering sowieso plaatsvindt). Heerst in het westerse denken voornamelijk het individualisme, in het Chinese denken overheerst het besef van de eenheid en onderlinge verbondenheid van alles. Hemel, aarde en mens zijn de hoofdcategorieën, en ze worden voortdurend door elkaar beïnvloed. De mens is als het ware het product van hemel en aarde.

In het oudste en belangrijkste klassieke Chinese werk, de I Tjing, dat stamt uit de 30e eeuw v.Chr., is het hele leven samengevat in 64 veranderingstoestanden: essentiële, altijd weer terugkerende levenssituaties, in eeuwige fluctuatie tussen yin en yang. Indien men de situatie waarin men zit weet te identificeren, dan vindt men in de I Tjing de verstandigste, en meest natuurlijke gedragslijn, waarmee men de tegenslagen en tekorten waarmee de mens nu eenmaal te maken heeft, tot het minimum kan beperken.

Yin is het donkere, vrouwelijke, passieve, en yang het lichte, mannelijke, actieve. In de Chinese optiek fluctueert alles tussen de uitersten yin en yang, de algemene termen voor deze uitersten. Zoals iemand in het voedsel dat hij eet een balans tussen yin en yang dient na te streven, zo kan hij dat in alle aspecten van het leven doen. Doet hij dat niet, dan treedt er onbalans op en gaan er al gauw dingen fout.

De I Tjing wordt meestal als overwegend confucianistisch gezien, maar er is grote verwantschap tussen de I Tjing en de Daodejing. Toch is op diverse plaatsen in de Daodejing sprake van een zich afzetten tegen de regels en principes van het confucianisme. Het confucianisme met zijn morele voorschriften kan leiden tot klakkeloze toepassing en hypocrisie, en het filosofische taoïsme van de Daodejing pleit voor natuurlijkheid, echtheid en spontaniteit. Dat lijkt soms ver te gaan, bijvoorbeeld als gesteld wordt: ‘De wijze is niet medemenselijk’ (hoofdstuk V), maar gelezen dient te worden dat de wijze niet voor de vorm medemenselijk is. Het gaat om echtheid, en wat voor de vorm gebeurt, is van weinig waarde.

De Weg en de Kracht

De Dao, ofwel de Weg, laat zich eigenlijk niet benoemen (I). Het is een mystiek begrip voor de werkelijkheid van voor alle verschijnselen, ook wel genoemd de niet-zichtbare, niet te benoemen weg tussen yin en yang. Vanuit deze Weg is alles voortdurend bezig te ontstaan en te vergaan, te groeien en te vervallen, geboren te worden en te sterven. Dit natuurlijke proces gebeurt helemaal vanzelf, en de wijze voegt zich ernaar omdat verzet ertegen alleen maar averechts werkt.

Deze Weg is ook in alle verschijnselen aanwezig en werkzaam, in de hemel, de aarde en de mens, ‘De grote Weg gaat overal, naar links en naar rechts’ (XXXIV). Als de Weg in de mens wordt wel de De beschouwd, ofwel de Kracht (vaak vertaald met Deugd), wat ongeveer staat voor levenskracht. Soms echter heeft dit begrip in de Daodejing onder invloed van het confucianisme een meer morele betekenis.

Een mens kan tegen de Weg ingaan, tegen de Weg handelen, maar zal dan niet slagen of ‘niet lang duren’, maar hij kan ook de Weg bezitten of volgens de Weg leven. Door de Daodejing te lezen en toe te passen kan hij of zij zich daartoe zetten met gebruikmaking van zijn eigen natuurlijke intuïtie. En als hij dan voor het natuurlijke kiest, dan zal het resultaat optimaal zijn, aldus de Daodejing.

Wú wéi – niet-doen

Een belangrijk concept in de Daodejing en in het hele taoïsme is ‘wú wéi’, ofwel ‘niet-doen’: ‘De Weg doet nooit, en toch blijft er niets ongedaan’ (XXXVII). En de wijze (en de goede vorst) streeft dit niet-doen van de Weg na: ‘Als niet-doen is bereikt, blijft er niets ongedaan.’ (XLVIII).

Hoe moeten wij met onze rationele, overijverige, doenerige, vaak forcerende cultuur dit ‘niet‑doen’ verstaan? Hier wordt geen willoos terneer zitten bedoeld, geen lethargie, maar een gevoelsmatig handelen in overeenstemming met de natuurlijke omstandigheden, het natuurlijk verloop: een meebewegen met de ups en downs.

Wij kennen dit natuurlijk ook, bijvoorbeeld de ouder die als vanzelf zijn kind opvoedt, de schrijver die als vanzelf zijn roman schrijft, de leraar die als vanzelf lesgeeft, de leider die als vanzelf leiding geeft, de sporter die als vanzelf (als hij niet te veel nadenkt) zijn topprestatie levert. ‘Niet-doen’ doelt op een handelen zonder verkramping, zonder ‘streven’ of ‘strijden’.

In de Daodejing komt meermalen de uitspraak voor dat het zwakke wint van het sterke, het zachte van het harde, het nederige van het hoogmoedige, het lage van het hoge. De vergelijking wordt getrokken met water, dat tot de zachtste dingen behoort en het wint van het hardste, rotssteen, dat er immers door wordt weggeslepen (VIII en LXXVIII). Water kiest voor de laagste positie, de nederigste positie. En de wijze (of de wijze vorst) doet als het water: hij blijft laag en slaagt daardoor waar anderen falen. Bij nadelige ontwikkelingen zal hij die aanpakken als er nog geen voorteken van is en de problemen nog klein zijn en weinig ‘doen’ vergen (LXIV), omdat dat veel makkelijker gaat dan wanneer problemen tot volle wasdom zijn gekomen. De wijze zal als een zuigeling of pasgeborene willen zijn omdat die relatief de meeste Kracht heeft (LV) en het meest flexibel is. Ook in zijn bestuur zal de vorst of wijze zo min mogelijk ‘doen’ en zoveel mogelijk vanzelf laten gebeuren, want ‘Als het volk moeilijk te regeren is, komt dat doordat zijn meerderen bemoeizuchtig zijn’ (LXXV), en ‘Ik doe niets, en het volk verandert vanzelf’ (LVII). De wijze en de vorst zullen zich zoveel mogelijk stil houden, stilheid betrachten, om zo optimaal mogelijk te functioneren.

Volgens de Daodejing heeft het volstrekt geen zin om te proberen situaties met talloze wetten en regels en legers bureaucraten beter te maken dan ze van nature zijn. Dergelijke pogingen werken eerder averechts, aangezien alles toch weer teruggaat naar wat natuurlijk is. In alles is er bij de vorst of wijze het diepe besef van de eeuwige slingerbeweging tussen begin en einde, geboorte en dood, goede en slechte situaties, evenals van het feit dat er nooit meer dan het natuurlijke zal kunnen worden bereikt. Ook zal iets niet sneller of trager dan het natuurlijke tempo kunnen geschieden zonder groot onheil op te leveren in plaats van het beoogde heil.

En zo heeft het evenmin zin om de confucianistische deugden medemenselijkheid, rechtvaardigheid, ritualisme en leergierigheid hartstochtelijk te verbreiden en na te streven, want dat ontaardt bijvoorbeeld al gauw in uitingen van niet werkelijk gemeende goedheid. Slechts wat er aan werkelijke goedheid in de mens zit, kan actief worden en van waarde zijn.

Andere stromingen binnen het taoïsme

De belangrijkste exponent van de meer individualistische stroming in het taoïsme is de Zhuang Zi, een verzameling verhalen en parabels uit de 4e eeuw v.Chr. In dit omvangrijke werk staat vooral de individuele vrijheid centraal. Wat de fysieke, medische lijn in het taoïsme betreft, mag de Tai chi niet onvermeld blijven. Het was oorspronkelijk een methode voor zelfverdediging, maar is belangrijk geworden in de taoïstische gezondheidsleer, en populair in het Westen als meditatieve bewegingsgymnastiek. Het taoïsme is behalve filosofische stroming ook een religie geworden, inclusief gelovigen, gewaden, altaren, erediensten en de in de Daodejing zo verfoeide rituelen.

B.K.

Verantwoording

Ik heb gekozen voor een zo sober en strikt mogelijke vertaling van wat nog steeds beschouwd wordt als de standaardtekst, de versie van Wang Bi. Hierbij heb ik voornamelijk gebruik gemaakt van het klassieke Chinees van Wang Bi, van de Nederlandse vertaling van Duyvendak, van de Engelse vertaling van Lau, van de Nederlandse vertaling van de Engelse versie van Henricks met inleiding van Mansvelt Beck, en van de Engelse vertalingen van Ryden en Wu.

De Nederlandse uitgave van de sinoloog Duyvendak is uitstekend maar helaas niet meer verkrijgbaar. Een nadeel, zoals al aangegeven, is dat de lezer min of meer tot bestuderen gedwongen wordt. De tekst bevat bovendien allerlei toevoegingen tussen haakjes, alle bedoeld om een zo precies mogelijke weergave te bieden in plaats van een zo goed mogelijke leeservaring. De vele verbeteringen en verplaatsingen van tekstfragmenten door Duyvendak lijken een logisch gevolg van zijn uitgebreide studie van Chinese vertalingen en commentaren. Ik heb ze op een enkele uitzondering na niet overgenomen en me wat dat betreft meer gehouden aan het Chinees op bovengenoemde site en de Engelse vertaling van Lau.

De Engelse vertaling van Lau maakt een uitstekende indruk en lijdt nauwelijks aan het welbekende euvel van Engelse vertalingen dat er veel in gladgestreken wordt. Wel verschilt hij op veel plaatsen sterk van Duyvendaks tekst: de tekst van Lau bevat meer voorschriften en is daardoor meer moralistisch getint dan die van Duyvendak. Mijn voorkeur ging uit naar de niet-moralistische interpretaties.

De inleidingen van Mansvelt Beck zijn van grote waarde geweest bij de totstandkoming van deze uitgave. Zijn uitgave van de Heshanggong-versie heb ik geraadpleegd, maar nauwelijks gebruikt vanwege de grote verschillen met de Wang Bi-versie.

De Nederlandse vertaling van Henricks naar de in 1974 gevonden Ma-Wang-Tui-teksten heb ik geraadpleegd en uiteindelijk vrijwel niet gebruikt omdat ze sterk parafraserend is en dus een heel ander doel lijkt te dienen dan deze uitgave.

De Engelse vertaling van Ryden is bijzonder vanwege de vele aan de natuur gerelateerde vertaaloplossingen, zoals de Melkweg als symbool voor de Weg (door mij niet overgenomen), en de Donder als ‘grootste klank’ (door mij in XLI wel overgenomen). Als een van de weinige vertalers bleek hij weet te hebben van de theorie achter tai chi.

Tot slot heb ik de Engelse versie van Wu gebruikt, die hier en daar nogal gladstrijkt, verfraait en zelfs uit de bocht vliegt, maar ook vol vondsten zit. De vrijheden die Wu zich hier en daar heeft veroorloofd, waren voor mij een aanmoediging om dat nou juist niet te doen.

Veel regels van de Daodejing rijmen, en voor diverse vertalers is dat aanleiding geweest tot vele, vaak ingewikkelde ‘verbeteringen’ waarbij soms uit alle macht getracht werd het rijm te handhaven of te herstellen. Ik heb gekozen voor een vertaling zonder rijm.

Een ander interessant aspect is de datering van de verschillende regels. Aan het taalgebruik vallen volgens Lau en Duyvendak grote tijdsverschillen af te lezen. Lau heeft oudere, rijmende regels voor de lezer herkenbaar gemaakt door ze te laten inspringen. Hoe een goed idee dat ook leek en hoe verleidelijk het ook was, om de lezer niet af te leiden heb ik die inspringingen niet overgenomen.

Als men op de Wengu-site met de muis over een karakter gaat, dan verschijnt de pinyin-transcriptie in beeld samen met de meest courante Engelse vertalingen erachter. Door de Chinese karakters te raadplegen was ik in staat de verfraaiingen en gladstrijkingen te vermijden die vele vertalingen kenmerken. In een aantal gevallen behoedde de Chinese tekst me voor een al te bondige vertaling.

Dankzij vooral de vertaling van Duyvendak, de Engelse tekst van Lau, en de klassieke Chinese tekst op internet, kon ik me beperken wat het aantal bronteksten betreft, een groot voordeel bij zo’n mer à boire.

Recensie 14-5-2010NRC

NRC, 14-5-2010, Michiel Leezenberg, ‘Het laissez-faire van meester Lao’
‘(…) Kriek blijft dicht bij de originele tekst, en bij bestaande vertalingen. Daardoor is zijn eigen vertolking, waarin vooral de Penguin-vertaling van D.C. Lau doorklinkt, behalve elegant en poëtisch ook opmerkelijk nauwkeurig.
Een bezwaar is dat Kriek zich baseert op Wang Bi’s tekstbezorging, en niet op de oudere manuscripten van Mawangdui of Guodian. Je kunt deze keuze betreuren, maar hij valt goed te verdedigen: het is tenslotte in Wang Bi’s versie dat Laozi eeuwenlang is gelezen en invloed heeft uitgeoefend.
‘(…) Krieks weergave doet recht aan Laozi’s poëzie, en is terughoudend met eigen duidingen.’
De hele recensie staat hier

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *