Woordenboek oude zeilvaart n-z (beschikbaar gestel door Inge Kok, vertaalster van o.m. de boeken van Patrick O'Brien)

home Bartho Kriek

naaipalm leren band rond de middenhand met een gat voor de duim; ter hoogte van de muis van de duim is een geribbelde ijzeren plaat ingenaaid waarmee de zeilnaald wordt opgedrukt.

naald soort uitstekende gang die over de hele lengte van het schip op gelijke hoogte met het bovendek tegen de spanten werd gezet.

nagel 1. een metalen of houten spijker. 2. as waar de schijf van een blok omheen draait.

nagelbank zware platte balk rond de masten of aan de binnenkant van de verschansing die voorzien is van korvijnagels waarop het lopend touwwerk wordt belegd.

nautische dag een periode van ’s middags twaalf uur tot de volgende middag twaalf uur.

neerhaler touw dat het strijken van een zeil moet vergemakkelijken.

neut een houten rol of balk die in twee naast elkaar geplaatste delen valt en zo voorkomt dat ze gaan schuiven.

nok enigszins dunner uiteinde van een rondhout.

nokseizing bindsel waarmee het hoekoog van een vierkant zeil aan de nok of het uiteinde van de ra wordt bevestigd.

nommerstuk houten klamp die onder de masttop aan beide kanten tegen de mast is gebout en de langszalings moet dragen.

okshoofd oude inhoudsmaat, ongeveer 228 liter.

omwoelen een touw rond twee of meer delen wikkelen.

onderbonnet of fats, extra stuk zeildoek dat onder een reeds gevoerde bonnet wordt aangeregen.

onklaar zwaaien/onklare kluizen situatie waarbij een ten anker liggend schip zo ronddraait dat de ankerkabels verward raken.

onklaar anker uitgezet anker waarvan de kabel rond de stok of de arm is geslagen.

ons oud gewicht, een twaalfde deel van een pond, ongeveer 28 gram.

ontmeren het wegnemen van de trossen waarmee een schip vastligt om te vertrekken. Ook het lichten van eventuele extra ankers alvorens ‘ankerop te gaan’ of weg te varen.

ontredderd zodanig gehavend en in wanorde dat het schip niet meer kan varen.

onttuien het tuianker lichten om onder zeil te gaan.

oor, op een - liggen sterk overhellen.

op en neer het anker is uit de grond gesprongen en hangt loodrecht onder de kabel, terwijl de onderkant nog net de grond raakt.

op en neer houden tijdens het bijliggen met korte slagen laveren zonder vooruit te komen.

opbouw in ruime zin alles wat hoger dan het bovenste dek is, zoals de bak en de kampanje e.d., in enge zin alles wat boven op het dek staat, zoals dekhuizen, koekoeken etc.

opbrengen het want over de masttoppen leggen en rondhouten en andere tuigonderdelen ophijsen om ze op hun plaats te tuigen.

opdoeken, in een pop een vierkant zeil zo tegen de ra halen dat de buik van het zeil in een zogenaamde pop midden en boven op de ra ligt.

opdoeken, met een pop in de mars een zeil zo opdoeken dat het grootste deel van de buik als een zuil rond de voet van de marssteng wordt gebonden, waardoor de ra's veel slanker lijken dan bij de gebruikelijke wijze van opdoeken.

opdoeken de zeilen ophalen en op de ra vastmaken of strijken.

openteren  in het want klimmen.

opgang ladder of trap die van het ene naar het andere dek voert.

opkorten inhalen van de ankerkabel voor het anker wordt gelicht.

opkruisen beurtelings over de ene en de andere boeg zeilen om zich tegen de wind in op te werken.

oplanger onderdeel van een spant, van de dwarsscheeps geplaatste verbanddelen die mede het geraamte van de scheepsromp vormen.

opleggen uit de vaart nemen.

oploeven een schip dat voor de wind zeilt, meer tegen de wind in sturen.

oplopen een ander schip inhalen en voorbijlopen.

opnemen met behulp van peilingen en waarnemingen alle voor de zeevaart nuttige gegevens van een bepaalde kust verzamelen en in kaart brengen.

opper tegen de kracht van de wind en golven beschutte ruimte onder de bovenwinds gelegen opperwal van een eiland e.d.

opperdek het bovenste ononderbroken dek.

opschieten kabels of touwwerk in regelmatige bochten leggen.

opslaan op de trommel slaan om een sein te geven.

opsteken 1. een schip door oploeven scherp aan de wind leggen. 2. een touw verlengen door er en ander met een steek of knoop aan vast te maken. 3. een meerkabel, schoten, toppenants of een stopper meer loos geven, loslaten, laten zakken of vieren.

optuigen 1. een schip voorzien van masten, staand en lopend want, zeilen e.d. 2. in het algemeen iets klaarmaken voor gebruik.

opzet een instrument waarmee in verband met de vizierkorrel de juiste richthoek wordt verkregen waaronder op een bepaalde afstand moet worden gevuurd.

overal alle hens, uitroep om iedereen, ook wie geen wacht heeft, aan dek te roepen.

overfluiten eerbetoon bij het aan boord komen of van boord gaan van belangrijke mensen, dat vergezeld gaat van fluitsignalen.

overgaan toestand waarbij een schip door schuivende lading of felle wind op zijn zij komt te liggen en dreigt te kapseizen.

overhalen een scheepsromp, tuig etc. grondig nazien op gebreken en die herstellen.

overlast overtollige, hinderende, nutteloze of te omvangrijke voorwerpen of tuigonderdelen aan boord van een schip.

overleggen hoofdtouwen e.d. over de top van de mast of steng leggen om het schip op te tuigen.

overloop balk of stang die dwarsscheeps laag boven het dek van boord tot boord loopt en die de schoottalie of schoot van een stagfok, gaffelzeil of boomzeil moet vasthouden en bij het wenden moet leiden.

overmast* te hoog van mast.

overnaads hierbij liggen de huidplanken dakpansgewijs over elkaar heen.

overstag gaan over een andere boeg gaan zeilen, wenden.

paalmast mast waarvan de verschillende onderdelen, de ondermast en de stengen, niet uit afzonderlijke delen maar uit één stuk bestaan.

paalsteek bepaalde steek om in het uiteinde van een touw een oog te maken dat niet dichtschuift.

paalsteek, lopende paalsteek waarvan het oog om de eigen lijn wordt gelegd, waardoor het zo gevormde oog kan worden dichtgetrokken.

paard touw onder de ra’s, waarop de matrozen staan bij het behandelen van de zeilen.

paardenbreedten subtropische gordel met lichte, veranderlijke, variërende winden, hoge druk en een onbewolkte hemel; zo genoemd omdat de paarden er vroeger vaak bezweken doordat de schepen maar niet verder kwamen.

paardenlijn een zes tot twaalf duim dikke tros.

pakketboot een schip dat een vaste verbinding onderhoudt om personen, post en goederen te vervoeren.

pallen met pennen of klampen (pallen) vastzetten.

parallel cirkel op de aardbol evenwijdig aan de evenaar die alle plaatsen met dezelfde breedte verbindt.

pardoen hoofdtouw dat de stengen zijdelings en achterwaarts steunt.

parlementairvlag vredevlag, witte vlag die wordt gehesen om te onderhandelen en krijgsgevangenen uit te wisselen en dergelijke.

parlevinker kleine boot die allerlei koopwaar komt venten.

part, lopend - het deel van een loper van een takel dat over de schijven van de blokken loopt en dus beweegt als men eraan trekt.

part, vast- het uiteinde van de loper van een takel dat bijvoorbeeld aan een vast punt of een blok van de takel vastzit.

partenhouder persoon die een deel van de kosten voor het uitrusten van een walvisvaarder betaalt.

passagieren* voor ontspanning en vermaak andere schepen op zee bezoeken of aan land gaan.

patrijspoort vierkant poortje in de scheepswand om licht te brengen in hutten of verblijven.

perigeum* het dichtst bij de aard gelegen punt in de baan van een hemellichaam.

Petrus, bij - aan de bak zitten in de hemel zijn.

piek de driehoekige ruimte onder het dek in het scherp toelopende voor- of achterschip die als bergruimte wordt gebruikt.

pikken met een haak vasthechten.

pinas tweede grootste boot van een oorlogsschip.

pink koopvaarder met een smal hoog achterschip en fregattuig.

pinkompas een instrument waarmee de gezeilde koers en de afgelegde weg grafisch kunnen worden opgetekend en dat helpt bij het bepalen van de koppelkoers.

pint oude vochtmaat, ruim een halve liter.

pisbak bak achter de kluisgaten waarin het druipwater van anker en trossen wordt opgevangen en waarin ook vaak klein vee wordt gehouden.

plat slaan zo sterk overhellen dat het zeil tot het ater komt en het dek bijna verticaal staat.

platboomd met een platte of vlakke bodem.

platlood stuk lood op het zundgat van een kanon om de kamer droog te houden.

platte koers koers waarbij men aanneemt dat het deel van de aarde waar men vaart plat is, waardoor de meridianen parallel lopen in plaats van convergeren.

plechtanker een van de twee grote ankers die bij de fokkenrust worden gevoerd om bij storm te worden uitgezet, ter vervanging van het daags anker als dat verloren zou gaan. Het wordt slechts in noodgevallen gebruikt.

pluimgraaf de matroos die toezicht houdt op het meegenomen levende vee, zoals geiten, varkens, kippen etc.

pointeren richten.

polakker koopvaardijschip met twee of drie masten die uit één stuk bestaan.

pompzode houten kast rondom de pomp om deze vrij te houden en te beschermen.

pond gewichtseenheid, het oude pond is iets lichter dan het moderne pond.

-ponder negen-, vierentwintigponder etc., geeft een kogel van dat gewicht aan en ook het kanon dat dergelijke kogels afvuurt.

ponjaard dolk.

pop buik, het pak zeildoek dat bij een geborgen zeil in het midden van de ra is gestapeld.

potdeksel balk of dikke plank die de koppen van de verbanddelen van de romp afdekt en bijdraagt tot het langsscheeps verband.

praaien 1. het doorgeven van de waarnemingen van de uitkijk naar het dek. 2. een schip aanroepen en om nadere inlichtingen vragen over nationaliteit, bestemming etc.

practica verlof van de wal om binnen te komen na ontslag uit quarantaine.

presenning uit dik geteerd zeildoek vervaardigd kleed om iets waterdicht af te schermen.

presgang groep marinematrozen die onder leiding van een officier aan land personeel gaat pressen, d.w.z. door middel van list en geweld dwingen dienst te nemen bij de vloot.

pressen zeelui onder dwang en zelfs met geweld dwingen om dienst te nemen bij de marine; dit gebeurt door een presgang.

prijs een vijandelijk schip dat is veroverd of prijs is gemaakt.

prijsgeld het bedrag dat de verkoop van een prijs oplevert en dat volgens vaste regels wordt verdeeld.

prijzenhof officieel lichaam bij de Admiraliteit dat de opgebrachte prijzen verkoop en het prijsgeld verdeelt.

prop bundel hooi, oud touw etc. die de lading van een kanon in de kamer opsluit.

proportionaalpasser rekeninstrument bestaande uit twee linialen met schaalverdelingen, die scharnierend met elkaar zijn verbonden.

provoost onderofficier belast met het toezicht op gevangenen en het handhaven van tucht en orde; hij staat onder de wapenmeester.

psalmboek gebakken gele steen waarmee men het dek schuurt.

puts emmer.

putting* schuine stang- of kettingverbinding die onderaan tegen het boord zit en bovenaan tegen een rust of de verschansing. Via de puttings en de jufferblokken worden de hoofdtouwen langs de rusten aan de romp bevestigd.

puttings/puttingwant de touwen die de verbinding tussen het stengenwant en de mast vormen en van de rand van de mars naar de ondermast lopen, waar ze zijn bevestigd op de puttingband, een ijzeren band rond de mast.

ra lang, zwaar rondhout dat kruiselings tegen de mast is gehangen en waar zeil aan wordt gevoerd.

rak 1. de afstand tussen twee punten die men in één slag kan bezeilen zonder overstag te hoeven gaan. 2. bak met uithollingen voor kogels aan weerszijden van een stuk. 3. beweeglijke verbinding van een ra, gaffel of zeil met de mast.

rambout houten klos op een lange steel waarmee de lading van een kanon in de loop wordt geramd.

rang indeling van oorlogsschepen op basis van het aantal gevoerde stuken.

rank een schip dat snel overhelt en traag slingert met een lange slingertijd.

ranok uiteinde van een ra.

rantsoen 1. losgeld. 2. vastgestelde hoeveelheid voedsel en drank die dagelijks aan elk bemanningslid wordt verstrekt.

rantsoenhout het achterste spant van een houten schip.

recht op en neer het anker is uit de grond gesprongen en hangt loodrecht onder de kabel, terwijl de onderkant nog net de grond raakt.

rechtwandig* de zijden van het schip zijn recht, verticaal of bijna verticaal.

rede een min of meer beschermde plaats waar een schip ten anker kan gaan.

ree verkorting van `roer naar lij', volgt als bevel op `klaar om te wenden'.

reep touw dat door blokken of schijven wordt geschoren en dikker is dan een duim, 2,5 centimeter.

regeling enkele gebogen balken die de verschansing en zijdelings afsluiting van het galjoen vormen.

reven zie: rif.

richten waterpas of vlak brengen.

riemen, op - het roeien wordt gestaakt en de roeiers keren terug naar de houding van riemen toe.

riemen over de riemen worden dwarsscheeps over de boot gelegd, waarna de roeiers kunnen rusten door erop te steunen.

riemen toe commando waarop de roeiers hun riemen nemen en in de dol leggen, waarna het roeien direct kan beginnen.

rif strook in een zeil die bij te sterke wind met behulp van banden, rifknuttels, kan worden ingenomen om te reven of het zeiloppervlak te verkleinen.

rijden achter het anker wordt gezegd van een schip dat op een ruwe zee voor anker ligt en zwaar stampt.

ringbout bout met aan de bovenkant een oog met een losse ring, waar een blok of haak in kan worden gepikt of een touw aan kan worden vastgemaakt.

rinkelwerk overdadig licht snij- en beeldhouwwerk, vooral op het achterschip, het galjoen en rond ramen en poorten.

roe tien meter.

roede langsscheeps rondhout waaraan een latijnzeil hangt.

roerganger de man die aan het roer staat en de koers stuurt die door de schipper of stuurman wordt opgegeven.

roerhaak een zware pen met twee metalen strippen die aan weerszijden van het roer zijn vastgebout en waarmee het roer in de vingerlingen aan de achtersteven wordt opgehangen.

rol lijst met de opvarenden of de taakverdeling van de bemanning (monsterrol, wachtrol e.d.); mensen die ‘boven de rol’ zijn, staan niet op de monsterrol, wat inhoudt dat de Admiraliteit niet voor hen verantwoordelijk is.

rolpaard rollend onderstel van een scheepskanon.

rolschot kogel die met een te hoge elevatie is afgevuurd, het wateroppervlak raakt en daardoor enkele keren opspringt alvorens eventueel het doel te raken.

rolschot* kanonschot dat in een scherpe hoek t.o.v. het doel wordt gelost, waardoor de kogel erop afschampt en een andere richting krijgt of de zee raakt en een paar keer stuitert voor hij het doel raakt.

rondhout alle ronde houten die tot het tuig behoren, zoals masten, stengen, ra’s etc.

rondslag bepaalde manier om een eind touw op iets vast te zetten.

rotkoorts vlektyfus.

rotmok stoofschotel van restjes vlees en uien.

ruggenpaard of handleider, lijn die bij storm langsscheeps over het dek wordt gespannen en waaraan men zich bij het lopen over dek kan vasthouden om niet overboord te slaan.

ruime wind meer van achteren dan dwars invallend, gunstige wind.

ruimgast matroos die verantwoordelijk is voor de orde in het ruim en de bergplaatsen, voor de watervaten en de ballast e.d.

ruimnaald* lange puntige priem om het zundgat van een kanon schoon te maken.

ruimschoots de wind staat achterlijker dan dwars en waait ruim in de zeilen.

ruimte winnen tegen de wind in van een kust wegzeilen om op voldoende afstand te komen en niet aan lagerwal te raken.

ruimte hebben zich op voldoende afstand van het land of ondiepten bevinden.

rust zware houten plank die horizontaal uit de huid van het schip steekt en dient om de hoofdtouwen te spreiden en te zorgen dat het want de verschansing niet raakt.

scepter houten of ijzeren stijl die deel uitmaakt van de reling.

schaal houten plaat die ter versterking en ter bescherming tegen schuring op de mast wordt gezet.

schaftbalie bak waarin het warme eten uit de kombuis wordt aangevoerd en waaruit ook wordt gegeten.

schalken afdekken van luiken etc. tegen overkomend zeewater.

schavielen slijtage ten gevolge van wrijving, schuring.

schebek lang, smal, zeer scherp gebouwd zeilschip dat vroeger op de Middellandse Zee in gebruik was.

scheepsmatig bepaling van een toestand, feit, handel- of bouwwijze die overeenstemt met de geldende opvatting van goed zeemanschap.

schepel oude inhoudsmaat voor droge waren, een kwart mud (0,25 hl).

scheren een touw door de schijfgaten van een blok steken.

scherp 1. alle soorten kanonskogels. 2. de hoek die het onderwaterschip bij de voorsteven maakt ten opzichte van de kiel.

scherp brassen de ra’s zo brassen dat er zo scherp of hoog mogelijk aan de wind wordt gevaren.

scherpgat magazijn of bergplaats voor de kanonskogels.

schiemannen algemene term voor het verrichten van werkzaamheden aan het touwwerk.

schiemansgaren garen, vooral van oude kabels afkomstig, voor het kleden van touwwerk en het maken van bindsels.

schieten strijken.

schieten (zon, ster etc.) met behulp van een hoekmeetinstrument, zoals de sextant, de hoogte van de zon en sterren e.d. bepalen voor het opmaken van een astronomisch bestek.

schiften het plotseling veranderen van de windrichting, meestal bij lichte wind.

schijf geleiderol in een blok waar het touw over loopt. De schijf draait met zijn bus om een nagel.

schild ezelshoofd van de boegspriet dat de verbinding met de kluiverboom vormt.

schildpad platte klamp of half blok met één of meer schijven dat tegen een ra, giek of mast is aangebracht.

schinkel zwaar touw waarmee een takel wordt verlengd.

schinkelhaak eind touw of ketting met in het midden een ring en aan de uiteinden een platte haak.

schipper bij de marine een onderofficier die zich met de navigatie bezighoudt en tijdens gevechten het schip manoeuvreert; ook de gezagvoerder van een kleiner schip of een vissersboot.

schoener zeilschip met een scherp gesneden romp en een langsscheeps tuig van gaffel-, gaffeltop- en stagzeilen.

schoot touw aan de benedenhoek, de schoothoorn, van een zeil om het zeil in een bepaalde stand te brengen of te houden.

schoothoorn de benedenhoek van een zeil.

schoten laten vliegen een vierkant zeil levendig laten slaan door de schoten los te laten.

schouw vierkant, open rivierscheepje met een vlakke bodem (platboomd) en een iets toelopende voor- en achtersteven.

schrikken een touw waar kracht op staat met rukjes loslaten, ‘een schrikje geven’, waardoor de spanning vermindert.

schrooien het door middel van twee touwen neerlaten of ophijsen van ronde voorwerpen.

seinen door middel van vastgestelde tekens met vlaggen, vuurpijlen en schoten e.d. mededelingen of waarschuwingen overbrengen.

seizing eind touw of platte streng waarmee iets wordt vastgezet.

semafoor kusttelegraaf voor het geven van optische seinen.

sepoy inlandse soldaat in het voormalige Brits-Indische leger.

serang bootsman.

setiezeil trapeziumvormig, langsscheeps zeil.

sextant hoekmeetinstrument dat van belang is voor de astronomische plaatsbepaling.

sikkeblok twee blokken van gelijke grote die boven elkaar in een strop zijn gebonden en waarvan de schijven  in hetzelfde vlak boven elkaar of haaks op elkaar staan.

skiff een lang, smal en heel licht roeibootje.

slaags vallen de kop van een schip bij het onder zeil gaan laten afvallen tot het schip slaags ligt, d.w.z. in de richting ligt waarin het kan afvaren.

slaan de zeilen worden door windstoten beurtelings vol en bak geslagen, of bewegen bij zwakke wind en deining heen en weer zonder vol te komen, waarbij ze soms met een klap openslaan.

slag 1. afstand die een laverend schip zonder wenden aflegt. 2. elke winding waarmee een touw opgewonden of ergens omheen is geslagen.

slag, ronde - in de kabel bij twee uitgezette ankerkabels zijn de kabels door het zwaaien van het schip twee of meer malen onder en over elkaar gedraaid.

slagroeier achterste roeier.

slagverband plaats waar de gewonden worden verzorgd.

slampamper dik touw dat in het kabelgat met de ene kant wordt vastgemaakt aan het uiteinde van de ankerkabel en met de andere kant aan een ringbout.

slaplijn een van de gordings van een vierkant zeil.

slede onderstel van een carronade.

slegge zware houten hamer.

slingeren zijdelingse beweging, waarbij de zijkanten van het schip telkens naar het water toe buigen en weer omhoogkomen.

slingerlamp hanglamp die in een cardan is opgehangen waardoor de lamp steeds verticaal blijft.

slingerlatten lijst of lijstwerk rond een tafel om te voorkomen dat serviesgoed e.d. bij zwaar weer op de grond valt.

slingerpardoen pardoen die de mars-, bram of bovenbramsteng tegen sterke loefdruk steunt.

slippen een touw of kabel loslaten en laten uitlopen.

sloep 1. bijboot van een groter schip. 2. klein scheepje met één mast en een langsscheepse tuigage dat breder dan een kotter is, maar minder diep ligt.

sloeppaai bevaren matroos die een boot bestuurt, altijd met het sloepvolk moet klaarstaan en na de commandant het bevel voert.

slonsje dievenlantaarntje.

slooiknieën lange, liggende knieën die aan weerskanten ter zijdelingse steun tegen de scheg zijn aangebracht.

slotgat dwars gat in het onderste stuk van een steng waar het slothout doorheen wordt gestoken, dat dan op de langszalings van de mars rust en de steng omhooghoudt.

slothout vierkant stuk hout dat in het gat onder in een steng wordt gestoken om deze vast te zetten.

smarten touwwerk met stroken oud zeildoek, smarting, omwinden om slijtage te voorkomen.

smeerprop houten plug om door voltreffers ontstane gaten te stoppen.

snauw klein scheepje dat getuigd is als een brik maar tussen de mars en het dek een dunner rondhout  of snauwmast achter de grote mast voert, waaraan het brik- of snauwzeil wordt gehesen.

snuit werk, oud geplozen touwwerk

soldatengat het gat tussen de zalings van een mars, waar de top van de mast en de onderkant van de steng doorheen lopen; zo genoemd omdat de zeeman het beneden zijn waardigheid achtte om hierdoor de mars te bereiken; dat deed hij via de puttings.

Spaanse ruiter soort dubbele stampstok in V-vorm.

span oude lengtemaat, 2 decimeter.

spant een van de dwarsscheeps geplaatste verbanddelen die mede het geraamte van een scheepsromp vormen.

spardek licht, boven het hoofddek gelegen dek.

spekken korte kabelgarens dicht bij elkaar door een stuk zeildoek e.d. steken.

spiegel het (bijna) platte vlak dat het achterschip afsluit.

spiegelboog het bovenste deel van de rijk versierd bovenlijst van het achterschip.

spiegelwrang zware, dwarsscheepse, horizontaal over de achtersteven geplaatste balken die het spantwerk van de spiegel vormen.

spier licht rondhout waaraan een zeil wordt uitgezet.

spil gangspil die met behulp van handspaken door mankracht word aangedreven en wordt gebruikt voor zwaar werk, zoals het hieuwen van het anker.

spinnenkop aantal dunne touwen die zich vanuit één punt, bijv. een blok hout of een ring, uitspreiden.

splinternet net dat voor een gevecht een stukje boven het dek word gespannen ter bescherming tegen vallende blokken en splinters e.d.

splitsen twee touwen met elkaar verbinden door de strengen uit elkaar te draaien en op een bepaalde manier in elkaar te vlechten.

spoor zware houten klos die de onderkant van de mast moet dragen en de druk ervan over meerdere spanten moet verdelen.

spoorstok dwarse plank of stok onder in een boot die als voetsteun dient.

spring tros vanaf het achterschip naar de ankerkabel waarmee  het schip in een bepaalde richting kan worden gedraaid.

springanker klein anker dat wordt gebruikt om met een spring onder zeil te gaan of van een hoge wal weg te zeilen.

springluik een luik in een groter luik waardoor iemand naar binnen kan zonder dat het hele luik open hoeft.

springpaard een van de verticale einden touw die aan de ra zijn bevestigd om het paard, de lijn onder de ra waar de matrozen op staan, op te houden.

springtij* getij met het hoogste verval dat dicht bij volle- en nieuwemaan voorkomt, wanneer de getijgolven van de zon en de maan elkaar versterken.

sprong aftrede, dwarsscheepse onderbreking van een dek.

spuigat gat in de verschansing of het dek voor de afvoer van regen- en zeewater.

staande koelte wind die lange tijd steeds met dezelfde kracht uit dezelfde richting waait.

stag zwaar touw dat de masten en stengen naar voren steunt.

stagen een mast door middel van stagen en hoofdtouwen voor- en zijwaarts steunen.

stagzeil langsscheeps zeil dat wordt gevoerd aan een stag en ook naar de betreffende stag wordt genoemd (voorstengenstagzeil etc.).

stampen een langsscheepse beweging, waarbij het schip telkens met het voorschip in het water duikt en weer omhoogklimt.

stampstok verticaal onder de boegspriet uitstekende uithouder om de stagen van de kluiverboom naar onderen te steunen en te leiden.

stangkogel twee kogels die door middel van een stang zijn verbonden.

station standplaats, post van een of meer oorlogsschepen.

steek iedere goede, tijdelijke verbinding tussen twee einden touw onderling of van een touw op een voorwerp.

steken een eind of kabel verlengen door er een andere aan vast te maken.

stellen tuig, kanon etc. klaarmaken voor gebruik.

stelwig wigvormige houten klos waarmee dek kanonsloop hoger wordt gericht.

steng rondhout waarmee een mast of steng wordt verlengd: na de ondermast volgt de mars-, de bram-, de bovenbram- en de scheisteng.

stengenwindereep touw waarmee een steng wordt opgezet of geschoten.

stijf een schip dat niet gemakkelijk overhelt en als dat toch gebeurt weer snel in de oude toestand terugkeert.

stijf zetten het strak doorhalen van hoofdtouwen, pardoens en stagen bij het tuigen van een mast, of de loos, de losse bocht, uit een touw halen.

stijl verticale balk.

stiltegordel gebied van lage druk aan weerszijden van de evenaar, tussen de passaatgebieden, waarin stiltes en lichte koeltes voorkomen, afgewisseld met bien, zware regen en onweer.

stilwater overgang van eb naar vloed of omgekeerd.

stok dwarsbalk boven aan de schacht van het anker.

stoop oude inhoudsmaat, 2,8 liter.

stootgaren* garen waarmee het zeil op de ra is samengebonden zonder dat het is beslagen, zodat het zeil met enkele rukken kan loskomen en snel kan worden bijgezet.

stoottalie takel ter beveiliging van het roer, om de schokken en stoten van zware zeeën op te vangen.

stopanker anker van middelmatige grootte dat achter het schip wordt uitgezet.

stopkistje klein kistje voor persoonlijke bezittingen en naai- en stopgerei.

stoppen zeil met garen op de ra samenbinden, maar zonder het te beslaan, waardoor het met enkele rukken loskomt en onmiddellijk kan worden bijgezet.

stopper touw dat moet voorkomen dat een tros of ankerketting verder uitloopt.

stormfok klein, van zwaar doek vervaardigd zeil dat als stormzeil wordt gebruikt of in zwaar weer de gewone fok moet vervangen.

stormzeil van zeer zwaar doek vervaardigd zeil.

stormzeilen alle zeilen die tijdens zwaar weer kunnen worden bijgezet, zoals bijvoorbeeld een dubbelgereefd marszeil.

stoten met de kiel of het vlak van het schip de grond raken zonder vast te lopen.

streek kompasstreek, elk van de 32 streken of windrichtingen die op een kompasroos zijn aangegeven.

striets een gestel van twee talies om grotere kracht uit te oefenen.

strijken  de roeiriemen in de tegengestelde richting bewegen van die waarin met aan het roeien was.

strijken, in het hol - de ra’s en stengen tot op het dek strijken om bij storm de windvang te verminderen.

strop een touw waarvan de einden aan elkaar zijn gesplitst en die om lasten wordt geslagen.

stuik de rechte of schuin afgezaagde kop van een plank of balk. De koppen van twee tegen elkaar liggende planken vormen een stuiknaad of stuik.

stuk kanon, vuurmond.

stuur houden voldoende snelheid in het schip houden, zodat het naar het roer luistert.

stuurboord de rechterzijde van een schip wanneer men met het gezicht naar de voorsteven gekeerd staat.

stuurlastig het achterschip ligt dieper dan de kop.

stuurman officier die belast is met de navigatie en die de roerganger de nodige aanwijzingen geeft.

stuurreep touw waardoor het roer van een groter schip met het stuurrad is verbonden.

stuurstreep een in de kompasketel aangebrachte lijn, die precies in de lengteas van het schip valt.

stuurtakels twee talies die men bij zwaar weer of voor het gevecht klaarlegt om de functie van de stuurreep over te nemen als die zou breken.

stuwen ballast, vracht en ook het scheepsinventaris ordelijk en zeevast in het ruim of de daartoe bestemde ruimten onderbrengen.

syzygie* gemeenschappelijke naam voor conjunctie en oppositie van de zon en de maan.

takelaar tuiger die een schip an het nodige tig voorziet.

talie takel om lasten op te lichten of te verplaatsen.

talreep touwsjorring voor het stijfzetten van stagen etc.

tamp het uiteinde van een touw.

tap korte as die aan beide zijden van de loop van een kanon zit en waarmee het stuk in de uitholling in het rolpaard ligt.

tartaan een met latijnzeilen getuigd vrachtschip van de Middellandse Zee dat ook geroeid kan worden.

teers zware hardhouten marlpriem die wordt gebruikt bij het openen van zwaar touwwerk om dat vervolgens te splitsen.

tegen- en volbrassen de ra’s worden zo gebrast dat de zeilen afwisselend bak en vol staan, waardoor het schip op zijn plaats blijft of afwisselend voor- en achteruit vaart.

tegenbrassen zo brassen dat de wind van voren in de zeilen valt en ze tegen de mast drukt.

tienduimer spijker van tien duim ongeveer 25 centimeter.

tier horizontale laag vaten, kisten etc. zoals die naast elkaar in het ruim zijn gestuwd.

toebloks zitten niet verder kunnen, in een benarde positie verkeren.

top, in - een zeil is in top wanneer het volledig is gehesen, de schoten zijn aangehaald en het klaar is om naar de wind te worden gebrast.

top en takel, voor - voor een storm bijliggen met alle zeilen geborgen, waardoor de wind alleen op het tuig kan inwerken; vaak worden ook de stengen geschoten.

toppenant touw waarmee de ra's horizontaal worden gehouden of juist in een schuine stand worden gezet.

topzeil razeil aan de voorkant van de steng van een topzeilschoener of aan de fokkenmast van een anderhalfmasttuig. Het wordt ook wel marszeil genoemd.

topzwaar schip dat door te veel gewicht of een te grote omvang van de tuigage gemakkelijk zou kunnen kapseizen.

torn 1. bevel om bij het loggen de zandloper te keren. 2. beurt om wacht te lopen of als roerganger dienst te doen.

touwwerk alle touwen die bij de tuigage van een schip horen, zowel het lopend als het staand want.

trabacalo kleine Italiaanse kustvaarder.

tramontane mistralachtige noorden- en noordwestenwind in de golf van Lion.

trekken eigenschap van zeilen die door de wind bol staan en het schip met kracht in beweging brengen.

trenzen de groeven tussen de strengen van zwaar touwwerk met een dunne draad opvullen om een glad oppervlak te laten ontstaan.

trimmen ra's, gaffels en zeilen in de gewenste stand brengen.

tromp enigszins breed uitlopend mondstuk van een kanon.

tui touw om iets, vooral een staande paal, rechtop te houden en vast te zetten, te tuien.

tuianker een van de twee grote ankers die klaar voor gebruik onder de kraanbalk worden gevoerd.

tuig alles wat bij een bepaald scheepsonderdeel hoort om dat gebruikskaar te maken.

tuigplan schematische tekening van het tuig met aanduidingen voor de plaats, samenstelling en helling van de masten, de afmetingen van ra’s en masten, en het zeiloppervlak e.d.

tuingat gat in de verdikking boven in de mast of steng, onder de top, waar een val doorheen wordt geschoren.

tweedekker een schip met twee geschutlagen.

uil vangen de zeilen slaan tegen de mast door een rukwind uit een andere hoek, maar vooral door onoplettendheid van de roerganger.

uitenteren vanuit het midden van de ra over het eronder hangende touw naar de uiteinden lopen.

uiterton laatste ton of baken op weg naar open zee of de eerste bij het aanlopen van het land.

uithalen 1. harder roeien. 2. de boelijn strak aanhalen om het loeflijk tijdens het aan de wind zeilen zo stijf mogelijk te zetten.

uithouder voorziening om een touw, rondhout of zeil op enige afstand van iets te houden.

uitlopen zie: uitenteren.

uitreden een schip volledig uitrusten en bemannen; men kan een schip uitreden als kaper, ten oorlog of als koopvaarder.

uitrijden een storm uitrijden door het schip achter zijn (zee)anker met de kop in de wind en op de zee te leggen tot het weer verbetert.

uitslaan de lijnen van een scheepsplan op natuurlijke grootte op de vloer tekenen om er mallen van te maken.

uitsteken 1. de rifknuttels van een gereefd zeil losmaken om een groter stuk doek aan de wind bloot te stellen. 2. het uitvieren van een kabel of ketting.

uitweven van het want de dwarstouwen in het want, de weeflijnen, aan de hoofdtouwen bevestigen.

uitzingen het uitroepen door de loder van de waterdiepte die hij meet.

vaam/vadem een lengtemaat van zes voet, ongeveer 1,8 meter.

val touw waarmee een zeil, ra of vlag gehesen of gevierd wordt.

valling voor- of achterwaartse helling van de masten.

valreep een reeks tegen de huid gespijkerde klampjes om aan boord te klimmen.

valwind wind die door een hindernis als een kaap of eiland in een andere richting gaat waaien dan de normale windstreek.

vanglijn touw dat aan een ring op de voorsteven van een boot wordt vastgemaakt om het vaartuig te meren of te slepen.

variatie afwijking van de kompasnaald door het aardmagnetisme.

varken watervat van ongeveer 300 liter.

varsebalie kuip waarin vlees e.d. aan boord wordt gespoeld om overtollig zout te verwijderen en de voedingswaren zo te verversen.

vast bevel om met iets op te houden.

 verband* het geheel van kiel, stevens, balken etc. dat een schip zijn sterkte geeft en bij elkaar houdt.

verdubbelen van een dubbele huid voorzien.

verhalen een schip met behulp van trossen op de wal en/of lichte ankers van de ene ligplaats naar een andere trekken.

verheid afstand die een schip in een bepaalde tijd heeft afgelegd.

verkoperen de scheepshuid onder water met koperplaten beslaan om aangroei tegen te gaan en haar tegen paalworm te beschermen.

verlijeren naar lij afzakken.

vernagelen een bout met geweld in het zundgat van een kanon drijven om het stuk in elk geval tijdelijk buiten gebruik te stellen.

verschansing beplanking rond het opperdek die voorkomt dat de golven over het dek spoelen en dat er bij storm bemanningsleden overboord slaan.

vertuien met twee ankers ten anker gaan op een smalle rivier of een druk bevaren waterweg waar eb en vloed staat.

vertuining open of gesloten borstwering rond het bovenste dek.

verwaaid liggen door hevige wind afdrijven of niet kunnen uitvaren, of in een luwte vervallen en daardoor niet verder kunnen.

vierkant toppen en brassen de ra's zo brassen dat zij horizontaal en haaks op de kielrichting van het schip staan om het schip pal voor de wind te laten lopen of, in een haven, ter wille van de netheid.

vierkant getuigd de zeilen staan dwars op de lengterichting van het schip en hangen aan ra’s.

vingerling een oog met twee metalen strippen die aan weerszijden van de steven zijn vastgebout; het roer wordt met pennen die in de ogen van de vingerlingen vallen, aan het achterschip opgehangen.

vissen een gekat anker, dat dus al onder de kraanbalk hangt, met behulp van een vistakel vastmaken en bergen om te voorkomen dat het heen en weer gaat zwaaien.

vissing versterking van het dek op plaatsen waar er een gat in moet worden gemaakt voor een mast of pomp.

vistakel zie: vissen.

vizierkorrel kleine kegel op de loop van een vuurwapen om beter te kunnen richten.

vlagaandeel het aandeel dat een vlagofficier krijgt van de prijzen die door schepen van zijn eskader zijn genomen.

vlaggenschip schip van een vlagofficier, een schout-bij-nacht, vice-admiraal of admiraal, dat diens vlag voert.

vlagofficier stafofficier bij de marine, een schout-bij-nacht, vice-admiraal of admiraal, die het bevel voert over een deel van de vloot.

vlak onderkant van een schip langs beide zijden van de kiel en van voor- tot achtersteven.

vliegen, schoten laten - een vierkant zeil levendig laten slaan door de schoten los te laten.

vliegend zeil zeil dat vastzit met slechts enkele lijnen, veel minder dan normaal.

vlieger de voorste kluiver.

vloei driehoekige verbreding aan e armen van een anker.

vluchten de loop van een kanon op een punt boven de horizon richten.

voet oude lengtemaat ongeveer 33 centimeter.

vol en bij toestand waarbij de zeilen goed vol staan, maar net niet killen, terwijl het schip zo scherp mogelijk aan de wind zeilt.

vol(e boeg)een min of meer stomp voorschip.

volbrassen de ra’s zo brassen dat de wind volop in de zeilen valt.

volk de bemanning, de matrozen.

volmatroos kloekbevaren matroos, ervaren matroos die al het werk aan boord kan uitvoeren.

volschip schip met ten minste drie vierkant getuigde masten.

volslaan de golven slaan over een boot heen zonder dat het water kan worden weggehoosd, waardoor ze volloopt en dreigt te zinken of te kapseizen.

voorhalen de schoten van de mars- en bramzeilen en dergelijke sterk aanhalen.

voorliggen een bepaalde koers volgen.

voorlijk meer van voren.

voorlongroom het verblijf van de adelborsten.

voorpiek de gehele ruimte in het voorschip onder het hoofddek, vlak achter de voorsteven.

voorzeilen alle zeilen die voor de fokkenmast op de boegspriet, kluiverboom of het jaaghout kunnen worden bijgezet.

vrijbuiter zeerover, piraat.

vrijwacht de helft van de bemanning die wacht te kooi of rust heeft, terwijl de andere helft wacht aan dek heeft.

vuile wind luchtstroom die van een kaap (of zeil) stroomt en daarachter een afdekkingskegel vormt; die kegel veroorzaakt op zijn beurt weer een werveling waar een schip veel last van kan hebben.

vuur 1. vuurtoren, lantaarn of lichtschijnsel. 2. bederf in hout.

vuurkleed natte huiden e.d. die men ter bescherming tegen vonken en brand over de luiken, in de marsen en over de barring legt.

vuurkoord langzaam brandende lont.

waarloos extra, reserve.

waarnemingsklok klok die wordt gebruikt om de tijd te noteren van astronomische waarnemingen om de chronometer niet van zijn plaats te hoeven halen.

wacht 1. het etmaal is verdeeld in zes wachten: eerste wacht (8-12 ’s avonds), hondenwacht (12-4 ’s nachts), dagwacht (4-8), voormiddagwacht (8-12), namiddagwacht (12-4) en de platvoetwacht, die vroeger vaak in tweeën werd verdeeld (4-6 en 6-8) om de mensen niet steeds dezelfde wacht te laten lopen. 2. de groep zeelui die samen wachtloopt.

wacht te kooi de helft van de bemanning die vrij is (de vrijwacht), terwijl de andere helft wacht aan dek heeft.

wachtschip 1. oud, meestal afgekeurd oorlogsschip dat in een haven ligt en waarop tijdelijk volk huist of rekruten voor de marine worden opgeleid. 2. klein oorlogsschip dat in een riviermonding of de ingang van een rede of haven wordt geankerd om daar toezicht uit te oefenen.

waker windwijzer in de top van de mast.

walslurp scheldnaam voor iemand van de wal.

want, staand al het zware touwwerk dat de rondhouten moet steunen en zelden wordt losgemaakt.

wantslag de drie of vier strengen van een touw, worden eerst elk tegen de zon in, van rechts naar links, geslagen. Daarna worden ze met de zon mee, van links naar rechts geslagen. De gleuven tussen de touwen vormen het been van een Z. Trossen zijn in wantslag geslagen.

wapenmeester onderofficier op een oorlogsschip die belast is met de ordehandhaving; hij wordt bijgestaan door de provoost.

wassende kaart kaart waarop de breedtecirkels naar het noorden en zuiden toe geleidelijk groter worden in verhouding tot de schaal.

wateren iets watert wanneer het geleidelijk achter de horizon uit het gezicht verdwijnt; het tegenovergestelde is opdoemen.

waterkist ijzeren vergaarbak die in plaats van vaten wordt gebruikt om de zoetwatervoorraad in het ruim te bewaren.

waterstag stag die van de kop van de boegspriet naar de voorsteven loopt om dat rondhout in neerwaartse richting te steunen.

waterstander vat op de bak met het dagelijks rantsoen water van de bemanning.

waterzeil lang smal zeil dat bij het voor de wind lopen onder de lijzeilspier of onder de bezaansboom wordt uitgezet.

weeflijn dwarstouwen in het scheepswant waarlangs de matrozen naar boven enteren.

wegzetten het inwerken van stromingen op de romp, waardoor het schip wegdrijft.

wenden overstag gaan, over een andere boeg gaan zeilen.

werk oud geplozen touwwerk.

werkboot open bijboot voor het werk aan en om het schip en het vervoer van goederen en personen.

werken toestand van een schip dat onder invloed van onder andere wind en golven van vorm verandert, waardoor de naden opentrekken en het schip gaat lekken.

westenwinden, brave - gordel van overwegend stormachtige, constant westelijke winden in de zuidelijke Indische Oceaan tussen 40° en 50° zuiderbreedte.

westergang dwars over de bovenkant van het achterschip lopend balkon, dat soms uit het achterschip steekt en er soms binnen valt.

wimpel, brede - de extra brede en minder lange wimpel die door een commandeur, de bevelhebber van een eskader, wordt gevoerd.

wind en water, tussen - het deel van de scheepsromp dat op de waterlijn ligt en zich door golfslag, deining etc. beurtelings boven en onder water bevindt.

wind, van de - weglopen ruimschoots zeilen, met de wind achterlijker dan dwars, maar niet recht van achteren in.

wind, aan de - de wind valt voorlijker dan dwars in de zeilen.

winden een last door middel van een lijn of spil omhooghalen.

windprop houten of kurken prop die in de mond van een kanon wordt gestoken om het binnenste tegen roest te beschermen.

winterbramsteng* bramsteng met een korte top die ’s winters wordt opgezet om de windvang te verkleinen.

wipper een eenvoudige takel voor het hijsen van lichte lasten.

wissen de loop van een afgevuurd kanon reinigen met een houten klos op een lange steel waar een schapenvel omheen zit.

wisser 1. de houten, met een schapenvel beklede klos op een lange steel waarmee de loop van een afgevuurd kanon wordt gereinigd. 2. de man die de wisser hanteert.

witte bui hevige wind die onverwacht op stil weer volgt.

woeling touwbeslag dat rond twee of meer delen wordt gewikkeld om die bij elkaar te houden.

worst wrijfworst, een eind afgekapt zwaar touw dat als stootkussen buiten boord wordt opgehangen.

wraak of drift, het dwarsscheeps afdrijven van een schip.

wreed op het roer of loefgierig, eigenschap van een schip om gemakkelijk de kop in de wind te draaien.

wrikken manier van roeien waarbij een riem in een wrikkende, achtvormige schroefbeweging heen en weer wordt geduwd om het vaartuig voort te bewegen.

wulf het boven water overhangende deel van de achtersteven.

yawl een snelle open roei- en zeilboot van de Engelse oostkust met acht doften voor zestien roeiers.

zaathout een langsscheeps zware balk die bij wijze van spreken een tweede kiel aan de binnenkant van de romp vormt.

zakdoek van Onze-Lieve-Heer driehoekig zeiltje dat nog boven het scheizeil en de klapmuts aan de grote mast kan worden gevoerd.

zakkoek koek van een beslag met krenten en rozijnen.

zaling elk van de elkaar kruisende balkjes, langs- en dwarszalings, boven aan een mast of steng die de mars dragen of de hoofdtouwen steunen.

zeeadvocaat iemand die regelmatig graag namens de hele bemanning meent te moeten spreken.

zeeanker ieder tuig (rondhouten, vaten of zeilen) dat de kop van een schip op de zee houdt om een storm uit te rijden en drift tegen te gaan; als het zeeanker over het achterschip wordt uitgezet, vertraagt het de vaart van het schip.

zeeblaas zeilschip dat goed bij de wind zeilt.

zeegat vaarweg tussen twee eilanden, kapen etc. die toegang geeft tot een ander vaarwater, een haven, een rivier e.d.

zeemerk alle bakens, boeien, klippen en opvallende kenmerken langs de kust e.d. die op zee een teken vormen waardoor de zeeman zich kan oriënteren.

zeemijl afstand van ongeveer 1852 meter, de lengte van een meridiaansminuut.

zeil de zeilen van een vierkant getuigd schip heten van beneden naar boven onder-, mars-, bram-, bovenbram- en scheizeil; daar komt voor-, groot- of kruis- voor te staan al naargelang ze aan de voorste, middelste of achterste mast worden gevoerd.

zeilplaat leren band rond de middenhand met een gat voor de duim en ter hoogte van de muis van de duim een geribbelde ijzeren plaat waarmee de zeilnaald wordt opgedrukt.

zeilree zeeklaar, klaar voor vertrek.

zeilstreek hoek of streek van een zeilend vaartuig ten opzichte van de windrichting.

zeiltrimmer iemand die de zeilen in de gewenste stand brengt.

zelling uitholling in de modder van een bank of oever door het gewicht van een aan de grond liggend schip en door de stroming rond de romp. Ook de uitholling in de grond waar een anker heeft vastgelegen.

zetgang zware gang, reeks achter elkaar gelegen planken, in de scheepshuid, waarvan de bovenkant de onderkant of drempel van de geschutpoorten vormt.

zetweger zware gang die de dekbalken moet neerhouden; de binnenste tegenhanger van de zetgang.

zijgalerij uitbouw, balkon aan de zijkant van het achterschip.

zijtalie een takel die aan een ondermast of stang wordt opgehangen en waaraan allerlei lasten worden verplaatst.

zinkings aandoening waarbij kwade vochten naar een lichaamsdeel trekken en daar pijn veroorzaken.

zonnetent dak van zeildoek dat boven delen van het schip wordt gespannen om de bemanning tegen de hitte van de zon te beschermen.

zuiger peervormige ring die om een stag wordt geslagen en waaraan de stagzeilen vervolgens worden vastgemaakt.

zundgat gat boven in het achterstuk van een kanon om kruit te laden en te ontsteken.

zwaaien een schip zwaait wanneer het door wind of getij ronddraait om een vast punt zoals een anker of een boei e.d.

zwaard houten bord dat langszij of in de kiel tot onder het vlak van het schip wordt neergelaten om het verlijeren te beperken.

zwaardoek zwaar zeildoek dat voor de onderste zware zeilen en bij slecht weer werd gebruikt.

zwabber verkorting van zwabbergast, scheepsjongen.

zwaluwstaartlas verbinding waarbij het ene eind van een hout als een zwaluwstaart is uitgsneden en in het einde van een ander stuk hout wordt gevoegd.

zwanenvleugel ene razeil dat aan één kant is opgegeid en dus slechts half bijstaat.

zwichten de hoofdtouwen van masten en stengen ter hoogte van de ra's door middel van diverse touwen (zwichtings) naar elkaar toe halen zodat ze minder breed uitstaan en de ra's scherper kunnen worden gebrast.

#begin