Links en lijsten

Meest gebruikt

Deze pagina bestaat uit soms lange lijsten, met aan het eind de allerlangste, Inge Koks ‘Woordenboek oude zeilvaart’, dat vroeger een eigen pagina had. Scrollen of doorzoeken dus.

Veel lijsten zijn afgevallen doordat internet groter werd. Tot het zo groot werd dat het weer moeilijk werd om juiste termen te vinden, vandaar hier bovenaan de onvolprezen Taalvlinder.

Het overzicht van het Amerikaanse schoolsysteem heeft wél een eigen pagina behouden.

Financiële termen

trust fund
corporate pyramiding – in andere bedrijven beleggen
fusie- en acquisitiemanie
junkbonds – obligaties met speculatief karakter
leveraged buy outs – verzelfstandigingen met geleend geld
detain – (ook) aanhouden
auditor – accountant
share – aandeel
gewone aandelen vaak equities genoemd
shareholder = stockholder
effecten – alg. securities; in samenstellingen: stocks
twee soorten effecten: aandelen & obligaties = shares & debentures (debenture bonds, bonds)
blend obligatie – mengeling tussen obligatie en aandeel
remiser – beleggingsadvieskantoor dat transacties via effectenbank laat lopen
converteerbare obligaties

Gevangenistermen

bewakersverraad – je recht proberen te halen bij de bewaking
blauwe – bewaker
joekel – in bajes gebruikt voor zwarte
huishoudelijke dienst
huishoudteam
kamper – gedetineerde
klankie – vrouwelijke bewaarder
POI – penitentiaire Open Inrichting
prikken (iemand -) – met wapen bewerken, steken of neersteken
sociale dag – verlofdag
op blind – zonder vragen te stellen
luikjes – behalve voor eten ook voor praten

Intensive care-termen

abstineren (stoppen met behandelen, een abstinerend beleid)
acceptabele gassen (patiënt ligt los met a.g)
agressieve chemotherapie
algemene intensive care
artsenkamertje
beademingstube
bloedgaswaarden (zijn al of niet in orde)
boxen (isolatiekamers)
checklist gelimiteerde therapie (wel/geen hartmassage, antibiotica, beademing)
dialyse (spoelen van de nieren)
discipline (chirurgen van twee disciplines aan de operatietafel)
drain
ethische discussie
familiegesprekken
gastoperateur (chirurg uit ander ziekenhuis of buitenland)
gelimiteerd beleid (een aantal behandelingen wordt niet meer uitgevoerd)
goed doen (zegt Hippocrates)
IC-patiënt
indelingspieper (onder intensivisten rouleert een ‘indelingspieper’ voor acute gevallen)
intensivist (IC-specialist)
intubatie
intuberen (beademen via een slang in de keel)
laboratoriumtests
Lasixpomp (voor beademing)
lichtkast
ligdag
longfoto’s
misprikken (bij aanleg van een infuus)
nierfalen (bij nierfalen wel/niet spoelen)
NTBR-beleid (not to be resuscitated, niet meer reanimeren)
obductie (onderzoek stoffelijk overschot)
ontslag- en opnameprotocol
opleider
patiëntenbespreking
pneumavocht (veel p. links)
pompoplossingen (zijn die nog wel goed?)
post-operatieve bloeding
recidive (coloncarcinoom met recidive)
respiratoire insufficiëntie (ademnood)
slang in de keel (beademing via slang in de keel = intuberen)
spuitinfusoren
stafarts
status (dossier)
survival (de survival van mijn operaties is ongeveer een week)
thoraxfoto’s
trauma (er is trauma)
tube
Unoplast-zak (voor urine)
verpleeghuispatiënt
wilsonbekwaam
zorgvuldigheidseisen (met betrekking tot euthanasie)
zuurstofopname (hoe die te optimaliseren)
zuurstofopname (hoe die te optimaliseren)

Legertermen

lupa = lunchpakket
gamellen (stalen vaten waaruit eten wordt gelepeld)
aardappel-bal-kool
messtin – soort hondebak met opklapbaar hengsel
camouflagenetten (voor koolsoorten)
BKT’s – benzinekooktoestellen
11de Pantserinfanteriebrigade

Luchtvaart

RCD=Rijksluchtvaartdienst
hoofdverkeersleider
luchtverkeersleiding
luchthaven (=control zone, control area)
terminal control area (groter, = naderingsverkeersgebied)
bij nadering: passage
VOR (VHF Omni-directional Range) – radiobaken
controletoren
waverider, supersoon vliegtuig (riding on the waves)
transponder = antwoordzender
gezagvoerder
stijghoek/daalhoek
loss of power – stroomuitval, spanningsverlies
binnenleiden (al of niet automatisch)
circuits
light circuits (controle circuits, waarschuwingslampjes)
eerste hulp-eenheden
drukverschil
onderbreker 22 blokkeert (proberen, inschakelen, uitvallen, bevriezen, in werking stellen)
bypassers – idem, omleidingen/shunts
Concorde, 4 turbo-jets (stuwkracht van 19000 kilo)
2.7 Mach = 2900 km/uur
ILS = Instr. Landingsystem (blindlandingssysteem)

Jagers tweede wereldoorlog

o’clock – uur (bandit at 6 o’clock – vijand op zes uur)
air vice marshal – generaal majoor
‘A’ en ‘B’ zijn eenheden die elkaar aflossen
‘de Weinigen’
scramble – bevel om op te stijgen etc.
’t DFC
12 Group enzovoort
aanvallen in scheervlucht
ack-ack = flak
angels = zoveel maal duizend voet (later b.v. plus 2000)
buster = max normal speed
Dowding Spread (handboek; 400 m)
flight lieutenant – kapitein (?)
flight officer – kapitein
flying officer – 1ste luitenant-vlieger
luitenant-vlieger (in het Engels…)
pilot officer – 2de luitenant-vlieger
formaties
fotovluchten
gate = pull the tit, put the throttle through the emergency gate
gevechtsleidingcentrum
Group (eventueel: ’t Commando)
in slagorde
Jabo = Jagdbombers
jachtvliegers
jachtvliegtuigen
[Jag tycker om det – I like it, Zweeds]
jagerescorte
jagers
kabel-, sperballons
liner = cruising speed
luchtschutter
Mango Yellow
plottafel (in operationeel hoofdkwartier)
propeller (spelling!)
RAF Fighter Command
Red, Yellow etc. Secton – eenheden
Sopwith Pup – vliegtuigje…
Stringbags = Swordfish – vliegtuig
tweede vlieger
vic (laten staan?)

Politietermen

diender (‘cop’), agenten onder elkaar
aangever
aangifteverhoor
plaats delict (hart van de p.d., looppad, gangspoor)
aanleunen (‘tegen’ rayon van collega aan rijden)
de collega (alle rangen)
fopper = lupper
ambtselastiek – juridische oneffenheden in p.v. gladstrijken
betreden
antecedenten – gezocht wegens misdrijven
vegen – iedereen aanhouden
bakkie hebben – gedegradeerd
bevind van zaken
blind in burger – zonder zwaailicht en in gewone wagen
brigges – brigadier
boven dienstdoen – recherche (burgerpot)
confrontatieglas – doorzichtige spiegel voor Oslo-confrontatie
dacty, de (van dactyloscopie, vingerafdr.)
daderverhoor
delict
watje – iem. die snel bekent
geef maar een brul door de tuit
lulijzer
escalerend gedrag
etaleur, potloodventer
executieve politie-ambtenaren
flipperen – slot opensteken
kapstoktruc – inbraak met hangertje
Amerikaantje – zware krik, slot eruit gedrukt
gangspoor – op plaats delict, spoor van inbreker
gemeentesleutel – koevoet van politie
open vraag stellen = noodverband leggen
ambulance rijdt
krepeersterkte – onderbezet
schuin oversteken – lulreden om iem. op te pakken
harde informatie (ook: dat is geen harde informatie)
handboeien op de man uit te reiken
gruthokkers – handelaren in helinggevoelige goederen (Goudsmid, Rijwielhandelaar, Uitdrager, Tagrijn (koopman oudijzer, touw etc), horlogemaker, opkoper, kashouder (verkoopt goud en zilver op markt)
koud gezet – door inbreker verstopt
heterdaadje
imprima’s – miniprocesverbalen, formulieren
journaal – waarin alles wat recherche op pd heeft verricht wordt bijgehouden
kat in ’t bakkie – zaak rond
katvanger – zetbaas met bv’s van criminelen
klussendienst (ong. straatdienst)
knop naar links (harde muziek)
knoppen tellen (surveilleren aan strand)
koppelverhoor
krypto, Chinees – storingsapparatuur aan (of: geheimtaal over mobilofoon?)
tenlastelegging
lelijke mond
levende have (geen honden of katten dus)
lid van de club maken (van bonhouders dus)
op luisteren staan (mobilofoon aan)
mijnheer/meneer – betiteling burger
meneer de Bruin is op ’t bureau – koffie klaar
op MO zoeken (modus operandi)
mutatie – alles wat genoteerd moet worden
naakte schouw (uit de kleertjes)
nagger – agent die zich in team niet aanpast
omkatten – de bekende autozwendel
optisch verbaal geven – wat wachtmeesters in Porsche deden
overigen – hebben geen executieve functie
pardonneren, gedogen
pit – zwaailicht
pro-actieve surveillance, vertrouwd aanwezige
proces-verbaal
processueel sepot
publieke erf
prommen – wandelend surveilleren
re-actieve surveillance – op meldingen reageren
gaat u regelen?
p.v. : redenen van wetap
‘beleid’
rode waas (driftig wordende agent)
blauwe waas (opgezweept door zwaailicht)
rollen – agent in gevecht verwikkeld
rus – rechercheur
scharrelbak – roestbak
schouw
scoren
slappe zaak – onvoldoende om verdachte vast te houden
souche – halve voorwerpen op pd etc.
spa – staat van politiealarm
sporen lezen
sporendrager
staande houden
stille
stippencomplex (strepencomplex)
stoel = functie
storingslint – waarmee afgezet wordt
straatdier
streep op iemand maken – houw met sabel
technisch sepot = processueel sepot
toeters en bellen – sirene en zwaailicht
trefkans – (bijna: pakkans)
veilig stellen van bewijsmateriaal
vellen hangen eruit (bij aanrijding)
verhaal aanhoren
verlofhouder
verse toestand – heterdaad
voordeel schutter – dealer gepakt die alleen nephasj heeft
op vingers vangen en herkennen
voorruit eruit gekopt
vorderen – eisen
vuilnisman-complex – beroep agent laag aangeschreven
traumadienst – laten komen als er noodoperatie moet gebeuren
vlucht-/vuurwapengevaarlijk
wegzakkertje – pittende agent
observeren (niet: rondkijken)
wieberen – opdonderen
windowdressing – surveilleren op wandelpieren luchthaven
zaak afleggen – iemand ongemerkt proberen te pakken
zachte informatie
zedenkit – souches e.d. van agent van zedenpolitie
iemand is Victor (vluchtgevaarlijk), Gerard (geweldpleger), zwart (heeft zelfmoordneigingen)

Politiestijl

geen lidwoorden
verkleinwoorden
cynisme (down playing)
onverwijld
gezwinde spoed
tweewielig rijwiel (fiets)
motorvoertuig
rijwiel met hulpmotor
betreedt een pand of perceel
voetpad (niet stoep)
het publieke erf (straat)
geschoond (school waaruit apparatuur is gejat)
tegen ’n agent is geweld aangewend
bereden politie
beredene
rapporteren ‘omtrent ’n zaak’
scheiding der twistenden
wederrechtelijk
zich verzettende verdachte vertoont wederspannigheid
vaak in pv’s lijdende vorm
in blote kont – gefouilleerd worden

Bowling

de balreturn
het board (de lat, van de baan)
de glijpas
de pendulumzwaai
pinactie = het mixen van de pins
balactie
pinformatie (soms: pinopzet)
strike (spare, split)
league
game (tien frames, beurten)
frame (beurt, en hokje op scoreformulier)
de headpin ( pin 1, de 1-pin)
de pocket (plek waar de bal moet raken, tussen pin 1 en 3, of 1 en 2)
foutlijn = foul line
hoeken(d)
de semi-spinner (vandaar: spinnen)
stippen en pijlen = dots en arrows
hit, pockethit (lichte, dikke, midden-)
een back-up-bal
de approach (= aanloop)
(vijf) strikelijnen

Cricket

de vijfmansaanval bestaande uit
het feit dat hij gewoon' werd gevangen op square leg, duidde op verminderde concentratie
X verloor zijn wicket al in de eerste over
van de bowlers was X met 4 voor 56 de meest succesvolle en Y met 1 voor 31 de zuinigste
X deed in het veld twee vangen
runs scoren
Clarke sloeg meteen weer drie zessen
Y ging pas als negende man uit op 178
de dramatische nederlaag van acht runs
A, dat B 301 runs moest toestaan en vervolgens zelf strandde in het zicht van de hoofdklasse-haven: 293 all out.
test-ervaring hebben
wedstrijd die slechts 64 overs duurde
de Deventenaren verkozen eerst te batten
de wedstrijd werd over 40 overs gespeeld
toen op 15 al het eerste wicket viel
X werd voor 8 runs achter het wicket gevangen op het bowlen van Y
opener X en Z brachten de score op 75 voor 2
X waagde een iets te korte run
de ingooi van Y, die de bal direct in het wicket wierp
X eindigde met 38 runs, gevolgd door Y die 26 runs scoorde
X (31) en zijn coach Y (46 not out) scoorden voor het vierde wicket 61 runs: 138 voor 4
X die met een fantastische vang Y uitving
een geweldige 6 recht over het hoofd van de bowler
de innings eindigde na 40 overs op 192 voor 6
X was(+ met?) 2 voor 26 in 7 overs de meest succesvolle bowler
aan bat was het X
X won met een schitterende century (103, 4x4, 4x6) de prijs van 250 gulden voor de man van de wedstrijd
zijn inning (nu weer zonder s...) was van hoog niveau
hij sloeg bowler Y door de covers voor 4
voor het derde wicket scoorde X samen met Y (36) 108 runs
het werd nog even spannend toen op 182 het zesde wicket viel
maar Z (22 not out) maakte in de 39ste over met 'n harde 4 'n eind aan de wedstrijd
batten
partij A werd in 44 overs voor 74 runs door de spin-bowlers van B uitgekegeld
X (2 voor 21) en Y (4 voor 24) toonden overduidelijk het gebrek aan goed voetenwerk bij de Schiedammers aan
de beide toppers van A werden door X en Y voor nul ingerekend
<h4>Golf</h4>
In zo min mogelijk slagen de bal in een hole slaan.
toernooi bestaat uit ronden
hij maakte een kostbare zeven op de 13de hole in een ronde van 79
een voordeel van vijf slagen
zette hem met 3 birdies in de eerste 4 holes onder grote druk
caddie had tas met stokken op bal laten vallen: 1 slag straf
de enige die met zijn totaalscore onder par eindigde
hij is Director of Golf
een hole-in-one
birdie - 1 slag onder par voor een hole
eagle - 2 onder par (dus ook een
hole in one’ – wordt beloond)
bogey

Honkbal

hit and run – gaan en slaan
een harde rechte bal
het slagperk
bullpen (waar zich losgooiende werper is, daar gaat telefoon)
startende werper
harde bal
een curve
een slider (aan begin van plaat opeens omhoog naar knie)
binnenkant, buitenkant, puntje van de plaat
volle bak (3 wijd, 2 slag)
goeie swing
binnengeslagen punten (PBI)
safe = in
het bat
een nul = een uit
catcher
hot corner, bij 3de honk want daar komt bal het snelst
curvebal die niet scherp breekt maar lang
pitching
werper gooit overheads
een slider aan de buitenkant
zijn rechte bal moet bewegen
hit en run, 1ste of 2de honker loopt als nog gesl. moet worden
een sidearm gooien
rechter kant toch niet? (over slag)
slagzone (riem – onderkant knie), iemands slagzone zit b.v laag
een geraakt werper
een man die aan de kantjes gooit
de (‘n) aangewezen slagman (designated hitter)
iemand wordt uit-gecalled.
het linksveld
een passball
een rechte bal
los zijn (van een werper)
(mislukte) curvebal
de slaglijst
werper moet van snelheid wisselen
sneeky fast, werper sneller dan je denkt
bij Charles (Urb.) moet je geen binnenkant gooien
een dubbelspel maken
een klap in het middenveld
het rechtsveld
een no-hitter?
aangooi (is streep, flits)
grip op bal
(aan slag) op een hoge/lage bal afgaan
fastbal
curvebal binnenkant (buitenkant)
cup = tok = zakbeschermer
een scheidsrechter z’n slaggebied
bodyprotector
legguards
masker
het fielden van de bal, tijdens het fielden
een hit-run
een bal hard op je knieën (op die hoogte)
het wijzen van de werper
supperedoo, van onderuit
squeeze = opofferingsstootslag (om punt te halen) (squeezen)
hij liep één keer in een dubbelspel
center fielder – midvelder

Jacht

hoogzit – huisje op palen voor beschieten dieren (ander woord?)
bloedhonden = Sint Hubertushonden
geen honden die de inhoud van elk halsbandje willen verscheuren
als de staart in de rug staat'
is er een
druiperig’ dan laat je die thuis
de pack
het exercisen
mijn vrouw trok de slip
ik blaas de pack-horn
de whipper-in = de hond die mij assisteert
onder appel houden: ik ben de goeie lieve man die de koekjes rondstrooit en de whippers-in zijn de boemannen
het commando go
ruiken ze het spoor dan geven ze luid'
als ik ze later terugblaas
exercisen: stapreprises afwisselen met lage periodes van draf, nooit galop want dan worden de honden onrustig.
honden dus onder appel van de whipper-in
in juni en juli gaan de paarden op rust
de jacht volgens de nieuwe Engelse standaard
bloedhond is een van de best
lopende’ honden, wat betreft luid' enhals’ geven, verder hebben ze ook het vermogen tot casting back (als ze het spoor bijster zijn haken ze niet in een hoek af, maar lopen in cirkels terug om het weer op te pakken) en freedom of change (ze blijven het spoor volgen dat is aangegeven, lopen desnoods rakelings langs een fazant, hert of vos)
de kill – meute bereikt einde spoor (tegenwoordig zonder doden)
de run kan ook de mist in gaan
in Nederland vijf meutes
een Engelse master en zijn bloedhonden

Kaartspelen

wassen, schuffelen, schudden
geven, delen
couperen
de voorhand

Hombre (doormars, ik speel/solo/sans prendre,`de fijne’)
Skat
Contract-bridge
Boston whist
Rikken
Pandoeren
Kruisjassen
Klaverjassen
Schutjassen
Hartenjagen
Miezemaus
Memoriespel
Arolsen
Kleuren
Commetten
Romey
Coon can
Rangeren
Canasta
Handelen
Boerenpotten
Banken
Ecarte
Trente è quarante
Baccara-chemin de fer

Wedrennen
Poker
Loterij
Mieën
Zeilen
Zwikken
Napoleon

Paardenrennen

[was er niet iets met koekjes en/of tafeltennisballetjes?]

the morning line – het programma
stakes race – `grote prijs’ (prestigieus)
handicapping – de kansen door voorgiften compenseren
post six – begin-, eindpaal (?)
grey – schimmel
paddock – paddock, afzadelplaats
rail, the – hek, omheining, railing
tattoo – tatoeëring (tatouage = het tatoeëren)
ringer – dubbelganger (jargon)
mickey, a – (lulstreek) verdovings- dan wel laxeermiddel
Racing Commission – wedstrijdleiding
chloral hydrate – chloraal (-hydraat)
tranquilizerpistool
dierenarts (niet veearts)]

Directeur Duindigt:

rencomité
er zal geen overwicht zijn (there will be no overweight)
draverijen (met sulky)
(vlakkebaan)rennen – zonder
speed horse – gangmaker/ die altijd kop neemt
totalisatorbalie
ticket – wedbiljet
machine – computer (kassa-achtig)]

in de paddock
de wedders
meetings – evenementen, ook wel: de nummers
draftopper
het zoveel-koppige veld
de Jonkers
heatdraverij
de mijl & de (zware) 2600 m
vooraangifte(termijn)
het veld
de renkalender
nummer buiten de eerste drie

Scheepvaart

[n.a.v. Howards’ Way:
jachtwerf
weekendkruiser
lenssysteem
enkelschalig
binnaal…
knikspantromp
aanvangsstabiliteit
garantie tegen osmose
scheelkiel
cattuigages (m.n. torencatting, i.t.t. scherpjacht)
catgetuigde… (ongestaagde mast)
gaffelschoen (soort bijmast)
sloeptuigage
giek (horizontale boom)
het zeilplan
inlamineren en uitharden
70-grams laminaat
gelcoat
romp wordt ingetimmerd
kajuitmotorjachten
goed geprofileerde zeilen
een met keflar en koolstof versterkte romp
rolfokinstallatie
elektrische ankerlier
teak dekken
’n 36-voet zeiljacht
’n osmose-bestendige gelcoat
in de range vanaf 14 meter
vinkiel
vleugelkiel
onder Lloyds toezicht gebouwd, conform Lloyds normen (Lloyd’s Certificate of Hull construction)
polyesterbouw
’n rolreefsysteem
toerzeilen
multitopsysteem
revolutionaire schoot- en valvoering
’n slingerdempingsprogramma
’n rondspantkotter
de kiellegging
transparante anti-sliplak
polyester, epoxy, A.B.S polyethyleen, hout, staal, aluminium
double coat
deck-layout
zeilen met mylar
zeil met losse broek'
stuurautomaten
snelreefsysteem
decca
'n doorgelat grootzeil voor 'n toerjacht
hijs-, reef- en strijksysteem
de dinges-lijn
gebouwd in sandwich-constructie met balsakern
biradiale rolgenua (ook zijn er radiale, van b.v. Dacrondoek en Mylarfolie; houdt z'n ideale profiel over 'n veel groter windbereik; voor toerzeilen - soort zeil dus)
balansroer (doorgestoken en geprofileerd)
de romp-dekverbinding
kooien
afhouders]
opleggen (van schepen)
windjammers
de zeilvoering
bunkerplaatsen
laadvermogen
stabiliteit
broodzeilen
America's Cup
Cup talk
de neetformule?]
<h4>Stukgoed (tegenwoordig veelal containeroverslag)</h4>
sjorder -
roeiers (Rotterdams) = bootlieden, varen in bootje naar schip dat binnenkomt.
waterklerk, eerste die aan boord van binnengelopen schip gaat
cargadoorsbedrijf, vertegenwoordiger van de reder, regelt formaliteiten voor douane en immigratiedienst
stuwer - verricht het eigenlijke laden en lossen
tallyman - meet, weegt en telt de lading, en is verantwoordelijk voor hoe er geladen wordt, controleert tegenwoordig ook nummers en verzegeling van containers.
classificeerder - vroeger vooral ruimen schoonmaken (heel vies, nederig werk), tegenwoordig vooral scheepsonderhoud aan de buitenzijde van vaartuigen.
parlevinker - voer met klein bootje vol voorraden de schepen langs (tegenwoordig vrijwel alleen nog maar met pornoblaadjes en dergelijke)
<h4>Ballet</h4>
lift (optillen partner)
split, spagaat
zie verder Spectrum Enclopedie
<h4>Scouting</h4>
- bevers, jongens en meisjes van 5 tot 7 jaar; kabouters, meisjes van 7 t/m 11 jaar (welpen, jongens); dan de padvindsters of gidsen, meisjes van 11 t/m 14 jaar (verkenners, jongens) [ook: water- en luchtverkenners]. Dan de Rowans en Sherpa's, jongens en meisjes van 14 t/m 17 jaar [op het water: matrozen van de Wilde Vaart]. Dan jongeren van 17 en ouder; op het water: loodsen. Briefschrijver was zeeverkenner. Verder gehandicapte scouts; jongens BE-verkenners (Bijzondere Eisen) en meisjes Blauwe vogels.
<h4>Spiritisme</h4>
geloof in persoonlijk voortbestaan na de dood
seance
tafeldans
automatisch schrift (medium gebruikt door een geest)
direct schrift (zonder hulp van mensenhand)
materialisatie van geesten
gene zijde
overgeganen (afgestorvenen) manifesteren zich
mediumschap kan fysisch (klopgeluiden oproepend), psychisch (medium maakt in trance plaats voor geest, en pneumatisch zijn (waar de geest wordt geïnspireerd)
control’ = overgegane die als gids, als contact fungeert

Allerlei

pistol – kan van alles zijn
, anders / , dan / , want / , graag
’t Westen
– Wat? (weglaten)
1 dollar 48
1,90 m
aanklager / officier
academie
advocate (Schotland) = barrister
archief (niet: Dossiers)
archivarus (niet: dossierman)
attorney (Am) – raadsman
B.V.
barrister (Eng) – pleiter voor balie
boksen: hij had een goede kin en: meer een slip dan een stoot
Colt (in Post-USA) ook pistool???
counselor (Am) – pleiter voor balie
Derde Wereld
enig kind
ervandoor [Van Dale]
erop
eten i.p.v. lunchen
fiscale recherche
hamburger (niet: burger)
hoofdklasse (major league)
hulpsheriff/assistent (niet deputy)
jek –> jack
Junior (bij naam)
Kaaiman Eilanden
lawinebestrijding
lawyer – jurist
linker en rechter aan zelfst. naamw. vast!
manege
pence is modern/ penny oud.
pistol – anything (Amerikaanse politie: bijna alt. rev.)
product
provisiekamer
schuilhouden
solicitor (Eng) – raadsman
squadron (niet eskader)
tactiek
the other day – laatst (meestal)
trakteren
Twaalf vijfennegentig
uitgang (gate)
vanuit dit huis
veiligheidsdienst (Special Branch)
verder gaan / verdergaan
voorletters zonder spaties
vrijetijdscollectie
wakker maken
wegwezen
Wie had ze je gegeven? –> Van wie heb je ze?
zo ver / zover
zwarte-kousenkerk (eerste-hulpafdeling, twintig-pondbiljetten)

Judaïca

Een lijst gemaakt bij het vertalen van elf boeken van Isaac Bashevis Singer (zie de pagina vertalingen.

‘Boek der smeekbeden’, het
‘De boom des levens’
‘De wijsheid der vaderen’
‘De ploeg is de zegen van de heer’
‘De erfenis van het hert’
‘Engel Raziël’ het boek,
‘Gij kent de geheimen van het hart’
‘Het boek der schepping’
‘Het pad der rechtvaardigheid’
‘Met instemming van de Almachtige’
‘Spreuken der Vaderen’
‘Zonen van de Woning’
‘affidavits’ = attesten
‘Chosjen Misjpat’
‘clabber’ – biest (eerste melk van koe na het kalven)
‘De wegen van de wereld’
‘De plichten van het hart’
‘De heiligheid van Levi’
‘De sterke hand’
‘De maharsja’ (rabbi Samuël Eliëzer Edels)
‘De zuil der dienst(baarheid)’
‘De tuchtigende gesel’ (niet roede)
‘De juiste maat’
‘De heilige brief’
‘gabardine’ meestal: lange jas (zelden: gewaad)
‘Genade van Elimelech’
‘Great Hosanna’ – Hosjanna Rabba
‘Het gebrul van de leeuw’
‘Het gezicht van Jozua’
‘Het boek van het verbond’
‘Het pad der rechtvaardigheid’
‘Het begin der wijsheid’
‘Het boek der vromen’
‘legend’ is ook ‘tekst’
‘pagan’, afgodisch, riekend naar afgoderij
‘Piosk’ = Piaski (plaatsje in prov. Lublin, en wijk Warschau)
‘recite’ – meestal: lezen (zelden zingen)
‘scholar’ – geleerde (niet: talmoed- etc.)
‘sponge cake’ = eierkoek
‘Threnodies’ – Treurzangen
‘warden’ = ‘elder’ = parnassijn, etc.
36 verborgen rechtvaardigen (tzaddikim; niet: heiligen)
aardappel-kugel
afgezant (niet: afgevaardigde)
Afikoman, het
Alenoe, het
armageddon (VD)
Baäl Sjem, de (VD)
Baba Kama (zonder lidwoord)
bagel (niet cursief)
ballingschap, de
barmitswe (Beem)
Bathseba (VD)
beadle=koster
Beth Din, het
Bijbel (indien Talmoed) (kan per boek verschillen)
bijbelse namen (Van Dale, anders NBG)
blintzes
boetegebed (of purity)
britska
Chacham (titel Portugese opperrabbijn)
Chaim (niet Haim)
challe (cursief/niet-cursief hangt van boek af)
chaloetsim
chamets, het
Charkov
Chmelnicki
Chol Hamoëd Soekot – de tussendagen van het Loofhuttenfeest
Der moment
Din Tora, het
doctor=dr.
Drie weken, de
drugstore (niet cursief)
Eerste Oorzaak
eloel
etrog (zie 65)
farao (of Farao) soms zonder lidwoord
Frankfurter (knakworst, hotdog)
geloften (volgens NOB religieus)
Ger, de rabbijn van; ook: de Gerer rabbijn, de Turiskse …
Ger (niet Gur!)
Gesiastraat, in Warschau
grosz
Haim –> Chaim
halfopen schoenen (rabbijn)
Haman de booswicht
havdala, hij bad het
Haynt, de
hebraïsten
Hechaloets, Hasjomer (pioniers)
Heilige Land, het
Hoge Feestdagen, de
inkeer, gebed en liefdadigheid kunnen het Boze oordeel afwenden
Isaac vousvoyeert ouders
Izaäk (VD)
jaartijdkaars
Janasjs bazaar, markt in vooroorlogs Warschau
Jecke (Duitse jood)
Jentel
Jesaja (Eng: Isaiah)
jesjiewe-leerling
jiddisjisten
Joël (VD)
Jonathan ben Uziël
Joshua –> Jozua
Kabbala (hangt af van boek)
kasserol
kiddoesj
Kleine Verzoendag
Kock (niet: Kotzk), plaats in Polen
Kohen
kol nidree (VD)
kozakken
kraagstuk (bij gebedsmantel)
kreplach, de … komen eraan
lange jas (niet: kapotjas)
Leoncin
Marszalkowskastraat, hoofdstraat Warschau
matse(s) (groene boekje)
mazzeltof
Menachot (verh. Talmoed)
mentor (leraar)
mesjokke
mikwevrouw
Mizrachi
Nebuzaradan
Negen dagen, de
Negende av, de
Negenenveertig Poorten der Onreinheid
neiging tot het kwade, de
nickel, penny (idem)
Nieuwe-Wereldstraat, Warschau
noedels
Nowy Dwor
Onkelos
Ontzagwekkende Dagen, de
Paasfeest (paasavond)
parkieten kussen inderdaad
Pentateuch (hangt van boek af)
pet (vaak toch niet: hoed)
Pinchos (niet Pinhos)
Pinhos –> Pinchos
poed (16+ kilo, veertig ponden)
pretzels (b.v. zoute)
rabbi Josselman (von Rosheim)
rabbi Chanina ben Dussa (eig.: tot 500 na Chr. Rabbi, daarna rabbi Tan – Rabbenoe (is het nu: Rabbenoe Tam?)
rabbi Jehoeda
Radzymin, plaats bij Warschau
resjaim
sabbatsrust (en -maal)
Saksische Tuin, de – park in centrum Warschau
Samaël (de Boze)
Sanhedrin, het
Satan (per verhaal, ook s)
schotel linzen
sexton=gemeentedienaar
Sifre, Sifra, Tosefta, Mechilta
Sigismond
sjlachmones
sponge cake (mosc geb) –> eierkoek
talk (waar kaarsen van gemaakt waren)
talmoed tora
Tam, Rabbenoe (zo dus? zie elders!)
tebet (maand)
thee wordt gekookt (op z’n Grieks)
thigh (eufemisme voor schoot)
tz=cz (van Amerikaans naar Pools)
tzaddik(im)
uitgaande Jom Kippoer
uitgeleidekaars – gevlochten kaars
valise=valies (maar niet altijd)
voorgeborchte
voorhangsel (van Arke, liever niet: gordijn)
wekelijkse afdeling
Wilna (dus maar geen V in vertalingen van Singer)
Zakroczyn
Zevachim (verh. Talmoed)
Zeven Wijsheden van de Wereld
Zevende Hemel
zloty (meestal geen meervoud-‘s)

Woordenboek oude zeilvaart, van Inge Kok, vertaalster van o.m. de boeken van Patrick O’Brien

aanhouden 1. in een bepaalde, gewenste koers zeilen. 2. met dezelfde vaart dezelfde koers blijven zeilen.

aanklampen langszij een vijandelijk schip komen en eraan vasthaken om het te enteren.

aanliggen zekere koers houden.

aanloden al lodend een plek naderen waarvan men de diepte kent, om zo de plaats van het schip te bepalen.

aanloeven zie: oploeven.

aanschietende zee hoger wordende golven bij opkomende harde wind.

aanslaan 1. iets stevig en blijvend vastmaken. 2. een zeil aan een ra, gaffel of stag bevestigen.

aanzetten de lading met een rambout achter in een kanon duwen en vastzetten.

aap* bezaansstagzeil.

achterlastig stuurlastig, het achterschip ligt dieper dan het voorschip.

achterlijk op een achterwaarts gelegen plaats

achterscheg het scherpe achterste deel van het onderwaterschip.

achtkant het achtkantige middenstuk van een ra tussen de twee ronde einden, waaraan alle tuigonderdelen worden bevestigd.

adelborst cadet bij de zeemacht, leerling officier.

admiraalsbocht een boot in en fraaie ruime bocht langszij brengen.

adviesjacht snelvarend schip dat wordt gebruikt voor het overbrengen van berichten en personen en voor het uitvoeren van verkenningen.

af- en aanhouden het schip vaart over de ene boeg naar het land en over de andere naar zee, zodat het feitelijk niet vooruitkomt.

afdrijven door de werking van wind en stroom dwars van de gestuurde koers afwijken.

afhouden 1. langzamerhand meer voor de wind gaan varen. 2. de koers van een schip veranderen om een bepaald punt te passeren of te vermijden. 3. met een vaarboom of bootshaak een dreigende aanvaring met een ander schip of de wal proberen te voorkomen.

afknijpen zo scherp mogelijk bij de wind zeilen.

afloden water met het dieplood peilen en de waargenomen diepten op een kaart aantekenen.

afmeren het schip door middel van trossen vastleggen aan de wal, een meerpaal of een meerboei.

afrijden het schip zo neerleggen en de zeilen zo zetten dat het schip goed in zee ligt en zonder veel water over te nemen de storm kan doorstaan.

afschaken de parten van een talie waarvan de blokken te dicht tegen elkaar staan en waaraan geen last hangt, met de hand over de schijven schuiven om de blokken verder van elkaar te brengen en de talie gebruiksklaar te maken.

afslechten stiller worden van een onstuimige zee.

afstoppen een tros of kabel waar kracht op staat, op een bepaalde manier vastmaken, waardoor er geen kracht meer op de loos staat en die zonder moeite kan worden belegd.

afvallen afhouden, meer voor de wind gaan zeilen.

anker een oude inhoudsmaat, 36 liter.

ankerkluis opening in de scheepshuid waardoor de ankerkabel loopt.

ankerwacht deel van de wacht die bij het ten anker liggen voortdurend aan dek is om het anker in de gaten te houden.

apostel een van de twee opstaande houten die aan weerszijden tegen de voorsteven zijn aangebracht.

arsenaal militaire instelling die een geheel van scheepswerven en magazijnen vormt.

avegaar zeer lange boor waarmee gaten voor bouten en nagels worden voorgeboord.

aviso zie: adviesjacht.

azimutkompas kompas om hemellichamen te peilen die niet hoger dan 15° boven de horizon staan.

baar matroos die zijn eerste reis maakt.

baas timmerman.

bak slaan een vierkant zeil slaat bak wanneer het door een plotselinge windverandering tegen de mast wordt geslagen.

bak zetten zodanig brassen dat de wind van voren in de zeilen valt en ze tegen de mast drukt.

bak 1. houten schafbalie of schotel waarin het warme eten uit de kombuis wordt aangevoerd en waaruit ook wordt gegeten. 2. matrozen die samen uit één bak eten, samen dienst doen etc. (baksmaats). 3. het voorste deel van het opperdek, van de steven tot een stuk achter de voormast.

bakboord linkerzijde van een schip wanneer men met het gezicht naar de voorsteven staat.

bakdek dek dat het schip vanaf de voorsteven tot aan of zelfs voorbij het midden over de gehele breedte van de romp overdekt.

baksen het geschut in de gewenste horizontale positie stellen.

baksjongen jongste matroos van een bak die belast is met het ophalen van de maaltijden.

bakstag zie: pardoen.

bakstagsgewijs met bakstagwind, dat wil zeggen dat de wind schuin van achteren inkomt.

bakstagwind wind die ruim, meer dan vier streken achterlijker dan dwars, in de zeilen waait.

balkweger zware langsscheepse balk aan de binnenkant van de spanten, die de dekbalken ondersteunt, een belangrijk onderdeel van het langsscheeps verband.

ballast zware grondstoffen zoals zand, steen, ijzer, lood of water, die helemaal onder in de scheepsromp worden gestuwd om voor een goede stabiliteit en/of diepgang te zorgen, of de ligging in het water te verbeteren of aan te passen.

banker de benaming voor diverse typen driemasters die voor Newfoundland op kabeljauw vissen.

barca-longa klein roei- en zeilvaartuig.

bark schip waarop de voorste twee masten vierkant zijn getuigd en de achterste mast langsscheeps

barkas grootste sloep aan boord van een oorlogsschip.

barktuig schip waarop de voorste twee masten vierkant zijn getuigd en de achterste mast langsscheeps is getuigd.

barring 1. reserverondhouten die aan dek liggen, ook de plek waar ze liggen. 2. rommel, bagage.

bediening 1. het afschieten van kanonnen. 2. de hiertoe benodigde manschappen.

begijn vierkant onderzeil aan de onderste ra van de kruismast.

begijnenra onderste ra aan de kruismast van een volschip.

bekleden een touw of kabel ter bescherming met garen of leer omwinden.

beleggen een eind touw zodanig vastmaken dat het niet vanzelf kan losraken maar wel gemakkelijk kan worden losgemaakt.

Bentinckwant de puttings van de marssteng zijn niet op de hoofdtouwen of de ondermast vastgezet, maar op een wantstag, waarbij het stuurboordwantstag op de bakboordrust wordt gezet en vice versa.

Bentinckzeil driehoekig onderzeil dat op vierkant getuigde schepen aan de grote mast en de kruismast kan worden gevoerd.

bergen de zeilen ophalen en op de ra vastmaken of strijken.

berghout een aantal extra zware planken die, deel uitmakend van de huid, het schip ter hoogte van een dek als een hoepel omgeven, een belangrijk onderdeel van het langsscheeps verband.

beslaan opgedoekte zeilen met banden op een boom of ra vastmaken.

beslagseizing band van gevlochten touwwerk waarmee een geborgen zeil op de ra, gaffel of boom is vastgemaakt.

bestek het vaststellen van de geografische positie van een schip.

bestek, gegist bestekberekening door de gestuurde kompaskoers te koppelen aan de door de log aangegeven afgelegde weg, zonder astronomische waarnemingen.

beting samenstel van balken waar de ankerkabel op wordt belegd.

betingstijlen zware verticale balken die door verschillende dekken heen lopen en de dragers vormen voor een horizontale balk waarop de ankerkabel wordt belegd.

bezaan(zeil) het langsscheepse, achterste gaffelzeil op een schip met meerdere masten.

bezaansschoot aan term die aankondigt dat er een extra rantsoen sterkedrank wordt uitgedeeld.

bijdraaien een schip onder vol tuig nagenoeg stilleggen door de kop in de wind te draaien of de zeilen tegen te brassen.

bijleggen/bijliggen het schip bij storm onder klein zeil met de kop op de zee en zo hoog mogelijk aan de wind houden, zodat het weinig weg aflegt.

bijliggen, voor top en takel – bijliggen terwijl alle zeilen geborgen zijn, waardoor de wind alleen op het tuig kan inwerken, waarvan de stengen meestal nog geschoten zijn.

bijsteken een kabel vieren of verder uitvieren.

billen het ronde, overhangende deel van het achterschip boven de waterlijn.

bitstuk loze steven die soms als bescherming tegen de voorkant van de voorsteven wordt geplaatst en ook de loefwaardigheid moet verhogen.

bitterend versleten eind oud touw dat gepluisd en tot schiemansgaren moet worden geslagen.

blinde razeil onder de boegspriet.

bloedloop dysenterie.

blok werktuig dat touw geleidt en waaruit talies of takels worden samengesteld; er zijn talloze soorten blokken die telkens, afhankelijk van hun opbouw en functie, een eigen naam hebben.

Blue Peter een blauwe vlag met een wit vierkant, de letter P, die aangeeft dat een schip op vertrek ligt.

bocht 1 gebogen deel van een touw dat rond ligt of over schijven loopt. 2. iedere ring van touw in een opgeschoten tros.

bodem, vuile de bodem is vuil wanneer schelpen en planten zich erop hebben vastgezet, wat de vaart belemmert.

boegen koersen, varen.

boegseertros tros waaraan een schip door één of meer roeiboten wordt voortgesleept of geboegseerd.

boegseren een schip met een of meer roeiboten voortslepen.

boegspriet vast rondhout dat langsscheeps, in een min of meer opwaartse hoek over de voorsteven buiten de scheepsromp steekt.

boelijn touw waarmee het loeflijk van razeilen bij het aan de wind zeilen strak wordt getrokken om het zeil beter wind te laten vangen.

bok twee- of driebenig hijstoestel voor zware lasten.

bom schijfvormige stop in een vat

bonnet reep zeildoek die aan de onderkant van een zeil wordt geregen om het zeiloppervlak tijdelijk te vergroten.

boom 1. drijvende balk die de toegang tot een haven of vaargeul afsluit. 2. stevige spaak die in de kop van een kaapstander wordt gestoken en waarmee deze wordt bediend. 3. rondhout dat met één kant tegen de mast is opgehangen en waaraan de onderkant van een langsscheeps zeil is vastgemaakt. 4. zie: kluiverboom.

boomtouw* touw dat de uiteinden van de spaken van een gangspil met elkaar verbindt om te voorkomen dat ze tijdens het winden uit de gaten in de kop van het spil zouden vallen.

boord, te – stellen een kanon met behulp van talies naar buiten trekken tot de loop uit de geschutpoort steekt.

bootsman onderofficier die leiding geeft aan de matrozen en verantwoordelijk is voor alles wat het schip betreft, zeilen, tuig, ankers, verf etc.

boord bovenwaterschip.

bootsmansstoeltje zitplankje dat aan een enkele takel of val hangt, voor werkzaamheden aan het tuig waar geen normale staanplaats is.

borg 1. zware strop waarvan er een of twee om het midden van een ra worden gelegd om die aan de masttop te hangen. 2. elk touw waarmee een onderdeel extra wordt bevestigd om verlies tegen te gaan als de oorspronkelijke ophanging het zou begeven. Zo moet een borgstag voorkomen dat de stag bij een breuk naar beneden valt.

borgketting ketting waarmee de onderra wordt beveiligd tegen losslaan (wordt geborgd) om te voorkomen dat die naar beneden zou vallen als het zware touw waarmee de ra’s worden gehesen en gestreken, wordt doorgeschoten.

borgstag extra stag om te voorkomen dat het stag naar beneden zou vallen als het door een schot wordt geraakt.

bot vangen bij het roeien de riem over in plaats van in het water slaan.

bottelier administratief officier die verantwoordelijk is voor de proviand en plunje en de verdeling daarvan.

botteloef boom op het voorschip waarop de hals van een vierkant fokkenzeil wordt uitgehouden.

bout, blinde bout die niet dwars door een verbinding heen gaat en dus maar aan één kant te zien is.

boutkogel twee halve kanonskogels die met de platte zijde naar elkaar toe door een stang zijn verbonden. Zo’n kogel gaat na het afvuren slingeren en wordt daarom gebruikt om schade aan het tuig en de rondhouten te veroorzaken.

boutziek de bouten en spijkers van het schip zijn zo roestig dat ze los zitten, waardoor het verband erg is verzwakt en er lekken kunnen ontstaan.

bovendek het bovenste dek of hoofddek, ook wel opperdek of verdek genoemd, dat zich over de hele lengte van het schip uitstrekt. De dekken erboven, de bak en de kampanje e.d., lopen slechts over een deel van de scheepslengte.

bovenrol lijst van personen die niet tot de vastgestelde sterkte van de bemanning behoren.

bovenrolsgast iemand die boven de sterkte aan de bemanning is toegevoegd.

bovenwaterschip het gedeelte van de scheepsromp dat zich boven de waterlijn bevindt.

bovenwinds aan de zijde waar de wind vandaan komt.

bramstaglopers kapucijners.

bras touw of takel waarmee een ra in het horizontale vlak wordt gedraaid (brassen).

brassen* de ra in het horizontale vlak draaien.

breedte de langs een meridiaan, in graden gemeten afstand ten noorden of ten zuiden van de evenaar.

breek het eruit bevel om het anker uit de grond te trekken en verder omhoog te hieuwen.

breeuwen gaten, scheuren en naden tussen planken etc. met werk of katoen dichten en vervolgens met pek waterdicht afsluiten.

breezijde al het geschut aan één kant van een oorlogsschip; wanneer een breezijde in één keer wordt afgeschoten, wordt ‘de volle laag’ gegeven.

breker zware golf die door de wind of een dicht onder de waterspiegel liggende hindernis hoog wordt opgestuwd en in elkaar stort. Ook een zware golf die tegen een schip aan loopt en als een stortzee over het dek raast.

brik schip met twee vierkant getuigde masten en een langsscheeps zeil (brikzeil) achter de grote mast.

brikzeil bezaan op een brik.

britsen met een eind touw op de rug en of broek slaan.

broeking 1. sterk zwaar touw waarin een kanon wordt opgevangen dat door de klap van het schot achteruitloopt. 2. brede platte, uit dun touw geweven band die aan beide uiteinden voorzien is van een oog en wordt gebruikt om boten stevig vast te sjorren.

broodwinner langwerpig hulpzeil dat op een vierkant getuigd schip wordt bijgezet achter het gaffelzeil van de achterste mast.

buik het gewelfde middelste deel van een zeil dat onder invloed van de wind bol gaat staan.

buikgording touw dat via een blok aan de ra langs de voorkant van het zeil naar het onderlijk loopt en waarmee dat onderlijk naar de ra kan worden opgehaald als het zeil moet worden geborgen.

buiswater fijn stuifwater dat over het voorschip opspat en over het schip waait.

bus metalen buis in de schijf van een blok waar de nagel doorheen komt.

bus, blikken bus met kogels, spijkers en schroot die na het afvuren uit elkaar barst, bijzonder gevaarlijk voor bemanning en tuig.

cardanophanging twee concentrische, om loodrecht op elkaar staande assen draaibare ringen, de cardanringen, waardoor iets ongeacht de ligging van het schip horizontaal wordt gehouden.

carronade kort kanon dat een kogel van korte afstand met een grote vernietigingskracht kan afvuren.

cartelschip schip dat krachtens een overeenkomst tussen oorlogvoerende partijen is belast met het overnemen van uit te wisselen krijsgevangenen of het overbrengen van onderhandelingsvoorstellen.

casseren een officier ontslaan.

centenaar honderd oude ponden.

chronometer tijdmeter die wordt gebruikt voor het bepalen van de geografische lengte waarop een schip zich bevindt door de plaatselijke tijd te vergelijken met die van Greenwich.

commandeur 1. rang van opperofficier, bevelhebber van een eskader. 2. stukcommandant, de commandant van de bediening die het kanon richt en afvuurt.

commissie 1. last, opdracht door een openbaar gezag verleend. 2. overdracht van zeker gezag en het stuk waarin deze vervat is.

contingentmensen mensen die behoorden tot de verplichte bijdrage van een stad of streek aan de krijgsmacht.

contrasein sein waarmee een schip aangeeft dat een ontvangen sein goed is begrepen.

daags anker een van de twee grote ankers die steeds klaar voor gebruik zijn.

dagge eind touw waarmee iemand wordt gestraft (gebritst).

dagman bemanningslid dat niet bij een van de wachten is ingedeeld en alleen overdag werkt.

davit hijstoestel voor het aan boord brengen of te water laten van een sloep of boot.

deinzen achteruit varen of drijven.

dekofficier op een oorlogsschip een hogere onderofficier zoals de bootsman etc.

deviatie van het kompas de hoek die de kompasnaald door de krachten van het scheepsmagnetisch veld met de magnetische meridiaan maakt.

dhow Arabisch vrachtzeilschip.

dienstige wind wind die uit een gunstige richting waait ten aanzien van de route die het schip moet nemen.

dissel soort bijl.

doft dwarse bank in een roei- of zeilboot.

dogger bepaald soort vissersboot voor de kabeljauwvangst.

dolboord deel van de bovenste, langsscheepse versterking van een sloep.

dompel mengsel van kalk, fijngehakt werk (geplozen touw) en olie, waarmee naden in het dek en in rondhouten worden gedicht.

dompen de loop van een kanon op een punt onder de horizon richten.

doodzeilen met zoveel vaart tegen de stroom of het getij in zeilen dat het schip toch verder komt.

doorhalen een touw inhalen tot het strak komt te staan.

doorschieten schip of tuig zo zwaar beschieten dat het vol gaten zit en grotendeels of geheel onbruikbaar is.

doorstaan van het tij als het tij na de kentering, de overgang tussen hoog- en laagwater, goed de andere kant op stroomt.

doorzetten het doorbuigen zonder te breken van onder andere een rondhout, waardoor een blijvende vervorming kan ontstaan.

dory kleine, voor en achter symmetrische sloep waarvan er een aantal in elkaar gestapeld op het dek van Amerikaanse visserschoeners stonden. Ze werden door een of twee man gebruikt om met geaasde lijnen op kabeljauw te vissen.

draaibas licht kanon dat in alle richtingen kan schieten.

draaireep dik touw dat deel uitmaakt van de takel die wordt gebruikt om de mars- en bramra’s te hijsen.

drachme oud medicinaal gewicht, ongeveer 3,9 gram.

dracht de rechtlijnige maximale afstand die een kogel kan afleggen nadat hij is afgeschoten.

dragen (van zeilen) bol staan door de wind.

drempel 1. zware horizontale balk die de boven- of onderkant van een geschutpoort vormt. 2. een ondiepte of bank die door het bezinken van grind, modder etc. voor of in de monding van een rivier of haven ontstaat.

driedekker een schip met drie geschutlagen.

drift het dwarsscheeps afdrijven van een schip.

drift, op {gs-} raken 1. wegdrijven omdat het schip is losgeslagen. 2. uit zijn evenwicht raken en vreemde dingen gaan doen.

drijfanker zware zeildoekse zak die bij zware zee aan een lange lijn wordt uitgevierd om de kop van het schip op zee te houden.

drossen deserteren, zonder toestemming en zonder af te monsteren het schip verlaten.

druif knop op de achterkant van de loop van een kanon.

druif/druifschot bus met ronde kogels die na het afvuren uit elkaar barst en grote schade aanricht.

druk op het roer de kracht van het langsstromende water op het roer van een varend schip, waardoor er gestuurd kan worden.

dubbelen de scheepsromp beslaan met koper-, zink- of loodplaten, de dubbeling, om haar te beschermen tegen paalworm en aangroei.

duim lengtemaat van ongeveer 2,5 centimeter.

duinkerker zware, ruige zeemansjas.

dwars loodrecht op de lengteas van het schip.

dwarsgetuigd zie: vierkant getuigd.

dwarsvallen onvrijwillige wending van een schip dat door een achter invallende zee of slordig sturen dwars op de golven komt te liggen.

dwarszaling zie: zaling.

eenschijfsblok blok met slechts één schijf.

Eiland, het Madeira.

eind/end elk soort touw, niet alleen het uiteinde van een touw.

elevatie hoek die de as van de ziel of het inwendige van een kanon met het horizontale vlak maakt.

elleboog in de kabels bij twee uitgezette ankerkabels is elke kabel door het zwaaien van het schip eenmaal over en onder de andere gedraaid.

enfileren een schip langsscheeps doorschieten.

enterdreg klein werpanker met puntig uitgesmede en van een weerhaak voorziene handen, waarmee een aangevallen schip wordt vastgegrepen.

enteren 1. in het want klimmen, ook wel openteren genoemd. 2. een schip aanklampen en beklimmen om het te veroveren.

equinoctiaalstormen buitengewoon zware stormen die optreden rond de nachteveningen (21 maart en 23 september).

equipage scheepsbemanning met uitzondering van de officieren.

equipagemeester ambtenaar belast met het toezicht op de uitrusting van schepen in een arsenaal of op een werf.

ezelshoofd blok boven aan een mast of steng waardoor de tegen die mast of steng geplaatste volgende steng wordt gesteund.

fats 1. bonnet, extra stuk zeildoek dat onder een marszeil wordt aangeregen. 2. onderbonnet die onder een reeds aangebrachte bonnet wordt geregen.

feloek klein roei en zeilvaartuig van de Franse Middellandse-Zeekust.

fiscaal ambtenaar die bij een zeekrijgsraad het Openbaar Ministerie waarneemt.

flensen d walvis ontdoen van zijn speklaag.

flerecijn jicht, reumatiek

fluit een goedkoop en efficiënt type Hollandse koopvaarder met drie masten, dat veel lading kan vervoeren en een betrekkelijk kleine bemanning en weinig tot geen geschut heeft.

fok het onderzeil aan de voormast van grote schepen.

foksel ruimte onder het bakdek waar de bemanning verbleef.

foksellied zeemanslied dat de matrozen in hun vrije tijd ter ontspanning zongen.

foksie een streng samengedraaide garens waarvan seizings (platte strengen) en matten worden gevlochten.

frater helper van de chirurgijn die tevens barbier van de bemanning is.

fregat relatief licht en snel oorlogsschip met drie vierkant getuigde masten en een gaffelzeil aan de kruismast, dat tot zestig stukken voert.

gaffel rondhout dat schuin omhoogloopt en tegen de achterkant van een mast steunt.

gaffelzeil trapeziumvormig zeil dat aan de gaffel wordt bevestigd.

galjoen vaak versierde, tot ver voor de voorsteven reikende uitbouw van het voorschip die de boegspriet steunt.

galjoot kustvaarder uit de 17de tot en met de 19de eeuw.

gang 1. afstand die een laverend schip zonder te wenden aflegt. 2. reeks planken die op dezelfde hoogte deel uitmaken van de scheepshuid.

gangspil kaapstander, spil die met behulp van handspaken door mankracht word aangedreven en wordt gebruikt voor zwaar werk, zoals het hieuwen van het anker.

garenstrop een extra sterke strop die uit een aantal garens is samengesteld.

gast volwaardig zeeman die bepaalde welomschreven taken uitvoert.

geerde lijn die vanaf de nok of het eind van een gaffel naar dek loopt en dit rondhout in bedwang houdt en in de juiste stand zet.

gei 1. touw dat een rondhout zijdelings moet stagen. 2. lopend touw aan de achterkant van het zeil waarmee het zeil wordt opgehaald of gegeid.

gei de halzen en de schoten commando waarop bij het overstag gaan de fokkenhals en de grote schoot worden losgegooid.

geien zeil ophalen of gorden zodat het minder wind vangt.

gelijklastig het schip ligt voor even diep in het water als achter.

gemak wc in de boeg voor de matrozen.

geschutdek het dek waar het zwaarste geschut staat opgesteld en dat daarom ook batterijdek wordt genoemd; bij uitbreiding alle gesloten dekken waar een batterij staat opgesteld. Zo heeft een tweedekker één geschutdek en een driedekker twee.

geus 1. kleine vlag met een bijzonder kenteken, landswapen etc., die op de boegspriet, de blindensteng of het voorschip wordt gevoerd. 2. prismatisch lichaam van gegoten ruw ijzer.

geussteng vlaggenstok die op de blindensteng wordt geplaatst om er de geus aan te hijsen.

gezangboek zachte zandsteen waarmee het dek wordt geschuurd (psalmzingen).

gezondheidspas geschreven bewijsstuk dat er geen besmettelijke ziekten aan boord waren bij vertrek uit de vorige haven.

giek 1. lange, smalle, lichte boot voor de commandant. 2. boom waarmee de schoot van een gaffelzeil wordt uitgehouden.

gieren steeds van de koerslijn afwijken door slecht sturen.

gieteling prismatisch lichaam van gegoten ruw ijzer.

gijpen het al dan niet opzettelijk overzwaaien van een gaffelzeil van het ene naar het andere boord. Een onverwachte gijp kan zeer gevaarlijk zijn.

gilling hoge halfronde, soms ook hoekige overgang van het ene deel van de verschansing naar een volgend, lager gedeelte.

gladdekschip een schip waarvan het bovendek ononderbroken van voor- tot achtersteven doorloopt.

glas 1. zandloper. 2. tijdsruimte van een halfuur, die met een slag op de bel kenbaar wordt gemaakt (glazen slaan); het etmaal wordt aan boord verdeeld in zes wachten van vier uur en elke wacht in acht glazen. 3. verrekijker. 4. barometer; bij een vallend glas daalt de barometer.

gloeiende kogel ijzeren kogel die gloeiend wordt gestookt om het doel in brand te schieten.

gorden een zeil gedeeltelijk met bepaalde touwen, gordings, naar de ra, mast of gaffel halen, waardoor het minder wind vangt en gemakkelijker te reven of te bergen is.

gording lopend touw aan de voorkant van een zeil waarmee het zeil wordt opgehaald, gegeid of gegord.

groene zee zware, massieve golf water.

grommer ring van touw.

grond, van de kouwe {gs-} iemand die als matroos voor de mast is begonnen en is opgeklommen tot officier.

grond voelen wordt gezegd als men bij het loden voelt dat het lood grond raakt.

grond, vuile {gs-} gevaarlijke grond om over te zeilen of waarin het anker niet houdt.

grootzeil op vierkant getuigde schepen het onderste razeil aan de grote mast, op langsscheeps getuigde schepen het gaffelzeil aan de grote mast.

Gunterschaal platte liniaal waarop verschillende lijnen en schalen zijn gegraveerd en waarmee men met een passer allerlei berekeningen kan uitvoeren.

haakvoor voorste man in een sloep die de boot met een haak moet tegen- of vasthouden.

haggis Schots gerecht van het gemalen en gekruide orgaanvlees van een schaap dat in de maag van het dier is gekookt.

hakkebord de rijk versierde bovenlijst van het achterschip.

halen aan een touw trekken.

halfdek 1. het achterste deel van het opperdek (achter de grote mast). 2. het dek boven het opperdek dat eveneens tussen de grote mast en het achterschip ligt.

halftij tijdstip waarop een getij de helft van zijn tijd heeft gelopen.

hals touw waarmee de loefzijde van de onderzeilen van een vierkant getuigd schip wordt aangehaald.

halsklamp zware klamp tegen het boord van een schip, met in de bovenkant een gat waar de hals van een zeil door wordt gevoerd.

halzen toehalen* de halzen van de zeilen zo stijf mogelijk naar voren trekken om zo scherp mogelijk aan de wind te kunnen zeilen.

halzen het schip vóór de wind over een andere boeg brengen, waardoor het tijd en hoogte verliest.

hand over hand snel en regelmatig doorhalen, waarbij het touw steeds met de ene hand boven of voor de andere hand wordt vastgepakt.

handleider of ruggenpaard, lijn die bij storm langsscheeps over het dek wordt gespannen en waaraan men zich bij het lopen over dek kan vasthouden om niet overboord te slaan.

handpaard een touw dat met beide uiteinden is bevestigd op de leider, de metalen stang aan de bovenkant van de ra, zodat er een korte bocht is, waar matrozen die op de ra werken uit veiligheid hun onderarm door kunnen steken en zo toch beide handen vrij hebben om te werken.

handspaak een houten of ijzeren spaak waarmee zware lasten worden opgetild, kanonnen en balken e.d. worden verplaatst en die in een kaapstander wordt gestoken om hem rond te draaien.

hanenpoot aantal dunne touwen die zich vanuit één punt, bijv. een blok hout of een ring, uitspreiden.

hangknie knie die de onderkant van een dekbalk met een spant verbindt en daardoor als het ware onder het dek hangt.

hangkompas kompas dat ondersteboven aan de zoldering van de kajuit hangt, waardoor de kapitein onderdeks kan zien welke koes het schip zeilt.

haringbuis vissersvaartuig van de Noordzee dat ook wel als koopvaardijschip werd gebruikt.

harpuis mengsel van hars en lijnolie waarmee scheepsonderdelen werden bestreken (geharpuisd) om verrotting tegen te gaan.

hek in de ruimste zin van het woord de achterzijde van een schip, in engere zin de achterste afsluiting van de romp.

hekbalk zware balk in het achterschip.

hel lage bergruimte in de voorpiek van een schip, onder de bak en het logies.

helmstok houten of metalen stang waarmee het roer in de gewenste stand kan worden gebracht en gehouden.

hermafrodiet een zeilschip dat de zeilen en het tuig van twee scheepstypen combineert.

heude klein vrachtschip.

Heysant de zeemansbenaming voor Île d’Ouessant.

hiel achterste gedeelte van de kiel waarop de achtersteven rust.

hielen een schip door lading en/of ballast te verplaatsen zo ver voor- of achterover laten liggen, dat het voor- of achterschip boven water komt en kan worden gerepareerd.

hieling onderste gedeelte van een mast.

hieuwen een tros of ankerketting met een spil, een kaapstander of met de hand binnen boord halen.

hoeker klein tot middelgroot Hollands type vissersboot en koopvaarder.

hoge wal de zijde van een vaarwater waar de wind vandaan komt, die daardoor beschutting biedt tegen de wind.

hoggen het schip onder de waterlijn met schrobbers reinigen om de aangroei te verwijderen.

hol het ruim van een schip.

holle zee zeegang met bijzonder steile golfkammen en brekers.

hondsvot een oog aan een blok waaraan het vaste part van de loper kan worden bevestigd.

hoofdofficier iemand met de rang van luitenant en kapitein-luitenant- of kapitein-ter-zee.

hoogte verliezen door tegenwind en/of tegenstroom terugzakken naar een punt dat men al voorbij was.

hoosgat diepste plaats in het ruim waar zich lekwater verzamelt en waar de pompen staan.

hougrond grond waarin het anker goed houdt.

houwer een korte brede sabel met een beschermende handgreep die men bij het enteren gebruikt.

huid buitenste afsluiting van een vaartuig, van zeildoek, planken etc.

huis het omhulsel van een blok, dat vaak uit meerdere delen is opgebouwd.

hulfje 0,075 liter.

hulk 1. soms ten dele gesloopte en afgetuigde scheepsromp die wordt gebruikt als opslagplaats, kazerne etc. 2. schip of ponton met een kraan of bok, o.a. voor het inzetten van masten.

in top een zeil is in top wanneer het volledig is gehesen.

inhalen de kanonnen die te boord staan, zover achteruit halen dat de loop binnen boord komt om het stuk te laden of de poort te sluiten.

inhouten verzamelnaam voor de verbanddelen van de romp.

inlopen vanaf het uiteinde van de ra over het eronder hangende touw naar het midden lopen.

innemen het zeiloppervlak verkleinen door een rif te steken of het hele zeil te bergen.

inpikken met een haak vastmaken.

inscheren een touw door de schijfgaten van een blok steken.

invallen met kracht aan de loper van een talie of val trekken.

invalling de binnenwaartse welving van het boord vanaf de waterlijn naar de verschansing.

jaaghout rondhout dat een verlengstuk van de boegspriet en de kluiverboom vormt.

jaagstuk naar voren gericht kanon waarmee men tijdens het jagen vuurt.

jammer een oud schip dat in slechte staat verkeert.

Jan Kaas benaming voor marinepersoneel van lagere rang.

joelen als eerbetoon allemaal tegelijk op commando een juichkreet aanheffen, waarvoor de bemanning zich in het want of langs het boord heeft opgesteld.

jol, enkele/dubbele {gs-} een takel van respectievelijk één enkel blok of van twee enkele blokken.

jol kleinste sloep aan boord van een koopvaarder of oorlogsschip.

jonker aanspreektitel van een adelborst.

jufferblok cirkel- of peervormig plat houten blok zonder schijven, maar met drie gaten en een gegroefde rand, dat wordt gebruikt om de stagen en hoofdtouwen stijf of strak te zetten.

kaaien de stand van de ra’s in het verticale vlak veranderen om tuig bijv. in havens minder breed te maken en aanvaringen te voorkomen.

kaairat meisje dat bij nacht en ontij langs de schepen zwerft op zoek naar vertier en bij de zeeman in zeer laag aanzien staat.

Kaapse hamel albatros.

kaapstander gangspil die met behulp van handspaken door mankracht word aangedreven en wordt gebruikt voor zwaar werk, zoals het hieuwen van het anker.

kabelaring rondlopend touw dat om de kaapstander wordt gelegd en waarop telkens een deel van de ankertros wordt vastgemaakt, die zo wordt opgehesen en naar het kabelgat wordt getrokken, waar de tros weer wordt losgemaakt.

kabelgaren een gesponnen draad van hennep, manilla of een andere vezel.

kabelgast matroos die belast is met de uitgifte en berging van scheepsbehoeften, zoals gereedschap, touwwerk etc.

kabelgat berghok voor kabel etc.

kabellengte een tiende zeemijl, 185 meter.

kabelslag de vezels van de eerste drie strengen van een touw worden in wantslag, rechtsom, met de zon mee geslagen. Deze drie strengen worden vervolgens linksom geslagen. De gleuven tussen de touwen lopen van links boven naar rechts beneden.

kabelstelling vloer van roosterwerk waarop de ankerkabel wordt opgeschoten om daarop uit te lekken en te drogen.

kaboutermannetje soort spook dat ’s nachts rondwaart.

kadraaier officier van administratie.

kaïk een zeilschip uit het oostelijk deel van de Middellandse Zee.

kajuit het ruime zitverblijf van de kapitein waarin hij gasten kan ontvangen.

kalfaten de naden tussen planken, gaten, scheuren e.d. met werk of katoen dichten en vervolgens met pek waterdicht afsluiten.

kameel houten klamp op het dek waarin een boot kan worden geplaatst en vastgesjord.

kampanje het verhoogde achterste deel van een schip.

kant stellen de zeilen zo stellen dat ze op de gunstigste manier wind vangen en het schip onder de beste omstandigheden laten lopen.

kap overdekking van een trapgat.

kardeel 1. het zware touw waarmee de ra’s worden gehesen en gestreken. 2. streng samengedraaide garens waarvan er drie of vier nodig zijn om tot een volledig touw te worden geslagen.

kardoes huls voor of met buskruit als lading voor een kanon.

kardoeskoker houten of leren doos waarin kardoezen van de kruitkamer naar de stuken worden gedragen.

kartets bus met kogels, spijkers en schroot die na het afvuren uit elkaar barst, bijzonder gevaarlijk voor bemanning en tuig.

kat inslingeren het kattakel inpikken (met een haak vastmaken) om het anker onder de kraanbalk te hijsen, te katten.

kat 1. type koopvaardijschip uit noordwest Europa. 2. kattakel, zie: katten.

kat (met de negen staarten) gesel.

katloper loper die de takel vormt tussen het katblok en de schijven van de kraanbalk, en waarmee het anker tot onder de kraanbalk word gehesen of wordt gekat.

katten het anker met de kattakel inpikken en met een haak vastmaken, om het onder de kraanbalk te hijsen of te katten.

kattenoog verrekijker.

katzwijm, in door gebrek aan wind geen vaart meer maken.

kenteren het verlopen van het tij, waarna eb in vloed of vloed in eb overgaat.

kentering het moment waarop het tij verloopt en eb in vloed of vloed in eb overgaat.

kerk vrij grote ruimte voor de kajuit waar ook wel kerkdiensten worden gehouden.

kettingkogel twee holle of halve kogels die door een drie à vier voet lange ketting zijn verbonden.

kiel de ruggengraat van het schip, een lange, meestal uit verschillende delen samengestelde houten balk.

kielen een schip over één boord zover laten overhellen dat de kiel boven water komt, waardoor het onderwaterschip kan worden gerepareerd.

kiellinie vlootformatie waarbij de scheepskielen in één lijn achter elkaar liggen.

kikker belegklamp.

killen het licht trillen van de zeilen doordat de wind erlangs in plaats van erin blaast.

kin een knie, een geknikt stuk hout, die de verbinding vormt tussen de kiel en de voorsteven.

kinnebaksblok eenschijfsblok waarvan het huis, het deel waarin de schijf draait, aan één kant open is, zodat een loper zo op de schijf kan worden gelegd.

kits een klein scheepje, een visser of kustvaarder, met een anderhalfmasttuig, d.w.z. een kleine achtermast met een zeil dat ongeveer half zo groot is als het zeil aan de grotere voorste mast.

klaarzwaaien een ten anker liggend schip laten ronddraaien om de ankerkabels te ontwarren.

klamaai rechte, langsscheepse, tussen de dekbalken geplaatste balk die de dekdelen ondersteunt.

klamp stuk hot waarop een touw wordt belegd en vastgehouden.

klampverbinding houten klamp die over een gescheurd of gebroken rondhout wordt gespijkerd of gebonden om de breuk tijdelijk te versterken, of over een scheur of naad wordt gelegd om die tijdelijk af te dekken.

klapmuts zeiltje dat nog boven het scheizeil aan de grote mast kan worden gehesen.

klaproer roer met aan de achterkant en roerschuif die in neergelaten stand het roereffect vergroot.

klaren een slag of kink verwijderen uit iets dat onklaar is geraakt en in het algemeen iets uit een verwarde of beknepen toestand halen om het weer gebruiksklaar te maken.

klarigheid maken alles klaarmaken en voorbereidingen treffen om een volgend karwei zoals (ont)meren, onder zeil gaan e.d. ogenblikkelijk te kunnen aanpakken.

klauw twee klampen of één stuk aan de voorkant van een zeilboom.

klauwenvet uit het merg van runder- en paardenpoten bereide vette olie waarmee ijzer- en staalwaren worden gesmeerd en ingevet.

kleden het omwinden van touwwerk met schiemansgaren ter bescherming tegen inwateren en slijtage.

kleed de stroken of banen zeildoek waarvan een zeil wordt genaaid.

klens methode om een zwaar touw vast te maken als dat niet met een knoop gaat.

kloekbevaren matroos volmatroos, ervaren matroos die al het werk aan boord kan uitvoeren.

kloot knop op de kop van de masttop, steng, vlaggenstok of bootshaak om het inwateren tegen te gaan.

kluisbord zware houten plaat die voor en over de kluisgaten tegen de scheepsromp ligt ter versterking van de kluisgaten.

kluisgat opening aan weerszijden van de voorsteven waardoor de ankerkabel loopt.

kluiszak een met werk gevulde zeildoekse zak waarmee bij zwaar weer het kluisgat wordt gedicht tegen binnenslaande golven.

kluiver langsscheeps driehoekig stagzeil dat op de kluiverboom, een verlengstuk van de boegspriet, of de boegspriet zelf wordt uitgezet.

kluiverboom rondhout dat permanent aan de boegspriet is bevestigd om deze naar voren te verlengen.

knecht zware opstaande houten stijl bij de masten waarop lopend touwwerk wordt belegd.

knevelstrop touw dat aan het voorste hoofdtouw van het onderwant wordt bevestigd en waarop de niet in gebruik zijnde schoot en hals van de onderzeilen aan het want worden opgehangen, waardoor ze niet op het dek komen te liggen of onklaar kunnen raken.

knie stuk hout dat in een bepaalde hoekige vorm is gegroeid en meestal wordt gebruikt als verbinding tussen dekbalken en spanten.

knoop eenheid die de snelheid van een schip aangeeft; één knoop is één zeemijl per uur.

koebrug extra tussendek dat meestal over de hele lengte doorloopt.

koekoek houten kap met vensters op het dek dat voor licht en lucht in onderdeks gelegen verblijven moet zorgen.

koelbalie grote tobbe met koel- en bluswater voor het geschut.

koelte wind.

koelzeil zeildoekse luchtkoker voor het ontluchten van het ruim.

koeskoes matrozenkost van gortepap met azijn en kruiden..

kogelrak tegen de verschansing gespijkerde bak voor reservekogels.

kollijn vrij korte lijn waarmee op kabeljauw en schelvis wordt gevist.

kombuis plaats aan boord waar het eten wordt klaargemaakt.

konstabel onderofficier die verantwoordelijk is voor het geschut en de munitie.

konstabelskamer gemeenschappelijke ontspanningsruimte voor officieren op kleinere schepen.

kooi slaapplaats op een schip, zowel een vast bed als een hangmat.

kooiverschansing soort bak van netten op de verschansing waar overdag, na het bevel ‘kooien op’, de opgerolde hangmatten in worden gestuwd; ’s avonds wordt er ‘kooien af’ geblazen.

kopervast wordt gezegd van een schip waarvoor uitsluitend nagels e.d. van koper of een roestvrije koperlegering zijn gebruikt.

koplastig de kop, het voorschip, ligt dieper dan het achterschip.

koppelkoers de uiteindelijk afgelegde koers die men verkrijgt door de verschillende koersen die tijden het laveren zijn gestuurd en de afgelegde weg met hun breedteverschil en breedteafwijkingen algebraïsch op te tellen of te koppelen. Dit gebeurt met behulp van een pinkompas.

kortelas kort, tweesnijdend zwaard, grote dolk.

korvet lichtgebouwd, snelvarend oorlogsschip met een licht fregattuig dat twintig tot dertig stukken voert.

korvijnagel houten of ijzeren nagel waarom een eind touw kan worden vastgelegd.

kotter klein type zeewaardig schip met één mast dat tien stukken voert.

kous metalen ring in een oog of lus van een touw.

kraag groot oog aan een stag waarmee het over de masttop e.d. wordt gelegd.

kraanbalk zware balk die op het voorschip op de boeg ligt en schuin naar buiten steek; het anker hangt eraan en wordt erop vastgezet.

krabben het anker sleept over de bodem omdat het niet houdt.

kracht van zeil zoveel zeil voeren dat het gevaarlijk kan worden.

kramgaren raband, dun eind touw waarmee de zeilen op gaffels en ra’s worden aangeslagen.

krans een ring van touw waarin kogels dicht bij de stukken worden gelegd.

krasser instrument waarmee een afgevuurd kanon wordt gereinigd om de achtergebleven resten van de kruitzak of het kardoes uit de loop te halen.

krimpen verandering van de windrichting tegen de klok in, bijvoorbeeld van ZW naar Z.

kruisen 1. laveren, beurtelings over de ene en de andere boeg zeilen om zich tegen de wind in op te werken. 2. op een bepaalde plaats op zee op en neer varen om op een ander schip te wachten of de vijand in de gaten te houden etc.

kruiser schip dat op een bepaalde plaats kruist, heen en weer vaart, om op een vloot te wachten of de kust te bewaken e.d.

kruisklamp speciale klamp die tegen de verschansing is gebout en dient voor het beleggen van zwaar touwwerk.

kruismast zie: mast.

kruistocht tocht van een schip dat in een bepaald gebied kruist om de kust te bewaken en smokkelaars te onderscheppen etc.

kruisverband een bouwwijze ter versterking van het langsverband van een schip (de delen die bijdragen tot de langsscheepse sterkte van de romp) om het doorbuigen onder het gewicht van het geschut tegen te gaan.

kruiszwichting zwichting aan de ondermasten, een extra steun voor de hoofdtouwen, zie: zwichten.

kuil 1. het tussen de bak en het halfdek gelegen dek. 2. opgerolde of opgeschoten tros.

kulas het achterste deel van en kanon.

kwadrant instrument voor hoekmeting, om door middel van de poolster of de zon de positie te bepalen.

kwartiermeester onderofficier van de dekdienst.

laag de gezamenlijke stukken geschut, meestal van één kaliber, die op hetzelfde dek staan opgesteld. De volle laag wordt gegeven als alle stukken aan een kant van het schip tegelijk worden afgevuurd.

laag bij de wind zeilen met de wind achterlijker dan dwars en ruim in de zeilen.

laat gaan overal bevel dat bij het vertrek van een ankerplaats aan de mannen op de ra wordt gegeven, waarop ze zo snel mogelijk de zeilen bijzetten.

labberkoelte flauwe wind die de zeilen nauwelijks beweegt.

labberlot grote boot, iets kleiner dan de barkas, waarin vaak hoge officieren en belangrijke personen worden vervoerd.

labberlotgast 1. iemand die tot de bemanning van de labberlot behoort. 2. scheepsnaam voor een insect dat in oude scheepsbeschuit zit.

labskous een scheepsgerecht dat bestaat uit een stamppot van aardappelen, uien, zout vlees en scheepsbeschuit.

lagerwal de kust of wal waar de wind naar toe waait. Bij onvoldoende afstand kan een schip naar land worden gedreven.

land maken vanuit zee land waarnemen.

landhaai iedereen die er alleen maar op uit is de zeeman zijn geld afhandig te maken.

landkenning het voor het eerst opdoemen van land.

landmerk opvallend, goed zichtbaar vast punt op de kust.

lange tekening projectie van de langsdoorsnede van het onderwaterschip op het verticale vlak dat door kiel en stevens gaat.

langsscheeps getuigd de zeilen hangen normaal in de lengterichting van het schip.

langsscheeps in de lengterichting van het schip.

langszaling zie: zaling.

lapje, voor het {gs-} recht voor de wind zeilen.

lapzalf smeermiddel van talk, smeerzeep, lijnolie of vleesvet waarmee de stengen e.d. worden ingewreven.

laskaar Engels-Indisch matroos.

latijnzeil langsscheeps driehoekig zeil dat met de punt omhoog aan de masten wordt gevoerd.

laveren beurtelings over de ene en de andere boeg zeilen om zich tegen de wind in op te werken.

legger vat van 582 liter.

leguaan zware mat van touw die onder onderra’s wordt gelegd om slijtage door schuren tegen te gaan en die de ra bij gevechten moet opvangen als de strop waaraan de ra hangt, zou doorschieten.

leider metalen stang waaraan een zeil wordt aangeslagen.

lekzeil zeil met touwwerk dat met takels onder het schip wordt doorgetroken om een lek onder de waterlijn te dichten.

leng lange strop waarmee een vat of baal wordt opgehesen.

lengte, geografische de afstand in graden van de nulmeridiaan door Greenwich tot de meridiaan die door de plaats van de waarneming loopt.

lenzen onder beperkt zeil voor een storm weglopen.

lenzen, voor top en takel – zonder zeilen voor een storm weglopen.

letter de marque kaper, schip met een kaperbrief van de regering, waardoor het vijandelijke schepen mag aanvallen en buitmaken.

leuver oog van touw in het lijk of de zoom van een zeil om er touwwerk aan te bevestigen.

levendig zeil evenwijdig aan de wind zetten, zodat het geen wind vangt en klappert.

licht volk onbevaren matrozen, mensen zonder ervaring.

lichten het losbreken van het anker uit de bodem.

lichter vaartuig waarmee goederen en/of personen uit een groter schip worden overgenomen om naar de wal of een andere bestemming te worden gebracht of omgekeerd.

lichtmatroos* jonge matroos die nog niet alle werkzaamheden kan en mag verrichten.

ligging de ligging van een schip in het water, die door ballast en lading verander en beïnvloed kan worden.

lij(zijde) de zijde van een schip die van de wind is afgekeerd, het tegenovergestelde van loef.

lijk touw dat ter versterking in de rand van een zeil wordt genaaid; het wordt genoemd naar de plaats waar het zich aan het zeil bevindt: boven-, onderlijk, staand lijk etc.

lijken, uit de – geslagen van zijn stuk gebracht, de kluts kwijt.

lijkust kust die men vanaf het schip aan lij ziet en die niet geschikt is om er te schuilen of te ankeren, omdat er een aanlandige wind waait en men er dus aan lagerwal ligt.

lijnenplan een van de tekeningen die tot het bouwplan van een schip behoren en waarop de lijnen of vormen van de romp zijn getekend.

lijzeil smal zeil dat aan een lijzeilspier naast een hoofdzeil wordt uitgezet om het zeiloppervlak tijdelijk te vergroten.

linie 1. evenaar. 2. gevechtslinie.

linieschip het grootste type oorlogsschip met vijftig tot honderdtwintig stukken, dat met andere linieschepen de (gevechts)linie vormt.

loden met een stuk lood de diepte van het water bepalen; de man die dat doet heet de loder.

loding de door middel van loden vastgestelde diepte van het water.

loef afwinnen door laveren een bepaald punt of schip, dat eerst aan loef lag, aan lij krijgen.

loef/te loevert de hoge kant van het schip, waar de wind op staat, de richting waaruit de wind waait.

loef houden goed bij de wind zeilen en niet afdrijven.

loefgierig eigenschap van een schip om gemakkelijk de kop in de wind te draaien.

loefwaardig eigenschap van een schip dat zich goed tegen wind en zeegang kan opwerken.

log toestel om de snelheid van een schip te bepalen (loggen).

loggen het vaststellen van de snelheid waarmee het schip zich door het water beweegt.

logger scheepstype van de Engelse en Franse Kanaalkust met één tot drie masten en een loggerzeil aan de ondermast.

loggerzeil vierhoekig zeil zonder boom dat aan een langsscheepse ra hangt.

logies bemanningsverblijf.

loglijn lijn waarmee de snelheid van het schip wordt bepaald, waarmee wordt gelogd.

logschuitje/logplankje plankje in de vorm van een cirkelsector dat aan de ronde kant met lood is verzwaard om het rechtop in het water te laten drijven, en dat wordt gebruikt om de snelheid van het schip te bepalen.

logtafel twee tot een boek samengebonden plankjes waarop om het uur aantekeningen worden gemaakt over de vaart van het schip, zoals gestuurde koers, weer, windrichting etc.

longroom gemeenschappelijke ontspanningsruimte voor officieren op grotere schepen.

lood conisch toelopende loden staaf met een oog in de bovenkant waaraan een gemerkt stuk touw, de loodlijn, is bevestigd.

loopbrug brug tussen de bak en het halfdek, een gemakkelijke verbinding tussen het voor- en achterschip.

loopstag algemene benaming voor een touw dat houvast moet bieden, meer in het bijzonder de touwen die net boven en aan weerszijden van de boegspriet tussen het voorschip en het schild lopen; ze bieden houvast aan de matrozen die op de boegspriet moeten uitenteren en er wordt ook wel een net aan gehangen.

loos geven een onder spanning staand touw losser of los maken.

loos de losse of slappe bocht in een touw.

loos doorhalen de losse of slappe bocht in een touw, de loos, stijfzetten, zodat er spanning op komt en er trekkracht mee wordt uitgeoefend.

lopend want al het touwwerk dat door blokken of ogen (versterkte gaten in zeilen) en over schijven loopt en waarmee de zeilen en rondhouten worden bediend.

loper touw waarmee een takel wordt samengesteld en dat daartoe door de blokken wordt gestoken of geschoren.

maansafstand de hoek tussen de maan en een bepaalde ster of de zon, waardoor men de Greenwichtijd kan berekenen en daardoor de lengte waarop het schip zicht bevindt.

maat 1. algemene benaming voor de helper of medewerker van een (onder)officier. 2. de voorgeschreven breedte en dikte die een balk heeft nadat de kanten haaks zijn afgezaagd.

man-end touw langs de valreep waaraan men zich kan vasthouden.

manshoofd een vroeger vaak met een mannenkop versierd uiteinde van een spant of inhout dat boven het dek uitsteekt en zo is bewerkt dat er een tros op kan worden belegd.

mantel touw waarop door middel van een takel kracht wordt uitgeoefend.

mantelbakstag bepaald soort bakstag of pardoen.

marlpriem houten of ijzeren pen die bij het splitsen wordt gebruikt.

mars platform rond de top van een ondermast.

mast 1. de gehele opstaande paal die de zeilen draagt, van voor naar achter respectievelijk fokken- of voormast, grote mast en bezaans- of kruismast. 2. de ondermast, het onderste deel dat met stengen is verlengd.

mast, voor de {gs-} dit heeft betrekking op het volk, dat vroeger voor de fokkenmast woonde.

mast, voor de – dit heeft betrekking op het volk, dat vroeger voor de fokkenmast woonde.

mastkloot houten klos die boven op een mast wordt gezet om de masttop tegen inwateren te beschermen.

mat, gespekte – stuk zeil of gevlochten mat gevuld met lompen en werk etc., waardoor een dikke elastische mat ontstaat.

melkmeid, met de – zeilen op een langsscheeps getuigd, voor de wind zeilend vaartuig zijn de zeilen over verschillende kanten gezet, waardoor ze elkaar niet afdekken.

mengel oude vochtmaat van 2 pinten of 1,2 liter.

meridiaan denkbeeldige cirkel over het aardoppervlak die door de beide polen gaat.

middagbestek de positiebepaling om twaalf uur ’s middags.

middenzwaard houten of metalen plaat die in het midden van de kiel tot onder het vlak van het schip wordt neergelaten en de drift moet beperken.

mijl 1. op het land een Engelse mij. 1609 meter. 2. op zee een zeemijl, 1852 meter.

minderen het zeiloppervlak verkleinen door een of meer zeilen te bergen, op te geien, te reven of te strijken.

minuut het zestigste deel van een graad, aangegeven door het teken ‘, bijvoorbeeld 53°18′.

monsterrol wettelijk document met alle bijzonderheden over de voorwaarden waaronder de zeeman aanmonstert, dat door elke opvarende moet worden getekend en daardoor tevens een bemanningslijst is.

moonsails zeer hoge zeilen die alleen bij heel mooi weer nog boven de scheizeilen worden gevoerd.

morgen- en avondwijdte de afstand tussen het op- en ondergangspunt van de zon.

muis gevlochten knoop op een touw, kabel etc. om houvast tegen wegglijden te geven.

muletta Portugees kustvaardertje.

musketon wapen van een groter kaliber dan het musket, maar minder lang.

mutsje oude vochtmaat, ongeveer 1? deciliter.

muur verschansing, reling.

naaipalm leren band rond de middenhand met een gat voor de duim; ter hoogte van de muis van de duim is een geribbelde ijzeren plaat ingenaaid waarmee de zeilnaald wordt opgedrukt.

naald soort uitstekende gang die over de hele lengte van het schip op gelijke hoogte met het bovendek tegen de spanten werd gezet.

nagel 1. een metalen of houten spijker. 2. as waar de schijf van een blok omheen draait.

nagelbank zware platte balk rond de masten of aan de binnenkant van de verschansing die voorzien is van korvijnagels waarop het lopend touwwerk wordt belegd.

nautische dag een periode van ’s middags twaalf uur tot de volgende middag twaalf uur.

neerhaler touw dat het strijken van een zeil moet vergemakkelijken.

neut een houten rol of balk die in twee naast elkaar geplaatste delen valt en zo voorkomt dat ze gaan schuiven.

nok enigszins dunner uiteinde van een rondhout.

nokseizing bindsel waarmee het hoekoog van een vierkant zeil aan de nok of het uiteinde van de ra wordt bevestigd.

nommerstuk houten klamp die onder de masttop aan beide kanten tegen de mast is gebout en de langszalings moet dragen.

okshoofd oude inhoudsmaat, ongeveer 228 liter.

omwoelen een touw rond twee of meer delen wikkelen.

onderbonnet of fats, extra stuk zeildoek dat onder een reeds gevoerde bonnet wordt aangeregen.

onklaar zwaaien/onklare kluizen situatie waarbij een ten anker liggend schip zo ronddraait dat de ankerkabels verward raken.

onklaar anker uitgezet anker waarvan de kabel rond de stok of de arm is geslagen.

ons oud gewicht, een twaalfde deel van een pond, ongeveer 28 gram.

ontmeren het wegnemen van de trossen waarmee een schip vastligt om te vertrekken. Ook het lichten van eventuele extra ankers alvorens ‘ankerop te gaan’ of weg te varen.

ontredderd zodanig gehavend en in wanorde dat het schip niet meer kan varen.

onttuien het tuianker lichten om onder zeil te gaan.

oor, op een – liggen sterk overhellen.

op en neer het anker is uit de grond gesprongen en hangt loodrecht onder de kabel, terwijl de onderkant nog net de grond raakt.

op en neer houden tijdens het bijliggen met korte slagen laveren zonder vooruit te komen.

opbouw in ruime zin alles wat hoger dan het bovenste dek is, zoals de bak en de kampanje e.d., in enge zin alles wat boven op het dek staat, zoals dekhuizen, koekoeken etc.

opbrengen het want over de masttoppen leggen en rondhouten en andere tuigonderdelen ophijsen om ze op hun plaats te tuigen.

opdoeken, in een pop een vierkant zeil zo tegen de ra halen dat de buik van het zeil in een zogenaamde pop midden en boven op de ra ligt.

opdoeken, met een pop in de mars een zeil zo opdoeken dat het grootste deel van de buik als een zuil rond de voet van de marssteng wordt gebonden, waardoor de ra’s veel slanker lijken dan bij de gebruikelijke wijze van opdoeken.

opdoeken de zeilen ophalen en op de ra vastmaken of strijken.

openteren in het want klimmen.

opgang ladder of trap die van het ene naar het andere dek voert.

opkorten inhalen van de ankerkabel voor het anker wordt gelicht.

opkruisen beurtelings over de ene en de andere boeg zeilen om zich tegen de wind in op te werken.

oplanger onderdeel van een spant, van de dwarsscheeps geplaatste verbanddelen die mede het geraamte van de scheepsromp vormen.

opleggen uit de vaart nemen.

oploeven een schip dat voor de wind zeilt, meer tegen de wind in sturen.

oplopen een ander schip inhalen en voorbijlopen.

opnemen met behulp van peilingen en waarnemingen alle voor de zeevaart nuttige gegevens van een bepaalde kust verzamelen en in kaart brengen.

opper tegen de kracht van de wind en golven beschutte ruimte onder de bovenwinds gelegen opperwal van een eiland e.d.

opperdek het bovenste ononderbroken dek.

opschieten kabels of touwwerk in regelmatige bochten leggen.

opslaan op de trommel slaan om een sein te geven.

opsteken 1. een schip door oploeven scherp aan de wind leggen. 2. een touw verlengen door er en ander met een steek of knoop aan vast te maken. 3. een meerkabel, schoten, toppenants of een stopper meer loos geven, loslaten, laten zakken of vieren.

optuigen 1. een schip voorzien van masten, staand en lopend want, zeilen e.d. 2. in het algemeen iets klaarmaken voor gebruik.

opzet een instrument waarmee in verband met de vizierkorrel de juiste richthoek wordt verkregen waaronder op een bepaalde afstand moet worden gevuurd.

overal alle hens, uitroep om iedereen, ook wie geen wacht heeft, aan dek te roepen.

overfluiten eerbetoon bij het aan boord komen of van boord gaan van belangrijke mensen, dat vergezeld gaat van fluitsignalen.

overgaan toestand waarbij een schip door schuivende lading of felle wind op zijn zij komt te liggen en dreigt te kapseizen.

overhalen een scheepsromp, tuig etc. grondig nazien op gebreken en die herstellen.

overlast overtollige, hinderende, nutteloze of te omvangrijke voorwerpen of tuigonderdelen aan boord van een schip.

overleggen hoofdtouwen e.d. over de top van de mast of steng leggen om het schip op te tuigen.

overloop balk of stang die dwarsscheeps laag boven het dek van boord tot boord loopt en die de schoottalie of schoot van een stagfok, gaffelzeil of boomzeil moet vasthouden en bij het wenden moet leiden.

overmast* te hoog van mast.

overnaads hierbij liggen de huidplanken dakpansgewijs over elkaar heen.

overstag gaan over een andere boeg gaan zeilen, wenden.

paalmast mast waarvan de verschillende onderdelen, de ondermast en de stengen, niet uit afzonderlijke delen maar uit één stuk bestaan.

paalsteek bepaalde steek om in het uiteinde van een touw een oog te maken dat niet dichtschuift.

paalsteek, lopende paalsteek waarvan het oog om de eigen lijn wordt gelegd, waardoor het zo gevormde oog kan worden dichtgetrokken.

paard touw onder de ra’s, waarop de matrozen staan bij het behandelen van de zeilen.

paardenbreedten subtropische gordel met lichte, veranderlijke, variërende winden, hoge druk en een onbewolkte hemel; zo genoemd omdat de paarden er vroeger vaak bezweken doordat de schepen maar niet verder kwamen.

paardenlijn een zes tot twaalf duim dikke tros.

pakketboot een schip dat een vaste verbinding onderhoudt om personen, post en goederen te vervoeren.

pallen met pennen of klampen (pallen) vastzetten.

parallel cirkel op de aardbol evenwijdig aan de evenaar die alle plaatsen met dezelfde breedte verbindt.

pardoen hoofdtouw dat de stengen zijdelings en achterwaarts steunt.

parlementairvlag vredevlag, witte vlag die wordt gehesen om te onderhandelen en krijgsgevangenen uit te wisselen en dergelijke.

parlevinker kleine boot die allerlei koopwaar komt venten.

part, lopend – het deel van een loper van een takel dat over de schijven van de blokken loopt en dus beweegt als men eraan trekt.

part, vast- het uiteinde van de loper van een takel dat bijvoorbeeld aan een vast punt of een blok van de takel vastzit.

partenhouder persoon die een deel van de kosten voor het uitrusten van een walvisvaarder betaalt.

passagieren* voor ontspanning en vermaak andere schepen op zee bezoeken of aan land gaan.

patrijspoort vierkant poortje in de scheepswand om licht te brengen in hutten of verblijven.

perigeum* het dichtst bij de aard gelegen punt in de baan van een hemellichaam.

Petrus, bij – aan de bak zitten in de hemel zijn.

piek de driehoekige ruimte onder het dek in het scherp toelopende voor- of achterschip die als bergruimte wordt gebruikt.

pikken met een haak vasthechten.

pinas tweede grootste boot van een oorlogsschip.

pink koopvaarder met een smal hoog achterschip en fregattuig.

pinkompas een instrument waarmee de gezeilde koers en de afgelegde weg grafisch kunnen worden opgetekend en dat helpt bij het bepalen van de koppelkoers.

pint oude vochtmaat, ruim een halve liter.

pisbak bak achter de kluisgaten waarin het druipwater van anker en trossen wordt opgevangen en waarin ook vaak klein vee wordt gehouden.

plat slaan zo sterk overhellen dat het zeil tot het ater komt en het dek bijna verticaal staat.

platboomd met een platte of vlakke bodem.

platlood stuk lood op het zundgat van een kanon om de kamer droog te houden.

platte koers koers waarbij men aanneemt dat het deel van de aarde waar men vaart plat is, waardoor de meridianen parallel lopen in plaats van convergeren.

plechtanker een van de twee grote ankers die bij de fokkenrust worden gevoerd om bij storm te worden uitgezet, ter vervanging van het daags anker als dat verloren zou gaan. Het wordt slechts in noodgevallen gebruikt.

pluimgraaf de matroos die toezicht houdt op het meegenomen levende vee, zoals geiten, varkens, kippen etc.

pointeren richten.

polakker koopvaardijschip met twee of drie masten die uit één stuk bestaan.

pompzode houten kast rondom de pomp om deze vrij te houden en te beschermen.

pond gewichtseenheid, het oude pond is iets lichter dan het moderne pond.

-ponder negen-, vierentwintigponder etc., geeft een kogel van dat gewicht aan en ook het kanon dat dergelijke kogels afvuurt.

ponjaard dolk.

pop buik, het pak zeildoek dat bij een geborgen zeil in het midden van de ra is gestapeld.

potdeksel balk of dikke plank die de koppen van de verbanddelen van de romp afdekt en bijdraagt tot het langsscheeps verband.

praaien 1. het doorgeven van de waarnemingen van de uitkijk naar het dek. 2. een schip aanroepen en om nadere inlichtingen vragen over nationaliteit, bestemming etc.

practica verlof van de wal om binnen te komen na ontslag uit quarantaine.

presenning uit dik geteerd zeildoek vervaardigd kleed om iets waterdicht af te schermen.

presgang groep marinematrozen die onder leiding van een officier aan land personeel gaat pressen, d.w.z. door middel van list en geweld dwingen dienst te nemen bij de vloot.

pressen zeelui onder dwang en zelfs met geweld dwingen om dienst te nemen bij de marine; dit gebeurt door een presgang.

prijs een vijandelijk schip dat is veroverd of prijs is gemaakt.

prijsgeld het bedrag dat de verkoop van een prijs oplevert en dat volgens vaste regels wordt verdeeld.

prijzenhof officieel lichaam bij de Admiraliteit dat de opgebrachte prijzen verkoop en het prijsgeld verdeelt.

prop bundel hooi, oud touw etc. die de lading van een kanon in de kamer opsluit.

proportionaalpasser rekeninstrument bestaande uit twee linialen met schaalverdelingen, die scharnierend met elkaar zijn verbonden.

provoost onderofficier belast met het toezicht op gevangenen en het handhaven van tucht en orde; hij staat onder de wapenmeester.

psalmboek gebakken gele steen waarmee men het dek schuurt.

puts emmer.

putting* schuine stang- of kettingverbinding die onderaan tegen het boord zit en bovenaan tegen een rust of de verschansing. Via de puttings en de jufferblokken worden de hoofdtouwen langs de rusten aan de romp bevestigd.

puttings/puttingwant de touwen die de verbinding tussen het stengenwant en de mast vormen en van de rand van de mars naar de ondermast lopen, waar ze zijn bevestigd op de puttingband, een ijzeren band rond de mast.

ra lang, zwaar rondhout dat kruiselings tegen de mast is gehangen en waar zeil aan wordt gevoerd.

rak 1. de afstand tussen twee punten die men in één slag kan bezeilen zonder overstag te hoeven gaan. 2. bak met uithollingen voor kogels aan weerszijden van een stuk. 3. beweeglijke verbinding van een ra, gaffel of zeil met de mast.

rambout houten klos op een lange steel waarmee de lading van een kanon in de loop wordt geramd.

rang indeling van oorlogsschepen op basis van het aantal gevoerde stuken.

rank een schip dat snel overhelt en traag slingert met een lange slingertijd.

ranok uiteinde van een ra.

rantsoen 1. losgeld. 2. vastgestelde hoeveelheid voedsel en drank die dagelijks aan elk bemanningslid wordt verstrekt.

rantsoenhout het achterste spant van een houten schip.

recht op en neer het anker is uit de grond gesprongen en hangt loodrecht onder de kabel, terwijl de onderkant nog net de grond raakt.

rechtwandig* de zijden van het schip zijn recht, verticaal of bijna verticaal.

rede een min of meer beschermde plaats waar een schip ten anker kan gaan.

ree verkorting van roer naar lij', volgt als bevel opklaar om te wenden’.

reep touw dat door blokken of schijven wordt geschoren en dikker is dan een duim, 2,5 centimeter.

regeling enkele gebogen balken die de verschansing en zijdelings afsluiting van het galjoen vormen.

reven zie: rif.

richten waterpas of vlak brengen.

riemen, op – het roeien wordt gestaakt en de roeiers keren terug naar de houding van riemen toe.

riemen over de riemen worden dwarsscheeps over de boot gelegd, waarna de roeiers kunnen rusten door erop te steunen.

riemen toe commando waarop de roeiers hun riemen nemen en in de dol leggen, waarna het roeien direct kan beginnen.

rif strook in een zeil die bij te sterke wind met behulp van banden, rifknuttels, kan worden ingenomen om te reven of het zeiloppervlak te verkleinen.

rijden achter het anker wordt gezegd van een schip dat op een ruwe zee voor anker ligt en zwaar stampt.

ringbout bout met aan de bovenkant een oog met een losse ring, waar een blok of haak in kan worden gepikt of een touw aan kan worden vastgemaakt.

rinkelwerk overdadig licht snij- en beeldhouwwerk, vooral op het achterschip, het galjoen en rond ramen en poorten.

roe tien meter.

roede langsscheeps rondhout waaraan een latijnzeil hangt.

roerganger de man die aan het roer staat en de koers stuurt die door de schipper of stuurman wordt opgegeven.

roerhaak een zware pen met twee metalen strippen die aan weerszijden van het roer zijn vastgebout en waarmee het roer in de vingerlingen aan de achtersteven wordt opgehangen.

rol lijst met de opvarenden of de taakverdeling van de bemanning (monsterrol, wachtrol e.d.); mensen die ‘boven de rol’ zijn, staan niet op de monsterrol, wat inhoudt dat de Admiraliteit niet voor hen verantwoordelijk is.

rolpaard rollend onderstel van een scheepskanon.

rolschot kogel die met een te hoge elevatie is afgevuurd, het wateroppervlak raakt en daardoor enkele keren opspringt alvorens eventueel het doel te raken.

rolschot* kanonschot dat in een scherpe hoek t.o.v. het doel wordt gelost, waardoor de kogel erop afschampt en een andere richting krijgt of de zee raakt en een paar keer stuitert voor hij het doel raakt.

rondhout alle ronde houten die tot het tuig behoren, zoals masten, stengen, ra’s etc.

rondslag bepaalde manier om een eind touw op iets vast te zetten.

rotkoorts vlektyfus.

rotmok stoofschotel van restjes vlees en uien.

ruggenpaard of handleider, lijn die bij storm langsscheeps over het dek wordt gespannen en waaraan men zich bij het lopen over dek kan vasthouden om niet overboord te slaan.

ruime wind meer van achteren dan dwars invallend, gunstige wind.

ruimgast matroos die verantwoordelijk is voor de orde in het ruim en de bergplaatsen, voor de watervaten en de ballast e.d.

ruimnaald* lange puntige priem om het zundgat van een kanon schoon te maken.

ruimschoots de wind staat achterlijker dan dwars en waait ruim in de zeilen.

ruimte winnen tegen de wind in van een kust wegzeilen om op voldoende afstand te komen en niet aan lagerwal te raken.

ruimte hebben zich op voldoende afstand van het land of ondiepten bevinden.

rust zware houten plank die horizontaal uit de huid van het schip steekt en dient om de hoofdtouwen te spreiden en te zorgen dat het want de verschansing niet raakt.

scepter houten of ijzeren stijl die deel uitmaakt van de reling.

schaal houten plaat die ter versterking en ter bescherming tegen schuring op de mast wordt gezet.

schaftbalie bak waarin het warme eten uit de kombuis wordt aangevoerd en waaruit ook wordt gegeten.

schalken afdekken van luiken etc. tegen overkomend zeewater.

schavielen slijtage ten gevolge van wrijving, schuring.

schebek lang, smal, zeer scherp gebouwd zeilschip dat vroeger op de Middellandse Zee in gebruik was.

scheepsmatig bepaling van een toestand, feit, handel- of bouwwijze die overeenstemt met de geldende opvatting van goed zeemanschap.

schepel oude inhoudsmaat voor droge waren, een kwart mud (0,25 hl).

scheren een touw door de schijfgaten van een blok steken.

scherp 1. alle soorten kanonskogels. 2. de hoek die het onderwaterschip bij de voorsteven maakt ten opzichte van de kiel.

scherp brassen de ra’s zo brassen dat er zo scherp of hoog mogelijk aan de wind wordt gevaren.

scherpgat magazijn of bergplaats voor de kanonskogels.

schiemannen algemene term voor het verrichten van werkzaamheden aan het touwwerk.

schiemansgaren garen, vooral van oude kabels afkomstig, voor het kleden van touwwerk en het maken van bindsels.

schieten strijken.

schieten (zon, ster etc.) met behulp van een hoekmeetinstrument, zoals de sextant, de hoogte van de zon en sterren e.d. bepalen voor het opmaken van een astronomisch bestek.

schiften het plotseling veranderen van de windrichting, meestal bij lichte wind.

schijf geleiderol in een blok waar het touw over loopt. De schijf draait met zijn bus om een nagel.

schild ezelshoofd van de boegspriet dat de verbinding met de kluiverboom vormt.

schildpad platte klamp of half blok met één of meer schijven dat tegen een ra, giek of mast is aangebracht.

schinkel zwaar touw waarmee een takel wordt verlengd.

schinkelhaak eind touw of ketting met in het midden een ring en aan de uiteinden een platte haak.

schipper bij de marine een onderofficier die zich met de navigatie bezighoudt en tijdens gevechten het schip manoeuvreert; ook de gezagvoerder van een kleiner schip of een vissersboot.

schoener zeilschip met een scherp gesneden romp en een langsscheeps tuig van gaffel-, gaffeltop- en stagzeilen.

schoot touw aan de benedenhoek, de schoothoorn, van een zeil om het zeil in een bepaalde stand te brengen of te houden.

schoothoorn de benedenhoek van een zeil.

schoten laten vliegen een vierkant zeil levendig laten slaan door de schoten los te laten.

schouw vierkant, open rivierscheepje met een vlakke bodem (platboomd) en een iets toelopende voor- en achtersteven.

schrikken een touw waar kracht op staat met rukjes loslaten, ‘een schrikje geven’, waardoor de spanning vermindert.

schrooien het door middel van twee touwen neerlaten of ophijsen van ronde voorwerpen.

seinen door middel van vastgestelde tekens met vlaggen, vuurpijlen en schoten e.d. mededelingen of waarschuwingen overbrengen.

seizing eind touw of platte streng waarmee iets wordt vastgezet.

semafoor kusttelegraaf voor het geven van optische seinen.

sepoy inlandse soldaat in het voormalige Brits-Indische leger.

serang bootsman.

setiezeil trapeziumvormig, langsscheeps zeil.

sextant hoekmeetinstrument dat van belang is voor de astronomische plaatsbepaling.

sikkeblok twee blokken van gelijke grote die boven elkaar in een strop zijn gebonden en waarvan de schijven in hetzelfde vlak boven elkaar of haaks op elkaar staan.

skiff een lang, smal en heel licht roeibootje.

slaags vallen de kop van een schip bij het onder zeil gaan laten afvallen tot het schip slaags ligt, d.w.z. in de richting ligt waarin het kan afvaren.

slaan de zeilen worden door windstoten beurtelings vol en bak geslagen, of bewegen bij zwakke wind en deining heen en weer zonder vol te komen, waarbij ze soms met een klap openslaan.

slag 1. afstand die een laverend schip zonder wenden aflegt. 2. elke winding waarmee een touw opgewonden of ergens omheen is geslagen.

slag, ronde – in de kabel bij twee uitgezette ankerkabels zijn de kabels door het zwaaien van het schip twee of meer malen onder en over elkaar gedraaid.

slagroeier achterste roeier.

slagverband plaats waar de gewonden worden verzorgd.

slampamper dik touw dat in het kabelgat met de ene kant wordt vastgemaakt aan het uiteinde van de ankerkabel en met de andere kant aan een ringbout.

slaplijn een van de gordings van een vierkant zeil.

slede onderstel van een carronade.

slegge zware houten hamer.

slingeren zijdelingse beweging, waarbij de zijkanten van het schip telkens naar het water toe buigen en weer omhoogkomen.

slingerlamp hanglamp die in een cardan is opgehangen waardoor de lamp steeds verticaal blijft.

slingerlatten lijst of lijstwerk rond een tafel om te voorkomen dat serviesgoed e.d. bij zwaar weer op de grond valt.

slingerpardoen pardoen die de mars-, bram of bovenbramsteng tegen sterke loefdruk steunt.

slippen een touw of kabel loslaten en laten uitlopen.

sloep 1. bijboot van een groter schip. 2. klein scheepje met één mast en een langsscheepse tuigage dat breder dan een kotter is, maar minder diep ligt.

sloeppaai bevaren matroos die een boot bestuurt, altijd met het sloepvolk moet klaarstaan en na de commandant het bevel voert.

slonsje dievenlantaarntje.

slooiknieën lange, liggende knieën die aan weerskanten ter zijdelingse steun tegen de scheg zijn aangebracht.

slotgat dwars gat in het onderste stuk van een steng waar het slothout doorheen wordt gestoken, dat dan op de langszalings van de mars rust en de steng omhooghoudt.

slothout vierkant stuk hout dat in het gat onder in een steng wordt gestoken om deze vast te zetten.

smarten touwwerk met stroken oud zeildoek, smarting, omwinden om slijtage te voorkomen.

smeerprop houten plug om door voltreffers ontstane gaten te stoppen.

snauw klein scheepje dat getuigd is als een brik maar tussen de mars en het dek een dunner rondhout of snauwmast achter de grote mast voert, waaraan het brik- of snauwzeil wordt gehesen.

snuit werk, oud geplozen touwwerk

soldatengat het gat tussen de zalings van een mars, waar de top van de mast en de onderkant van de steng doorheen lopen; zo genoemd omdat de zeeman het beneden zijn waardigheid achtte om hierdoor de mars te bereiken; dat deed hij via de puttings.

Spaanse ruiter soort dubbele stampstok in V-vorm.

span oude lengtemaat, 2 decimeter.

spant een van de dwarsscheeps geplaatste verbanddelen die mede het geraamte van een scheepsromp vormen.

spardek licht, boven het hoofddek gelegen dek.

spekken korte kabelgarens dicht bij elkaar door een stuk zeildoek e.d. steken.

spiegel het (bijna) platte vlak dat het achterschip afsluit.

spiegelboog het bovenste deel van de rijk versierd bovenlijst van het achterschip.

spiegelwrang zware, dwarsscheepse, horizontaal over de achtersteven geplaatste balken die het spantwerk van de spiegel vormen.

spier licht rondhout waaraan een zeil wordt uitgezet.

spil gangspil die met behulp van handspaken door mankracht word aangedreven en wordt gebruikt voor zwaar werk, zoals het hieuwen van het anker.

spinnenkop aantal dunne touwen die zich vanuit één punt, bijv. een blok hout of een ring, uitspreiden.

splinternet net dat voor een gevecht een stukje boven het dek word gespannen ter bescherming tegen vallende blokken en splinters e.d.

splitsen twee touwen met elkaar verbinden door de strengen uit elkaar te draaien en op een bepaalde manier in elkaar te vlechten.

spoor zware houten klos die de onderkant van de mast moet dragen en de druk ervan over meerdere spanten moet verdelen.

spoorstok dwarse plank of stok onder in een boot die als voetsteun dient.

spring tros vanaf het achterschip naar de ankerkabel waarmee het schip in een bepaalde richting kan worden gedraaid.

springanker klein anker dat wordt gebruikt om met een spring onder zeil te gaan of van een hoge wal weg te zeilen.

springluik een luik in een groter luik waardoor iemand naar binnen kan zonder dat het hele luik open hoeft.

springpaard een van de verticale einden touw die aan de ra zijn bevestigd om het paard, de lijn onder de ra waar de matrozen op staan, op te houden.

springtij* getij met het hoogste verval dat dicht bij volle- en nieuwemaan voorkomt, wanneer de getijgolven van de zon en de maan elkaar versterken.

sprong aftrede, dwarsscheepse onderbreking van een dek.

spuigat gat in de verschansing of het dek voor de afvoer van regen- en zeewater.

staande koelte wind die lange tijd steeds met dezelfde kracht uit dezelfde richting waait.

stag zwaar touw dat de masten en stengen naar voren steunt.

stagen een mast door middel van stagen en hoofdtouwen voor- en zijwaarts steunen.

stagzeil langsscheeps zeil dat wordt gevoerd aan een stag en ook naar de betreffende stag wordt genoemd (voorstengenstagzeil etc.).

stampen een langsscheepse beweging, waarbij het schip telkens met het voorschip in het water duikt en weer omhoogklimt.

stampstok verticaal onder de boegspriet uitstekende uithouder om de stagen van de kluiverboom naar onderen te steunen en te leiden.

stangkogel twee kogels die door middel van een stang zijn verbonden.

station standplaats, post van een of meer oorlogsschepen.

steek iedere goede, tijdelijke verbinding tussen twee einden touw onderling of van een touw op een voorwerp.

steken een eind of kabel verlengen door er een andere aan vast te maken.

stellen tuig, kanon etc. klaarmaken voor gebruik.

stelwig wigvormige houten klos waarmee dek kanonsloop hoger wordt gericht.

steng rondhout waarmee een mast of steng wordt verlengd: na de ondermast volgt de mars-, de bram-, de bovenbram- en de scheisteng.

stengenwindereep touw waarmee een steng wordt opgezet of geschoten.

stijf een schip dat niet gemakkelijk overhelt en als dat toch gebeurt weer snel in de oude toestand terugkeert.

stijf zetten het strak doorhalen van hoofdtouwen, pardoens en stagen bij het tuigen van een mast, of de loos, de losse bocht, uit een touw halen.

stijl verticale balk.

stiltegordel gebied van lage druk aan weerszijden van de evenaar, tussen de passaatgebieden, waarin stiltes en lichte koeltes voorkomen, afgewisseld met bien, zware regen en onweer.

stilwater overgang van eb naar vloed of omgekeerd.

stok dwarsbalk boven aan de schacht van het anker.

stoop oude inhoudsmaat, 2,8 liter.

stootgaren* garen waarmee het zeil op de ra is samengebonden zonder dat het is beslagen, zodat het zeil met enkele rukken kan loskomen en snel kan worden bijgezet.

stoottalie takel ter beveiliging van het roer, om de schokken en stoten van zware zeeën op te vangen.

stopanker anker van middelmatige grootte dat achter het schip wordt uitgezet.

stopkistje klein kistje voor persoonlijke bezittingen en naai- en stopgerei.

stoppen zeil met garen op de ra samenbinden, maar zonder het te beslaan, waardoor het met enkele rukken loskomt en onmiddellijk kan worden bijgezet.

stopper touw dat moet voorkomen dat een tros of ankerketting verder uitloopt.

stormfok klein, van zwaar doek vervaardigd zeil dat als stormzeil wordt gebruikt of in zwaar weer de gewone fok moet vervangen.

stormzeil van zeer zwaar doek vervaardigd zeil.

stormzeilen alle zeilen die tijdens zwaar weer kunnen worden bijgezet, zoals bijvoorbeeld een dubbelgereefd marszeil.

stoten met de kiel of het vlak van het schip de grond raken zonder vast te lopen.

streek kompasstreek, elk van de 32 streken of windrichtingen die op een kompasroos zijn aangegeven.

striets een gestel van twee talies om grotere kracht uit te oefenen.

strijken de roeiriemen in de tegengestelde richting bewegen van die waarin met aan het roeien was.

strijken, in het hol – de ra’s en stengen tot op het dek strijken om bij storm de windvang te verminderen.

strop een touw waarvan de einden aan elkaar zijn gesplitst en die om lasten wordt geslagen.

stuik de rechte of schuin afgezaagde kop van een plank of balk. De koppen van twee tegen elkaar liggende planken vormen een stuiknaad of stuik.

stuk kanon, vuurmond.

stuur houden voldoende snelheid in het schip houden, zodat het naar het roer luistert.

stuurboord de rechterzijde van een schip wanneer men met het gezicht naar de voorsteven gekeerd staat.

stuurlastig het achterschip ligt dieper dan de kop.

stuurman officier die belast is met de navigatie en die de roerganger de nodige aanwijzingen geeft.

stuurreep touw waardoor het roer van een groter schip met het stuurrad is verbonden.

stuurstreep een in de kompasketel aangebrachte lijn, die precies in de lengteas van het schip valt.

stuurtakels twee talies die men bij zwaar weer of voor het gevecht klaarlegt om de functie van de stuurreep over te nemen als die zou breken.

stuwen ballast, vracht en ook het scheepsinventaris ordelijk en zeevast in het ruim of de daartoe bestemde ruimten onderbrengen.

syzygie* gemeenschappelijke naam voor conjunctie en oppositie van de zon en de maan.

takelaar tuiger die een schip an het nodige tig voorziet.

talie takel om lasten op te lichten of te verplaatsen.

talreep touwsjorring voor het stijfzetten van stagen etc.

tamp het uiteinde van een touw.

tap korte as die aan beide zijden van de loop van een kanon zit en waarmee het stuk in de uitholling in het rolpaard ligt.

tartaan een met latijnzeilen getuigd vrachtschip van de Middellandse Zee dat ook geroeid kan worden.

teers zware hardhouten marlpriem die wordt gebruikt bij het openen van zwaar touwwerk om dat vervolgens te splitsen.

tegen- en volbrassen de ra’s worden zo gebrast dat de zeilen afwisselend bak en vol staan, waardoor het schip op zijn plaats blijft of afwisselend voor- en achteruit vaart.

tegenbrassen zo brassen dat de wind van voren in de zeilen valt en ze tegen de mast drukt.

tienduimer spijker van tien duim ongeveer 25 centimeter.

tier horizontale laag vaten, kisten etc. zoals die naast elkaar in het ruim zijn gestuwd.

toebloks zitten niet verder kunnen, in een benarde positie verkeren.

top, in – een zeil is in top wanneer het volledig is gehesen, de schoten zijn aangehaald en het klaar is om naar de wind te worden gebrast.

top en takel, voor – voor een storm bijliggen met alle zeilen geborgen, waardoor de wind alleen op het tuig kan inwerken; vaak worden ook de stengen geschoten.

toppenant touw waarmee de ra’s horizontaal worden gehouden of juist in een schuine stand worden gezet.

topzeil razeil aan de voorkant van de steng van een topzeilschoener of aan de fokkenmast van een anderhalfmasttuig. Het wordt ook wel marszeil genoemd.

topzwaar schip dat door te veel gewicht of een te grote omvang van de tuigage gemakkelijk zou kunnen kapseizen.

torn 1. bevel om bij het loggen de zandloper te keren. 2. beurt om wacht te lopen of als roerganger dienst te doen.

touwwerk alle touwen die bij de tuigage van een schip horen, zowel het lopend als het staand want.

trabacalo kleine Italiaanse kustvaarder.

tramontane mistralachtige noorden- en noordwestenwind in de golf van Lion.

trekken eigenschap van zeilen die door de wind bol staan en het schip met kracht in beweging brengen.

trenzen de groeven tussen de strengen van zwaar touwwerk met een dunne draad opvullen om een glad oppervlak te laten ontstaan.

trimmen ra’s, gaffels en zeilen in de gewenste stand brengen.

tromp enigszins breed uitlopend mondstuk van een kanon.

tui touw om iets, vooral een staande paal, rechtop te houden en vast te zetten, te tuien.

tuianker een van de twee grote ankers die klaar voor gebruik onder de kraanbalk worden gevoerd.

tuig alles wat bij een bepaald scheepsonderdeel hoort om dat gebruikskaar te maken.

tuigplan schematische tekening van het tuig met aanduidingen voor de plaats, samenstelling en helling van de masten, de afmetingen van ra’s en masten, en het zeiloppervlak e.d.

tuingat gat in de verdikking boven in de mast of steng, onder de top, waar een val doorheen wordt geschoren.

tweedekker een schip met twee geschutlagen.

uil vangen de zeilen slaan tegen de mast door een rukwind uit een andere hoek, maar vooral door onoplettendheid van de roerganger.

uitenteren vanuit het midden van de ra over het eronder hangende touw naar de uiteinden lopen.

uiterton laatste ton of baken op weg naar open zee of de eerste bij het aanlopen van het land.

uithalen 1. harder roeien. 2. de boelijn strak aanhalen om het loeflijk tijdens het aan de wind zeilen zo stijf mogelijk te zetten.

uithouder voorziening om een touw, rondhout of zeil op enige afstand van iets te houden.

uitlopen zie: uitenteren.

uitreden een schip volledig uitrusten en bemannen; men kan een schip uitreden als kaper, ten oorlog of als koopvaarder.

uitrijden een storm uitrijden door het schip achter zijn (zee)anker met de kop in de wind en op de zee te leggen tot het weer verbetert.

uitslaan de lijnen van een scheepsplan op natuurlijke grootte op de vloer tekenen om er mallen van te maken.

uitsteken 1. de rifknuttels van een gereefd zeil losmaken om een groter stuk doek aan de wind bloot te stellen. 2. het uitvieren van een kabel of ketting.

uitweven van het want de dwarstouwen in het want, de weeflijnen, aan de hoofdtouwen bevestigen.

uitzingen het uitroepen door de loder van de waterdiepte die hij meet.

vaam/vadem een lengtemaat van zes voet, ongeveer 1,8 meter.

val touw waarmee een zeil, ra of vlag gehesen of gevierd wordt.

valling voor- of achterwaartse helling van de masten.

valreep een reeks tegen de huid gespijkerde klampjes om aan boord te klimmen.

valwind wind die door een hindernis als een kaap of eiland in een andere richting gaat waaien dan de normale windstreek.

vanglijn touw dat aan een ring op de voorsteven van een boot wordt vastgemaakt om het vaartuig te meren of te slepen.

variatie afwijking van de kompasnaald door het aardmagnetisme.

varken watervat van ongeveer 300 liter.

varsebalie kuip waarin vlees e.d. aan boord wordt gespoeld om overtollig zout te verwijderen en de voedingswaren zo te verversen.

vast bevel om met iets op te houden.

verband* het geheel van kiel, stevens, balken etc. dat een schip zijn sterkte geeft en bij elkaar houdt.

verdubbelen van een dubbele huid voorzien.

verhalen een schip met behulp van trossen op de wal en/of lichte ankers van de ene ligplaats naar een andere trekken.

verheid afstand die een schip in een bepaalde tijd heeft afgelegd.

verkoperen de scheepshuid onder water met koperplaten beslaan om aangroei tegen te gaan en haar tegen paalworm te beschermen.

verlijeren naar lij afzakken.

vernagelen een bout met geweld in het zundgat van een kanon drijven om het stuk in elk geval tijdelijk buiten gebruik te stellen.

verschansing beplanking rond het opperdek die voorkomt dat de golven over het dek spoelen en dat er bij storm bemanningsleden overboord slaan.

vertuien met twee ankers ten anker gaan op een smalle rivier of een druk bevaren waterweg waar eb en vloed staat.

vertuining open of gesloten borstwering rond het bovenste dek.

verwaaid liggen door hevige wind afdrijven of niet kunnen uitvaren, of in een luwte vervallen en daardoor niet verder kunnen.

vierkant toppen en brassen de ra’s zo brassen dat zij horizontaal en haaks op de kielrichting van het schip staan om het schip pal voor de wind te laten lopen of, in een haven, ter wille van de netheid.

vierkant getuigd de zeilen staan dwars op de lengterichting van het schip en hangen aan ra’s.

vingerling een oog met twee metalen strippen die aan weerszijden van de steven zijn vastgebout; het roer wordt met pennen die in de ogen van de vingerlingen vallen, aan het achterschip opgehangen.

vissen een gekat anker, dat dus al onder de kraanbalk hangt, met behulp van een vistakel vastmaken en bergen om te voorkomen dat het heen en weer gaat zwaaien.

vissing versterking van het dek op plaatsen waar er een gat in moet worden gemaakt voor een mast of pomp.

vistakel zie: vissen.

vizierkorrel kleine kegel op de loop van een vuurwapen om beter te kunnen richten.

vlagaandeel het aandeel dat een vlagofficier krijgt van de prijzen die door schepen van zijn eskader zijn genomen.

vlaggenschip schip van een vlagofficier, een schout-bij-nacht, vice-admiraal of admiraal, dat diens vlag voert.

vlagofficier stafofficier bij de marine, een schout-bij-nacht, vice-admiraal of admiraal, die het bevel voert over een deel van de vloot.

vlak onderkant van een schip langs beide zijden van de kiel en van voor- tot achtersteven.

vliegen, schoten laten – een vierkant zeil levendig laten slaan door de schoten los te laten.

vliegend zeil zeil dat vastzit met slechts enkele lijnen, veel minder dan normaal.

vlieger de voorste kluiver.

vloei driehoekige verbreding aan e armen van een anker.

vluchten de loop van een kanon op een punt boven de horizon richten.

voet oude lengtemaat ongeveer 33 centimeter.

vol en bij toestand waarbij de zeilen goed vol staan, maar net niet killen, terwijl het schip zo scherp mogelijk aan de wind zeilt.

vol(e boeg)een min of meer stomp voorschip.

volbrassen de ra’s zo brassen dat de wind volop in de zeilen valt.

volk de bemanning, de matrozen.

volmatroos kloekbevaren matroos, ervaren matroos die al het werk aan boord kan uitvoeren.

volschip schip met ten minste drie vierkant getuigde masten.

volslaan de golven slaan over een boot heen zonder dat het water kan worden weggehoosd, waardoor ze volloopt en dreigt te zinken of te kapseizen.

voorhalen de schoten van de mars- en bramzeilen en dergelijke sterk aanhalen.

voorliggen een bepaalde koers volgen.

voorlijk meer van voren.

voorlongroom het verblijf van de adelborsten.

voorpiek de gehele ruimte in het voorschip onder het hoofddek, vlak achter de voorsteven.

voorzeilen alle zeilen die voor de fokkenmast op de boegspriet, kluiverboom of het jaaghout kunnen worden bijgezet.

vrijbuiter zeerover, piraat.

vrijwacht de helft van de bemanning die wacht te kooi of rust heeft, terwijl de andere helft wacht aan dek heeft.

vuile wind luchtstroom die van een kaap (of zeil) stroomt en daarachter een afdekkingskegel vormt; die kegel veroorzaakt op zijn beurt weer een werveling waar een schip veel last van kan hebben.

vuur 1. vuurtoren, lantaarn of lichtschijnsel. 2. bederf in hout.

vuurkleed natte huiden e.d. die men ter bescherming tegen vonken en brand over de luiken, in de marsen en over de barring legt.

vuurkoord langzaam brandende lont.

waarloos extra, reserve.

waarnemingsklok klok die wordt gebruikt om de tijd te noteren van astronomische waarnemingen om de chronometer niet van zijn plaats te hoeven halen.

wacht 1. het etmaal is verdeeld in zes wachten: eerste wacht (8-12 ’s avonds), hondenwacht (12-4 ’s nachts), dagwacht (4-8), voormiddagwacht (8-12), namiddagwacht (12-4) en de platvoetwacht, die vroeger vaak in tweeën werd verdeeld (4-6 en 6-8) om de mensen niet steeds dezelfde wacht te laten lopen. 2. de groep zeelui die samen wachtloopt.

wacht te kooi de helft van de bemanning die vrij is (de vrijwacht), terwijl de andere helft wacht aan dek heeft.

wachtschip 1. oud, meestal afgekeurd oorlogsschip dat in een haven ligt en waarop tijdelijk volk huist of rekruten voor de marine worden opgeleid. 2. klein oorlogsschip dat in een riviermonding of de ingang van een rede of haven wordt geankerd om daar toezicht uit te oefenen.

waker windwijzer in de top van de mast.

walslurp scheldnaam voor iemand van de wal.

want, staand al het zware touwwerk dat de rondhouten moet steunen en zelden wordt losgemaakt.

wantslag de drie of vier strengen van een touw, worden eerst elk tegen de zon in, van rechts naar links, geslagen. Daarna worden ze met de zon mee, van links naar rechts geslagen. De gleuven tussen de touwen vormen het been van een Z. Trossen zijn in wantslag geslagen.

wapenmeester onderofficier op een oorlogsschip die belast is met de ordehandhaving; hij wordt bijgestaan door de provoost.

wassende kaart kaart waarop de breedtecirkels naar het noorden en zuiden toe geleidelijk groter worden in verhouding tot de schaal.

wateren iets watert wanneer het geleidelijk achter de horizon uit het gezicht verdwijnt; het tegenovergestelde is opdoemen.

waterkist ijzeren vergaarbak die in plaats van vaten wordt gebruikt om de zoetwatervoorraad in het ruim te bewaren.

waterstag stag die van de kop van de boegspriet naar de voorsteven loopt om dat rondhout in neerwaartse richting te steunen.

waterstander vat op de bak met het dagelijks rantsoen water van de bemanning.

waterzeil lang smal zeil dat bij het voor de wind lopen onder de lijzeilspier of onder de bezaansboom wordt uitgezet.

weeflijn dwarstouwen in het scheepswant waarlangs de matrozen naar boven enteren.

wegzetten het inwerken van stromingen op de romp, waardoor het schip wegdrijft.

wenden overstag gaan, over een andere boeg gaan zeilen.

werk oud geplozen touwwerk.

werkboot open bijboot voor het werk aan en om het schip en het vervoer van goederen en personen.

werken toestand van een schip dat onder invloed van onder andere wind en golven van vorm verandert, waardoor de naden opentrekken en het schip gaat lekken.

westenwinden, brave – gordel van overwegend stormachtige, constant westelijke winden in de zuidelijke Indische Oceaan tussen 40° en 50° zuiderbreedte.

westergang dwars over de bovenkant van het achterschip lopend balkon, dat soms uit het achterschip steekt en er soms binnen valt.

wimpel, brede – de extra brede en minder lange wimpel die door een commandeur, de bevelhebber van een eskader, wordt gevoerd.

wind en water, tussen – het deel van de scheepsromp dat op de waterlijn ligt en zich door golfslag, deining etc. beurtelings boven en onder water bevindt.

wind, van de – weglopen ruimschoots zeilen, met de wind achterlijker dan dwars, maar niet recht van achteren in.

wind, aan de – de wind valt voorlijker dan dwars in de zeilen.

winden een last door middel van een lijn of spil omhooghalen.

windprop houten of kurken prop die in de mond van een kanon wordt gestoken om het binnenste tegen roest te beschermen.

winterbramsteng* bramsteng met een korte top die ’s winters wordt opgezet om de windvang te verkleinen.

wipper een eenvoudige takel voor het hijsen van lichte lasten.

wissen de loop van een afgevuurd kanon reinigen met een houten klos op een lange steel waar een schapenvel omheen zit.

wisser 1. de houten, met een schapenvel beklede klos op een lange steel waarmee de loop van een afgevuurd kanon wordt gereinigd. 2. de man die de wisser hanteert.

witte bui hevige wind die onverwacht op stil weer volgt.

woeling touwbeslag dat rond twee of meer delen wordt gewikkeld om die bij elkaar te houden.

worst wrijfworst, een eind afgekapt zwaar touw dat als stootkussen buiten boord wordt opgehangen.

wraak of drift, het dwarsscheeps afdrijven van een schip.

wreed op het roer of loefgierig, eigenschap van een schip om gemakkelijk de kop in de wind te draaien.

wrikken manier van roeien waarbij een riem in een wrikkende, achtvormige schroefbeweging heen en weer wordt geduwd om het vaartuig voort te bewegen.

wulf het boven water overhangende deel van de achtersteven.

yawl een snelle open roei- en zeilboot van de Engelse oostkust met acht doften voor zestien roeiers.

zaathout een langsscheeps zware balk die bij wijze van spreken een tweede kiel aan de binnenkant van de romp vormt.

zakdoek van Onze-Lieve-Heer driehoekig zeiltje dat nog boven het scheizeil en de klapmuts aan de grote mast kan worden gevoerd.

zakkoek koek van een beslag met krenten en rozijnen.

zaling elk van de elkaar kruisende balkjes, langs- en dwarszalings, boven aan een mast of steng die de mars dragen of de hoofdtouwen steunen.

zeeadvocaat iemand die regelmatig graag namens de hele bemanning meent te moeten spreken.

zeeanker ieder tuig (rondhouten, vaten of zeilen) dat de kop van een schip op de zee houdt om een storm uit te rijden en drift tegen te gaan; als het zeeanker over het achterschip wordt uitgezet, vertraagt het de vaart van het schip.

zeeblaas zeilschip dat goed bij de wind zeilt.

zeegat vaarweg tussen twee eilanden, kapen etc. die toegang geeft tot een ander vaarwater, een haven, een rivier e.d.

zeemerk alle bakens, boeien, klippen en opvallende kenmerken langs de kust e.d. die op zee een teken vormen waardoor de zeeman zich kan oriënteren.

zeemijl afstand van ongeveer 1852 meter, de lengte van een meridiaansminuut.

zeil de zeilen van een vierkant getuigd schip heten van beneden naar boven onder-, mars-, bram-, bovenbram- en scheizeil; daar komt voor-, groot- of kruis- voor te staan al naargelang ze aan de voorste, middelste of achterste mast worden gevoerd.

zeilplaat leren band rond de middenhand met een gat voor de duim en ter hoogte van de muis van de duim een geribbelde ijzeren plaat waarmee de zeilnaald wordt opgedrukt.

zeilree zeeklaar, klaar voor vertrek.

zeilstreek hoek of streek van een zeilend vaartuig ten opzichte van de windrichting.

zeiltrimmer iemand die de zeilen in de gewenste stand brengt.

zelling uitholling in de modder van een bank of oever door het gewicht van een aan de grond liggend schip en door de stroming rond de romp. Ook de uitholling in de grond waar een anker heeft vastgelegen.

zetgang zware gang, reeks achter elkaar gelegen planken, in de scheepshuid, waarvan de bovenkant de onderkant of drempel van de geschutpoorten vormt.

zetweger zware gang die de dekbalken moet neerhouden; de binnenste tegenhanger van de zetgang.

zijgalerij uitbouw, balkon aan de zijkant van het achterschip.

zijtalie een takel die aan een ondermast of stang wordt opgehangen en waaraan allerlei lasten worden verplaatst.

zinkings aandoening waarbij kwade vochten naar een lichaamsdeel trekken en daar pijn veroorzaken.

zonnetent dak van zeildoek dat boven delen van het schip wordt gespannen om de bemanning tegen de hitte van de zon te beschermen.

zuiger peervormige ring die om een stag wordt geslagen en waaraan de stagzeilen vervolgens worden vastgemaakt.

zundgat gat boven in het achterstuk van een kanon om kruit te laden en te ontsteken.

zwaaien een schip zwaait wanneer het door wind of getij ronddraait om een vast punt zoals een anker of een boei e.d.

zwaard houten bord dat langszij of in de kiel tot onder het vlak van het schip wordt neergelaten om het verlijeren te beperken.

zwaardoek zwaar zeildoek dat voor de onderste zware zeilen en bij slecht weer werd gebruikt.

zwabber verkorting van zwabbergast, scheepsjongen.

zwaluwstaartlas verbinding waarbij het ene eind van een hout als een zwaluwstaart is uitgsneden en in het einde van een ander stuk hout wordt gevoegd.

zwanenvleugel ene razeil dat aan één kant is opgegeid en dus slechts half bijstaat.

zwichten de hoofdtouwen van masten en stengen ter hoogte van de ra’s door middel van diverse touwen (zwichtings) naar elkaar toe halen zodat ze minder breed uitstaan en de ra’s scherper kunnen worden gebrast.

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *